Dutch Commentary on Chapter 54 (Al-Qamar — The Moon) of the Holy Quran
by Dr. Basharat Ahmad
Translated into Dutch by Reza Ghafoerkhan from the English translation by Imam Kalamazad Mohammed
This book contains the scholarly Dutch commentary on Chapter 54 (Al-Qamar — The Moon) of the Holy Quran rendered by the Quranic scholar, Dr. Basharat Ahmad.
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
اِقۡتَرَبَتِ السَّاعَۃُ وَ انۡشَقَّ الۡقَمَرُ ﴿۱﴾ وَ اِنۡ یَّرَوۡا اٰیَۃً یُّعۡرِضُوۡا وَ یَقُوۡلُوۡا سِحۡرٌ مُّسۡتَمِرٌّ ﴿۲﴾ وَ کَذَّبُوۡا وَ اتَّبَعُوۡۤا اَہۡوَآءَہُمۡ وَ کُلُّ اَمۡرٍ مُّسۡتَقِرٌّ ﴿۳﴾ وَ لَقَدۡ جَآءَہُمۡ مِّنَ الۡاَنۡۢبَآءِ مَا فِیۡہِ مُزۡدَجَرٌ ۙ﴿۴﴾ حِکۡمَۃٌۢ بَالِغَۃٌ فَمَا تُغۡنِ النُّذُرُ ۙ﴿۵﴾ فَتَوَلَّ عَنۡہُمۡ ۘ یَوۡمَ یَدۡعُ الدَّاعِ اِلٰی شَیۡءٍ نُّکُرٍ ۙ﴿۶﴾ خُشَّعًا اَبۡصَارُہُمۡ یَخۡرُجُوۡنَ مِنَ الۡاَجۡدَاثِ کَاَنَّہُمۡ جَرَادٌ مُّنۡتَشِرٌ ۙ﴿۷﴾ مُّہۡطِعِیۡنَ اِلَی الدَّاعِ ؕ یَقُوۡلُ الۡکٰفِرُوۡنَ ہٰذَا یَوۡمٌ عَسِرٌ ﴿۸﴾ کَذَّبَتۡ قَبۡلَہُمۡ قَوۡمُ نُوۡحٍ فَکَذَّبُوۡا عَبۡدَنَا وَ قَالُوۡا مَجۡنُوۡنٌ وَّ ازۡدُجِرَ ﴿۹﴾ فَدَعَا رَبَّہٗۤ اَنِّیۡ مَغۡلُوۡبٌ فَانۡتَصِرۡ ﴿۱۰﴾ فَفَتَحۡنَاۤ اَبۡوَابَ السَّمَآءِ بِمَآءٍ مُّنۡہَمِرٍ ﴿۫ۖ۱۱﴾ وَّ فَجَّرۡنَا الۡاَرۡضَ عُیُوۡنًا فَالۡتَقَی الۡمَآءُ عَلٰۤی اَمۡرٍ قَدۡ قُدِرَ ﴿ۚ۱۲﴾ وَ حَمَلۡنٰہُ عَلٰی ذَاتِ اَلۡوَاحٍ وَّ دُسُرٍ ﴿ۙ۱۳﴾ تَجۡرِیۡ بِاَعۡیُنِنَا ۚ جَزَآءً لِّمَنۡ کَانَ کُفِرَ ﴿۱۴﴾ وَ لَقَدۡ تَّرَکۡنٰہَاۤ اٰیَۃً فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿۱۵﴾ فَکَیۡفَ کَانَ عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۱۶﴾ وَ لَقَدۡ یَسَّرۡنَا الۡقُرۡاٰنَ لِلذِّکۡرِ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿۱۷﴾ کَذَّبَتۡ عَادٌ فَکَیۡفَ کَانَ عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۱۸﴾ اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ رِیۡحًا صَرۡصَرًا فِیۡ یَوۡمِ نَحۡسٍ مُّسۡتَمِرٍّ ﴿ۙ۱۹﴾ تَنۡزِعُ النَّاسَ ۙ کَاَنَّہُمۡ اَعۡجَازُ نَخۡلٍ مُّنۡقَعِرٍ ﴿۲۰﴾ فَکَیۡفَ کَانَ عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۲۱﴾ وَ لَقَدۡ یَسَّرۡنَا الۡقُرۡاٰنَ لِلذِّکۡرِ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿٪۲۲﴾ کَذَّبَتۡ ثَمُوۡدُ بِالنُّذُرِ ﴿۲۳﴾ فَقَالُوۡۤا اَبَشَرًا مِّنَّا وَاحِدًا نَّتَّبِعُہٗۤ ۙ اِنَّاۤ اِذًا لَّفِیۡ ضَلٰلٍ وَّ سُعُرٍ ﴿۲۴﴾ ءَاُلۡقِیَ الذِّکۡرُ عَلَیۡہِ مِنۡۢ بَیۡنِنَا بَلۡ ہُوَ کَذَّابٌ اَشِرٌ ﴿۲۵﴾ سَیَعۡلَمُوۡنَ غَدًا مَّنِ الۡکَذَّابُ الۡاَشِرُ ﴿۲۶﴾ اِنَّا مُرۡسِلُوا النَّاقَۃِ فِتۡنَۃً لَّہُمۡ فَارۡتَقِبۡہُمۡ وَ اصۡطَبِرۡ ﴿۫۲۷﴾ وَ نَبِّئۡہُمۡ اَنَّ الۡمَآءَ قِسۡمَۃٌۢ بَیۡنَہُمۡ ۚ کُلُّ شِرۡبٍ مُّحۡتَضَرٌ ﴿۲۸﴾ فَنَادَوۡا صَاحِبَہُمۡ فَتَعَاطٰی فَعَقَرَ ﴿۲۹﴾ فَکَیۡفَ کَانَ عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۳۰﴾ اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً فَکَانُوۡا کَہَشِیۡمِ الۡمُحۡتَظِرِ ﴿۳۱﴾ وَ لَقَدۡ یَسَّرۡنَا الۡقُرۡاٰنَ لِلذِّکۡرِ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿۳۲﴾ کَذَّبَتۡ قَوۡمُ لُوۡطٍۭ بِالنُّذُرِ ﴿۳۳﴾ اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ حَاصِبًا اِلَّاۤ اٰلَ لُوۡطٍ ؕ نَجَّیۡنٰہُمۡ بِسَحَرٍ ﴿ۙ۳۴﴾ نِّعۡمَۃً مِّنۡ عِنۡدِنَا ؕ کَذٰلِکَ نَجۡزِیۡ مَنۡ شَکَرَ ﴿۳۵﴾ وَ لَقَدۡ اَنۡذَرَہُمۡ بَطۡشَتَنَا فَتَمَارَوۡا بِالنُّذُرِ ﴿۳۶﴾ وَ لَقَدۡ رَاوَدُوۡہُ عَنۡ ضَیۡفِہٖ فَطَمَسۡنَاۤ اَعۡیُنَہُمۡ فَذُوۡقُوۡا عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۳۷﴾ وَ لَقَدۡ صَبَّحَہُمۡ بُکۡرَۃً عَذَابٌ مُّسۡتَقِرٌّ ﴿ۚ۳۸﴾ فَذُوۡقُوۡا عَذَابِیۡ وَ نُذُرِ ﴿۳۹﴾ وَ لَقَدۡ یَسَّرۡنَا الۡقُرۡاٰنَ لِلذِّکۡرِ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿٪۴۰﴾ وَ لَقَدۡ جَآءَ اٰلَ فِرۡعَوۡنَ النُّذُرُ ﴿ۚ۴۱﴾ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا کُلِّہَا فَاَخَذۡنٰہُمۡ اَخۡذَ عَزِیۡزٍ مُّقۡتَدِرٍ ﴿۴۲﴾ اَکُفَّارُکُمۡ خَیۡرٌ مِّنۡ اُولٰٓئِکُمۡ اَمۡ لَکُمۡ بَرَآءَۃٌ فِی الزُّبُرِ ﴿ۚ۴۳﴾ اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ نَحۡنُ جَمِیۡعٌ مُّنۡتَصِرٌ ﴿۴۴﴾ سَیُہۡزَمُ الۡجَمۡعُ وَ یُوَلُّوۡنَ الدُّبُرَ ﴿۴۵﴾ بَلِ السَّاعَۃُ مَوۡعِدُہُمۡ وَ السَّاعَۃُ اَدۡہٰی وَ اَمَرُّ ﴿۴۶﴾ اِنَّ الۡمُجۡرِمِیۡنَ فِیۡ ضَلٰلٍ وَّ سُعُرٍ ﴿ۘ۴۷﴾ یَوۡمَ یُسۡحَبُوۡنَ فِی النَّارِ عَلٰی وُجُوۡہِہِمۡ ؕ ذُوۡقُوۡا مَسَّ سَقَرَ ﴿۴۸﴾ اِنَّا کُلَّ شَیۡءٍ خَلَقۡنٰہُ بِقَدَرٍ ﴿۴۹﴾ وَ مَاۤ اَمۡرُنَاۤ اِلَّا وَاحِدَۃٌ کَلَمۡحٍۭ بِالۡبَصَرِ ﴿۵۰﴾ وَ لَقَدۡ اَہۡلَکۡنَاۤ اَشۡیَاعَکُمۡ فَہَلۡ مِنۡ مُّدَّکِرٍ ﴿۵۱﴾ وَ کُلُّ شَیۡءٍ فَعَلُوۡہُ فِی الزُّبُرِ ﴿۵۲﴾ وَ کُلُّ صَغِیۡرٍ وَّ کَبِیۡرٍ مُّسۡتَطَرٌ ﴿۵۳﴾ اِنَّ الۡمُتَّقِیۡنَ فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ نَہَرٍ ﴿ۙ۵۴﴾ فِیۡ مَقۡعَدِ صِدۡقٍ عِنۡدَ مَلِیۡکٍ مُّقۡتَدِرٍ ﴿٪۵۵﴾
In naam van Allah, de Weldadige, de Genadige. 1. Het uur kwam naderbij en de maan werd uiteengespleten. 2. En wanneer zij een teken zien dan keren zij zich af en zeggen: sterke tovenarij! 3. En zij ontkennen de waarheid (ervan) en volgen hun lage verlangens; en iedere zaak wordt op zijn geëigende tijd vastgesteld. 4. En zeker zijn er reeds verhalen tot hen gekomen waarin vermaningen schuilen. 5. (Verhalen met) volmaakte wijsheid. Maar waarschuwingen hebben geen baat gehad. 6. Dus wend u zich van hen af. Op de dag dat de uitnodiger hen zal uitnodigen tot een onaangenaam iets. 7. Hun ogen neergeslagen, zullen zij voortgaan vanuit hun graven alsof zij naar alle kanten verspreidende sprinkhanen waren. 8. Zich haastende naar de uitnodiger. De ongelovigen zullen zeggen: dit is een zeer zware dag. 9. Vóór hen ontkende het volk van Noach de waarheid. Zij verwierpen Onze dienaar en noemden (hem) krankzinnig. En hij werd verdreven. 10. Dus riep hij zijn Heer aan: ik ben overmand. Helpt u mij daarom. 11. Toen openden Wij de poorten van de hemel met neerstromend water. 12. En (Wij) lieten in het land water voortstromen in bronnen. Zo verzamelde het water zich voor een zaak die reeds was beschikt. 13. En Wij lieten hem aan boord gaan op wat was gemaakt van planken en spijkers. 14. Het dreef voort onder Ons toezicht. (Dit was) een beloning voor degene die werd verworpen. 15. En zeker lieten Wij het achter als een teken. Maar is er iemand die hier acht op slaat? 16. Hoe (vreselijk) was dan Mijn straf en Mijn waarschuwing! 17. En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt om indachtig te zijn. Maar is er iemand die indachtig is? 18. ‘Ād verwierp. Hoe (vreselijk) was toen Mijn straf en Mijn waarschuwing! 19. Waarlijk stuurden Wij over hen een gewelddadige wind op een dag van groot ongeluk. 20. Die mensen wegrukte alsof zij ontwortelde stammen van palmbomen waren. 21. Hoe (vreselijk) was dan Mijn straf en Mijn waarschuwing! 22. En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt om indachtig te zijn. Maar is er iemand die indachtig is? 23. Thamūd verwierp de waarschuwing. 24. Toen zeiden zij: Wat! Eén enkele sterveling uit ons midden! Moeten wij hem volgen? Dan zullen wij zeker in dwaling en in krankzinnigheid verkeren. 25. Is de herinnering uit ons midden gestuurd naar hem? Nee, hij is een grote leugenaar, zelfingenomen! 26. Morgen zullen zij weten wie de leugenaar is, de zelfingenomene. 27. Waarlijk zullen Wij de vrouwtjeskameel naar hen sturen als een beproeving voor hen. Houd hen daarom in het oog en wees geduldig. 28. En laat hun weten dat het water tussen hen verdeeld wordt. Ieder deel van het water zal worden bezocht. 29. Maar zij riepen hun gezel, en hij strekte zijn armen (naar haar) uit en doodde (haar). 30. Hoe (vreselijk) was toen Mijn straf en Mijn waarschuwing! 31. Waarlijk stuurden Wij hen één enkele roep dus werden zij als de uiteengevallen bladeren van de omheining van de omheiningbouwer. 32. En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt om indachtig te zijn. Maar is er iemand die indachtig is? 33. Het volk van Lot verwierp de waarschuwers. 34. Dus lieten Wij stenen op hen regenen, behalve de volgelingen van Lot. Wij redden hen in de vroege ochtend. 35. (Dit was) een gunst (van goedheid) van Onze kant. Zo belonen Wij degene die dank betuigt. 36. En hij waarschuwde hen voor onze aangrijping. Toen betwistten zij de waarschuwing. 37. En voorzeker trachtten zij hem af te keren van zijn gasten, maar Wij verblindden hun ogen. Proef dan van Mijn straf en van Mijn waarschuwing. 38. En zeker werden zij in de ochtend overvallen door een aanhoudende straf. 39. Proef dan Mijn straf en Mijn waarschuwing. 40. En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt om indachtig te zijn. Maar is er iemand die indachtig is? 41. En zeker kwam de waarschuwing tot de mensen van Farao. 42. Zij loochenden al Onze tekenen. Dus grepen Wij hen (op een wijze) zoals het grijpen (van) de Machtige, de Overheersende. 43. Zijn de loochenaars onder u beter dan zij, of is er voor u een vrijstelling (geschreven) in de geschriften? 44. Of zeggen zij: Wij zijn een groep die elkaar helpt? 45. Deze groep zal verslagen worden en (deze mensen) zullen hun rug toekeren. 46. Integendeel, het (beloofde) uur is hun vastgestelde tijd, en dat uur is zeer rampzalig en buitengewoon bitter. 47. Waarlijk, de schuldigen verkeren in dwaling en (in) de hel. 48. De dag waarop zij op hun gezichten het vuur in zullen worden gesleept. Proef van de aanraking van de hel. 49. Waarlijk, Wij hebben elk ding overeenkomstig een maat geschapen. 50. En Ons bevel is slechts één, als een oogwenk. 51. En Wij vernieti gden (velen) van jullie gelijkgezinden, maar is er iemand die er acht op wil slaan? 52. En elk ding wat zij gedaan hebben staat in de schriften. 53. En elke groot en klein (ding) is opgeschreven. 54. De rechtschapenen zullen in tuinen en (in) rivieren zijn. 55. Op een positie van waarheid bij een almachtige Koning.
Inleiding
Dit hoofdstuk, De Maan (Al-Qamar), is een vroege Mekkaanse openbaring. In één opzicht sluit dit hoofdstuk het onderwerp van het vorige, De Ster (Al-Najm), af. Dat hoofdstuk bevat de profetie van de ‘middelste opstanding’ (al-sā‘ah al-wusṭā) via het vers ‘de nabije gebeurtenis komt naderbij,’ (53:57). Dit hoofdstuk begint met de woorden: “De maan werd uiteengespleten,” wat een bewijs vormt voor het feit dat het beloofde uur in aantocht was. Dit kwam doordat er een hemels teken werd gezonden in de vorm van het uiteensplijten van de maan – een realiteit die zowel vriend als vijand aanschouwde.
Daarnaast worden er vanuit de geschiedenis bewijzen naar voren gehaald, die tonen dat wanneer er een wetgevende profeet op de wereld komt, de middelste opstanding ook altijd in zijn spoor volgt. Daarom zou hetzelfde ook hier gebeuren. Het beeld van dat uur wordt met zulke heldere kleuren afgeschilderd, dat wanneer een persoon hier goed over nadenkt, zijn hart met zoetheid van geloof wordt vervuld. Dit gebeurt in het bijzonder wanneer hij zich realiseert dat dit beeld werd afgeschilderd in een tijd dat profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) zich in omstandigheden bevond van uiterste zwakheid en hulpeloosheid. Bovendien verkeerde hij ook in eenzaamheid en armoede. Verder kon hij zich in zijn stoutste dromen niet voorstellen dat er een dag zou komen dat hij een gemeenschap aan zijn zijde zou hebben die tegenstand zou bieden aan dit machtige, wrede en wraakzuchtige volk. Hij zou hieruit zo onbetwistbaar als overwinnaar tevoorschijn zou komen, dat de triomf van de islam zich tot in de verre toekomst zou voortzetten.
Paragraaf 1
1. Het uur (sā‘ah) kwam naderbij en de maan werd uiteengespleten.
Iqrabati-l-sā‘atu wa-nshaqqa-l-qamar.
2. En wanneer zij een teken zien dan keren zij zich af en zeggen: sterke tovenarij!
Wa in yarau āyatan yu‘riḍū wa yaqūlū siḥrun mustamirr.
Sā‘ah (uur) wijst op de komst van die geweldige omwenteling die bestemd was de straf van de tegenstanders teweeg te brengen.
Wat betreft het wonder van het splijten van de maan zegt Ibn Kathir dat er een ononderbroken en authentieke keten van bronnen is in de Hadith die deze gebeurtenis bevestigen. In Boechari vertelt Ibn Mas’oed dat de maan tijdens het leven van profeet Mohammed uiteen werd gespleten. Eén deel van de maan was zichtbaar boven de berg en het ander deel daaronder verscholen. En de Profeet droeg iedereen op naar dit fenomeen te kijken. Ibn Abbas maakt slechts melding van het splijten van de maan. Anas vertelt dat de Profeet aan het volk van Mekka het splijten van de maan toonde als antwoord op hun eis voor een wonder.
Er zijn vele overleveringen die voldoende bewijzen dat de maan in de tijd van profeet Mohammed uiteenspleet. Men is het echter niet unaniem met elkaar eens waar die twee helften zich bevonden. Maar wat betreft de historische echtheid van deze gebeurtenis zijn er twee feilloze bewijsbronnen – een betrouwbare en ononderbroken keten van overleveraars in de Hadith, alsook de duidelijke woorden van de heilige koran. Als men zegt dat de betrouwbare overleveraar Ibn Abbas nog niet geboren was en Anas slechts vier jaar oud was toen deze gebeurtenis zich voordeed, dan trekt dit op geen enkele wijze de werkelijkheid van deze gebeurtenis in twijfel. Er is namelijk buiten hen een hele gemeenschap van metgezellen die hierover hebben verteld. Bovendien bestaat er in de hele geschiedenis geen enkel wonder dat zo krachtig ondersteund wordt door bewijzen als het wonder van het splijten van de maan.
Er zijn ook sommigen die denken dat dit splijten van de maan in feite een profetie inhoudt dat pas op de dag der opstanding zal plaatsvinden. Maar hoe zal de maan in twee stukken verdeeld worden op de dag der opstanding wanneer zowel de maan als de aarde zelf niet meer zullen bestaan? Wat zal er dan nog voor de mensen zijn om te zien? Het is daarom duidelijk dat men de woorden “het uur kwam naderbij” verkeerd begrijpt. Dit uur wijst niet op de grote opstanding, maar op de middelste opstanding, namelijk, de vernietiging van de Qoeraish, oftewel, de tegenstanders van Mekkah. De afsluitende woorden van het vorige hoofdstuk, De Ster, geven dit ook aan: ‘de nabije gebeurtenis komt naderbij,’ (53:57).
Het eerste punt waaraan men moet denken, is dat het splijten van de maan niet in strijd is met de wetten van Allah zoals men algemeen denkt. In feite maakt dit zelf deel uit van Zijn wetten als een teken om te bewijzen dat een profeet of een andere uitgekozene werkelijk door Allah is gestuurd. We moeten in gedachten houden dat de wetten of handelwijze (sunnah) van Allah, met betrekking tot de mens, zich op twee manieren manifesteren.
Ten eerste zijn er de algemene wetten waarvan de oorzaken voor ons verborgen zijn, en deze wetten hebben op iedereen invloed.
Ten tweede zijn er bijzondere wetten die door tussenkomst van bepaalde oorzaken opereren, of zelfs zonder tussenkomst daarvan. Deze wetten zijn van toepassing op die mensen die helemaal opgegaan zijn in hun liefde en welbehagen voor Allah. Zulke vrome mensen hebben een uiterst hoge graad van spiritualiteit bereikt.
Wanneer een persoon zich innerlijk verandert door zich, omwille van Allah en alleen voor Zijn welbehagen, helemaal los te maken van het wereldse, dan zal Allah hem in overeenstemming met zijn veranderde toestand op een bijzondere manier behandelen zoals Hij anderen niet behandelt. Als men dit een wonder noemt, dan is dit niet in strijd met de wetten of de handelwijze van de Almachtige. Het betekent slechts dat het niet in overeenstemming is met de algemene wetten van Allah.
Dit is niet vreemd, want we zien hetzelfde in de uiterlijke wereld gebeuren. Twee personen kunnen bijvoorbeeld een band met elkaar hebben die zo groeit in liefde, vriendschap en zuiverheid, dat die onderlinge band steeds bijzonderder wordt. Twee vrienden behandelen elkaar dus in vergelijking met andere gewone mensen op een unieke manier.
De oorzaak die die wonderbaarlijke gebeurtenissen of bijzondere handelwijzen van Allah in werking stelt, is dus de veranderde conditie van de menselijke ziel. Wanneer haar transformatie perfectie bereikt dan wordt de Goddelijke invloed in werking gesteld. Deze invloed neemt dan steeds meer in kracht toe. Vaak voert de liefde van de mens voor het Opperwezen en ook zijn oprechtheid en ijverige inspanningen om zekerheid van geloof te krijgen hem naar een sublieme toestand. Wanneer hij bijvoorbeeld in deze wonderbaarlijke toestand in een vuur wordt gegooid, dan ondervindt hij daar geen enkele schade van. En zelfs wanneer hij voor leeuwen, beren of wolven wordt geworpen, dan kunnen die hem op dat moment niet deren. Zijn volmaakte waarheidslievendheid en liefde en glorieuze pracht hebben hem namelijk van zijn mens-zijn ontkleed en van hem iets anders gemaakt.
Net zoals een stuk ijzer dat in een vuur wordt geplaatst, zowel van binnen als van buiten begint te veranderen en de uiterlijke kenmerken van vuur aanneemt, zo werkt ook de kracht van het overweldigende vuur van liefde voor Allah. Dit vuur brandt de ziel van de ware aanbidder schoon en laat hem enkele bijzondere eigenschappen van Allah weerspiegelen.
Het is dan ook niet vreemd dat, wanneer iemand zich volledig ten dienste stelt van Allāh, de invloed van Zijn gunsten en zegeningen zo volmaakt wordt, dat deze persoon in onze ogen uitzonderlijk en hoogstaand lijkt in vergelijking met de gewone handelingen van Allah in de wereld. Het zou juist verbazingwekkend zijn als de dienstbaarheid van de mens, na zo’n krachtige inmenging van Allah, niet beïnvloed zou blijven. Als een stuk ijzer door vuur wordt verhit en enigszins op het vuur zelf begint te lijken, is dat volledig in overeenstemming met de natuurwetten. Maar als datzelfde ijzer aan intense hitte blootstaat en toch niet verandert, zou dit ons verstand te boven gaan.
Een van de wetten van Allah treedt speciaal in werking in een periode dat Allah een profeet of een andere door Hem aangestelde persoon op de wereld stuurt. Deze speciale wet kun je inderdaad een wonder noemen en het hoort erbij dat dergelijke wonderen in die periode optreden. Wanneer zo’n gekozen individu tot die positie verheven wordt, dan wordt het op dat moment noodzakelijk dat Allah tekenen van hemelse hulp toont ten behoeve van dat individu. Zo zal boven alle twijfel bewezen worden dat hij door Allah gestuurd is, alsook zijn openbaringen en het boek waarmee hij komt. Zo zal zijn bewering dat Allah hem werkelijk tot die positie heeft verheven een stempel van Allah’s bevestiging ontvangen in de ogen van de gewone mensen.
Wat er gebeurt is dat Allah vanuit Zijn alwetendheid dat individu inzicht in verborgen zaken en mysteries onthult. En vanuit Zijn almacht laat Hij buitengewone voorbeelden van Zijn hulp en bijstand zien. Deze zijn op zo unieke wijze voortreffelijk, dat menselijke kennis niet in staat is zoiets te produceren, en menselijke kracht tekortschiet om daar iets tegen in te brengen. Dit wordt in de terminologie van de islam een wonder genoemd. En de heilige koran duidt dit aan met het woord āyah of teken van Allah.
Het tweede punt dat ik wil toelichten is dat de heilige koran een bijzondere term gebruikt – sunnat Allah – wat de handelwijze van Allah betekent. Met andere woorden, het zijn de praktijken of wetten van Allah die vanuit Zijn volmaakte en complete kennis in de heilige koran staan vermeld. Daarnaast zegt Allah in de heilige koran:
“En u zult geen verandering vinden in de handelwijze van Allah (sunnat Allah),” (35:43).
Dit betekent dat je nooit enige verandering zult vinden in de Goddelijke handelwijzen of wetten zoals Allah die in de koran heeft genoemd. Wanneer iemand dus een gebeurtenis vertelt die tegenstrijdig is hieraan, dan kunnen we die niet accepteren.
Helaas denken sommige atheïsten dat het beetje wetenschappelijke kennis van de natuur die zij hebben, dat dat de sunnat Allah (handelwijze van Allah) is die in de heilige koran wordt genoemd. Wanneer ze dus iets zien of horen wat tegengesteld is aan hun wetenschappelijke kennis, dan zullen ze daar niet in geloven. Dit is echter een verkeerde houding die zij aannemen. Datgene wat in de koran vermeld wordt als de sunnat Allah, dat is de handelwijze of wet van Allah. Dit staat dus alleen in de koran en verder in geen enkele andere bron. Omdat de Almachtige deze kennis vanuit Zijn volmaakte bron van kennis aan ons heeft gegeven, kan er daar geen enkele fout in schuilen. Allah’s kennis omvat namelijk elk aspect van Zijn wetten en het is onmogelijk dat we daar nog iets aan kunnen toevoegen. Dit zijn de wetten van Allah waarvan de heilige koran zegt: “u zult geen verandering vinden in de handelwijze van Allah.”
Wanneer je dus een gebeurtenis hoort die tegengesteld is aan deze wetten, dan mogen we die niet accepteren. Hoe kan er namelijk een verandering plaatsvinden in de wetten van Allah? De heilige koran zegt bijvoorbeeld:
“Allah neemt de zielen (van de mens) op het moment van hun dood, en (van) degenen die niet sterven gedurende hun slaap. En voor wie Hij de dood heeft verordend, (hun zielen) houdt Hij tegen,” (39:42).
Dat wil zeggen, die zielen waarvoor Allah de dood heeft beschikt, die keren niet meer terug naar deze wereld. En in en ander vers lezen we:
“En het is verboden voor (de bewoners van) een stad die Wij vernietigen: zij zullen niet terugkeren,” (21:95).
Dat betekent dat het verboden is voor de mensen van een stad die zijn vernietigd om terug te keren naar de mensen van deze wereld.
Dit is nu de sunnat Allah die Hij, in zijn volmaakte kennis, in de heilige koran aan ons heeft uitgelegd. Wij kunnen dus, in het licht van deze duidelijke verklaringen van Allah, van geen enkel profeet of een heilige aannemen dat zij opnieuw leven gaven aan een persoon die werkelijk overleden was en van wie de ziel was weggenomen. Dit is namelijk in strijd is met sunnat Allah. En Allah heeft verklaard dat u “geen verandering vindt in de handelwijze van Allah.”
Wanneer we dus van de wonderen van een profeet lezen dat hij de doden tot leven bracht, dan nemen we dat niet letterlijk, maar kennen we daar een metaforische betekenis aan toe. Dat wil zeggen, hij blies leven in spiritueel dode mensen. Of hij verloste een persoon die door een ramp werd overvallen van zijn leed, of hij genas iemand van een dodelijke ziekte.
Ten derde, welke handelwijze (sunnat) van Allah er ook in de heilige koran wordt genoemd, het verwijst slechts naar die wetten of handelwijzen die Allah vanuit Zijn volmaakte kennis in het heilige boek heeft laten opnemen. Deze zijn niet van toepassing op die wetten die de mens zelf afleidt vanuit zijn observatie van de natuurverschijnselen en vanuit zijn natuurkundig onderzoek en experimenten. Ze houden ook geen verband met de kennis die filosofen en zelfs gewone mensen aanduiden met wetenschap.
Het is werkelijk dwaas om de waarnemingen en onderzoekingen van de mens te beschouwen als de wetten van Allah. Menselijke kennis is niet zoals Goddelijke kennis. Zijn kennis is slechts onvolledig en beperkt. Hoewel het waar is dat zijn experimenten en onderzoek inderdaad diepzinnig kunnen zijn en de wetten die hij afleidt ook correct kunnen zijn, is het echter onjuist om ze de status van de wetten van Allah toe te kennen. We kunnen namelijk niet met totale zekerheid zeggen dat ze een bepaalde zaak vanuit elk denkbaar aspect omvatten. Het is zeer goed mogelijk dat een bepaald aspect voor ons verborgen blijft.
Wanneer we iets horen dat tegengesteld is aan de wetten die de wetenschap heeft ontdekt, mogen we dat niet overhaast afwijzen enkel en alleen omdat het in strijd lijkt te zijn met de natuurwetten die wij hebben afgeleid uit ons onderzoek en onze waarnemingen. Het is namelijk mogelijk dat onze waarnemingen, onderzoek en experimenten niet elk aspect van die wetten behelzen. Het zou daarom zeer dom zijn van ons als wij haastig een oordeel zouden vellen over een bepaalde gebeurtenis en zeggen dat die tegengesteld is aan de wetten van Allah, alleen omdat die buiten onze begrip en ervaring ligt.
Wanneer het begrensde verstand en gebrekkige kennis van de mens bepaalde wonderlijke gebeurtenissen van Allah’s schepping en Zijn wetten niet kunnen bevatten, dan moet onze leidraad niet zijn dat we elke nieuwe zaak verwerpen die buiten ons begrip ligt. We moeten in plaats daarvan zijn geloofwaardigheid, of juist zijn ongeloofwaardigheid op juiste waarde beoordelen. Als we het kunnen bewijzen, dan moeten we het opnemen in de lijst van natuurwetten die we hebben ontdekt. En als we het niet kunnen bewijzen, dan moeten we gewoon zeggen dat het niet bewezen is. We zijn echter niet bevoegd om te beweren dat zo’n fenomeen in strijd is met sunnat Allah (de Goddelijke wet). Wanneer we willen bepalen of iets wel of niet in overeenstemming is met de Sunnat Allah, moeten we het volledige bereik van Allah’s eeuwige en oneindige wetten in beschouwing nemen. Ons intellect moet een diepgaand begrip hebben van de krachten en manifestaties die Allah vanaf het begin der tijden tot nu toe heeft geopenbaard, en van wat Hij in de toekomst zal blijven manifesteren.
Kan Allah ons nog steeds nieuwere fenomenen laten zien, of is Hij beperkt tot de fenomenen die wij al hebben waargenomen? Als Hij werkelijk beperkt zou zijn tot deze fenomenen, wat zou dan de reden kunnen zijn voor die beperking, ondanks Zijn onbeperkte Goddelijkheid, kracht en macht? Is Hij niet langer in staat om grotere krachten te openbaren, of heeft iemand Hem ertoe gedwongen de manifestatie van Zijn krachten te beperken?
We maken een behoorlijke fout door aan te nemen dat Allah’s macht beperkt is, omdat de verschijnselen die we nu waarnemen begrensd lijken. Het is een feit dat het menselijk vermogen niet in staat is om de volledige Goddelijke wet van Allah (sunnat Allah) te doorgronden op basis van slechts een beperkte periode van observatie en ervaring. We mogen niet overhaast concluderen dat Allah’s oneindige macht uitgeput is, enkel vanwege onze beperkte kennis van de natuurwetten.
De verstandige benadering is om de wetten die door de wetenschap zijn ontdekt te beschouwen als onderdeel van het voortdurende proces van het optreden van nieuwe fenomenen in de natuur. We mogen nooit de houding aannemen dat deze bijzondere verschijnselen, die zich van tijd tot tijd op aarde voordoen, verworpen moeten worden op grond van dat ze buiten onze huidige bron van kennis liggen. Als we deze houding aannemen dan maken we een einde aan alle wetenschappelijk vooruitgang. En als wetenschappers een dergelijke gedragswijze niet hadden gevolgd, dan zouden ze niet zo’n verbazingwekkende vooruitgang in de wetenschap hebben geboekt.
Wat is dwazer dan onze gelimiteerde en aan twijfel onderhevige experimenten van enkele dagen op hetzelfde voetstuk te plaatsen van de volmaakte natuurwetten van de Almachtige? Moeten we, wanneer in de toekomst nieuwe mysteries van de natuur worden onthuld, deze dan ook beschouwen als strijdig met Allah’s handelwijze?
Wanneer we dus zorgvuldig over deze zaken nadenken, dan kunnen we niet zeggen dat het uiteensplijten van de maan strijdig was met de wetten van Allah, want nergens zegt de Schepper in de heilige koran dat dit onmogelijk is. Noch kan men zeggen dat het in strijd is met de wetten die de wetenschap heeft ontdekt, want wat betreft de systemen en wonderen van de hemellichamen, is onze kennis zeer incompleet.
In werkelijkheid neemt onze kennis elke dag toe met elke manifestatie van nieuwere en vreemdere en ongewonere gebeurtenissen. En ook onze middelen om meer kennis van de hemellichamen te vergaren zijn ontoereikend en onontwikkeld, om niet te spreken van de veranderingen en opschuddingen die constant bij de hemelse planeten worden gedetecteerd. Zelfs op onze zon zijn er geweldige uitbarstingen die geregeld optreden en vaak worden zelfs vele plekken voor het blote oog zichtbaar – een feit dat astronomen tot de conclusie heeft geleid dat de zon een kloof heeft.
Het is dus niet overdreven om te concluderen dat er in de maan een geweldige verstoring plaatsvond die het in twee stukken deed splijten, of dat er ten minste twee stukken zichtbaar werden. Het is zeer goed mogelijk dat Allah, de meest Wijze, in Zijn grenzeloze wijsheid een bepaald tijdstip voor het uiteensplijten van de maan en haar samenvoegen had voorbeschikt. Dit was misschien allemaal noodzakelijk en nuttig voor een juiste werking van het heelal.
Het vers “Het uur kwam naderbij en de maan werd uiteengespleten,” kan dus zeer goed een teken zijn dat het voorbestemde tijdstip van het splijten van de maan was gekomen, waarna de maan ook werkelijk uiteenspleet.
Kortom, wanneer de wetenschap in het algemeen, en de astronomie in het bijzonder, het optreden van nieuwe natuurverschijnselen accepteert, oftewel wanneer nieuwe natuurwonderen worden ontdekt en onze kennis toeneemt, wordt onze onvolmaakte kennis geleidelijk aangevuld. Hoe kunnen we dan een gebeurtenis onmogelijk achten die door zowel vriend als vijand werd waargenomen en via een keten van authentieke overleveraars tot ons is gekomen, enkel omdat deze buiten onze huidige bronnen van kennis valt? Geen enkel verstandig persoon kan werkelijk een gebeurtenis ontkennen die door zowel vriend als vijand werd gezien. Bovendien zijn de geschiedkundige verslagen ervan zo authentiek, dat ze alle andere opgetekende verslagen overtreffen. Afgezien van de betrouwbare hadith, vormt het feit dat het opgenomen is in de heilige koran het meest krachtige van alle bewijzen.
We zullen nu bekijken van hazrat Mirza Ghulam Ahmad, de mujaddid van deze tijd en grondlegger van de Ahmadiyya Beweging in de islam, zegt over deze zaak in zijn werken.
“De heilige koran is een dusdanig boek, dat de openbaring van elk vers aan duizenden gelovigen en tegenstanders werd overgebracht. En het werd gepredikt en honderden leerden het uit het hoofd. De moslims zeiden het op in hun gebeden en buiten de gebeden.
Wanneer de heilige koran dus duidelijk een bepaalde zaak bevat, namelijk dat de maan uiteen werd gespleten, en de ongelovigen dit teken zagen en zeiden dat het tovenarij was, zoals de heilige koran zegt: ‘Het uur kwam naderbij en de maan werd uiteengespleten. En wanneer zij een teken zien, keren zij zich af en zeggen: sterke tovenarij,’ dan was het onder deze omstandigheden voor de verwerpers van die tijd verplicht om naar het huis van de Profeet te gaan en hem te vragen: ‘Wanneer en op welk moment spleet u de maan uiteen en wanneer hadden wij dat moeten zien?’ Toen echter daarna dit vers alom bekend werd en verspreid, en de tegenstanders stil bleven en niemand protesteerde, dan is het zeer helder dat ze het uiteensplijten van de maan beslist met hun eigen ogen hadden gezien, en dat er zelfs geen ruimte meer overbleef voor discussie.
Kortom, het is zeer duidelijk en zeer nuttig voor elke oprechte waarheidzoeker, dat de Profeet (v.z.m.h.) geen enkel vals wonder in de heilige koran met betrekking tot de tegenstanders geschreven kon hebben. En als hij iets onwaars in de heilige koran had geschreven, hoe zouden de verwerpers van zijn tijd en van zijn stad hem ermee hebben kunnen laten wegkomen?
Daarnaast moet men beseffen dat de moslims aan wie dit vers was overgebracht en dit aan anderen overbrachten, uit duizenden mensen bestonden, en elk persoon was er in zijn hart zeker van, dat als er iets vals of verzonnen aan het licht zou komen van een bepaalde leider, leermeester of profeet, dan zou het geloof in hem volkomen vernietigd worden. En zo’n persoon zou in de ogen van ieder ander persoon als een slechterik gezien worden. Het is daarom zeer helder dat indien dit wonder niet was opgetreden en slechts een verzinsel was, dan moesten de duizenden moslims die in de Profeet (v.z.m.h.) geloofden, nadat ze zo’n flagrante leugen hadden gezien, onmiddellijk hun geloof helemaal opgeven. Het is echter duidelijk dat dit nooit is voorgekomen.
En zo staat het vast dat het uiteensplijten van de maan zeker gebeurd was. Elk oprecht mens zou moeten overwegen en voor zichzelf uitmaken of het, historisch bezien, geen voldoende bewijs is dat het wonder van het splijten van de maan opgenomen werd in de heilige koran, die verwijst naar de ooggetuigenis van de tegenstanders in die tijd, en dat dit alom bekend werd gemaakt, en toch elke tegenstander bleef zwijgen nadat zij die informatie hadden gekregen. Niemand heeft ooit een woord van afwijzing geuit of geschreven, terwijl de verhalen van duizenden moslims van die tijd nog steeds overeind staan.” (Soerma Chashma Arya, p. 63)
Later gaat hij verder:
“Wanneer een persoon, die een overtuigde tegenstander is, het laat afweten om ondersteunende bewijzen te produceren, dan is dat niet vreemd. Wat echter wel vreemd is, is wanneer een tegenstander blijft zwijgen wanneer een valse bewering wordt ontmaskerd en hij de pen niet oppakt om deze leugen te onthullen, noch de bedrieger in zijn huis confronteert.
Ik vraag daarom dat als de Profeet (v.z.m.h.) foutief was in zijn openlijke en wijdverspreide bewering dat door zijn toedoen het wonder van het uiteensplijten van de maan plaatsvond, en dit ook door zijn tegenstanders werd aanschouwd, maar die dit tot tovenarij bestempelden, waarom bleven de tegenstanders van de Profeet (v.z.m.h.) van zijn tijd dan zwijgen, ook al had dit bericht hen met tromgeroffel bereikt? En waarom vroegen ze de Profeet (v.z.m.h.) niet om opheldering met: ‘Wanneer liet u zien dat u de maan in tweeën spleet? En wanneer noemden wij dit tovenarij en weigerden wij dit te accepteren?’ En waarom bleven ze tot hun laatste adem zwijgen en hielden ze hun mond dicht totdat ze deze wereld verlieten? Onthult dit zwijgen, wat lijnrecht tegengesteld is aan hun houding van bikkelhard verzet en felle tegenstand, niet duidelijk dat er een enorm obstakel was dat hen ervan weerhield zich uit te spreken? Afgezien echter van de duidelijke waarheid, welk ander beletsel kon er zijn geweest?
Dit wonder vond plaats in Mekka toen de moslims zich nog in een zwakke, hulpeloze en krachteloze positie bevonden. Het is dus verbazingwekkend dat de kinderen of kleinkinderen (van de tegenstanders) nooit een woord van afwijzing uitbrachten, hoewel het voor hen meer dan verplicht was dat ze, als die grandioze bewering, die mijlen in de omtrek was verspreid, niets meer dan een verzinsel was, boeken zouden schrijven en over de wereld zouden verspreiden en verkondigen.
Wanneer er dus niemand was onder de honderdduizenden mensen, inclusief christenen, Arabieren, joden, magiërs enzovoort, met de moed om hier iets tegen te schrijven, terwijl de moslims openlijk hun ooggetuigenis rechtstreeks aan duizenden mensen verkondigden (en deze getuigenissen bestaan tot aan heden nog steeds in boeken die in die tijd waren geschreven), dan bewijst dit helder dat de tegenstanders het uiteensplijten van de maan inderdaad zelf hadden gezien en hadden ze dus geen kans om hier iets tegen te schrijven en was dit de enige reden waarom ze hier geen ophef tegen konden maken. …
De Profeet (v.z.m.h.) was geen ordinaire derwisj of kluizenaar zodat men het excuus kan maken, dat omdat hij een vredelievende asceet was die andere godsdiensten niet aanviel, men de neiging had de andere kant op te kijken. Integendeel, hij maakte al zijn tegenstanders voor bewoners van de hel uit. Daarom waren er absoluut voldoende redenen aanwezig voor het aanwakkeren van vijandige gevoelens.” (Soermah Chashma Arya, p. 74-77)
Deze passage benadrukt de zekerheid van de gebeurtenis van de splitsing van de maan, en benadrukt dat de wijdverspreide erkenning ervan en het stilzwijgen van critici destijds, inclusief de vijanden van de islam, dienen als sterk bewijs dat de gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Het argument benadrukt ook dat de Profeet geen geïsoleerde figuur was, maar een actieve leider onder zijn volk. Hierdoor is het onwaarschijnlijk dat zo’n belangrijke gebeurtenis zou zijn verzonnen of genegeerd. Als antwoord op zijn verwerpers lezen we iets verder in hetzelfde boek:
“Als de tekst in de koran geen historisch bewijs is, vertel me dan, in een situatie waarin een boek een bekende gebeurtenis uit zijn tijd vermeldt, ondersteund door de getuigenissen van zijn tegenstanders, en dit boek toebehoort aan een persoon die beroemd en gerespecteerd is over de hele wereld, wat noemen we dan wél historisch bewijs? Kunnen we in de annalen van de geschiedenis een meer overtuigende en beroemder voorbeeld aantreffen dat in een boek is opgenomen van een gebeurtenis die plaatsvond op hetzelfde moment dat het boek werd samengesteld en waarvan de auteur ooggetuige was en die de meest belangrijke man van zijn tijdperk was in termen van eer en reputatie? En afgezien van dit alles, dat de samensteller zijn tegenstanders als getuigen van die gebeurtenis aanhaalde? En bestaat er een ander boek dat in zijn oorspronkelijke zuiverheid bewaard is gebleven en tot ons is gekomen en welke edele reputatie zich naar vele delen van de wereld heeft verspreid? En verder, welk ander boek is in het geheugen van duizenden beroemde mensen bewaard gebleven vanaf het begin tot aan vandaag, in die mate dat hun aantal honderdduizenden overtreft? Daarnaast zien we dat er in deze tijd verschillende gedrukte exemplaren bestaan waarin volledige toelichting staat. Welk ander boek wordt verder vijfmaal per dag in de gebeden gezegd door toegewijde dienaren van de Geliefde, terwijl het constant wordt gereciteerd en continu aan anderen wordt onderwezen? Wanneer jullie, behalve de heilige koran, een ander historisch boek zijn tegengekomen op de hele wereld dat al deze eigenschappen van de heilige koran volledig bezit, dan moeten jullie dat als bewijs presenteren. Als jullie dit niet kunnen, dan is de welverdiende pijn van schaamte en schande die jullie zal overkomen, omdat jullie niet in staat waren antwoord geven, voldoende voor jullie.” (Soermah Chashma Arya, p. 80)
Wanneer we, ondanks het bewijs van de heilige koran dat het uiteensplijten van de maan niet in strijd is met de natuurwetten, dit ontkennen op grond van onze onvolmaakte en weinige kennis van de astronomie, dan zou dit zeer onwetend en onterecht hooghartig van ons zijn, vooral wanneer er volop historische bewijzen zijn. Het is ironisch dat wanneer er in Engelstalige kranten in Europa of Amerika een bepaalde gebeurtenis, hoe vreemd en buitengewoon die ook is, wordt gepubliceerd, zie hoe snel de mensen het willen geloven en accepteren, zelfs als het volkomen onjuist is! Wanneer het aan de andere kant over Allah’s openbaring gaat, zelfs wanneer die vergezeld gaat met veel historische bewijzen, dan zijn mensen erg terughoudend om het te accepteren en beschuldigen ze ons de natuurwetten een voor een overtreden te hebben. Dit is de invloed van de Dadjaal (westerse wereld) die onze gedachten heeft aangetast.
Sommige geleerden beschouwen dit als een bijzondere soort van maansverduistering, die de twee lichtende randen van de maan van elkaar scheidde, waarbij een schaduw als een lijn ertussen verscheen, waardoor het leek dat de maan in twee helften was gespleten.
Men zou het bezwaar tegen deze zienswijze kunnen inbrengen dat het in dat geval geen daadwerkelijke splitsing van de maan betrof. De maan leek immers voor het oog gespleten, maar was dat in werkelijkheid niet. Zij reageren hierop door te zeggen dat wat de sceptici wilden zien, datgene is wat zij met hun ogen zagen. En het is nu eenmaal zo dat alles wat het menselijke oog op deze wereld waarneemt slechts bepaalde verschijningsvormen zijn. De werkelijke essentie die daarachter ligt blijft vaak voor de mens onbekend.
Zij zeggen dus dat deze splitsing niet echt was, maar een natuurlijk fenomeen dat werd waargenomen, en dat de uitdrukking shaqq al-qamar (splitsing van de maan) geheel in overeenstemming is met figuurlijke uitdrukkingen in de taal. We zeggen bijvoorbeeld “de zon is opgekomen” en “de zon is ondergegaan,” hoewel de zon in werkelijkheid noch opkomt, noch ondergaat. Het lijkt alleen zo te zijn vanwege de rotatie van de aarde. Vandaar dat ze redeneren dat net zoals we metaforisch spreken over het opkomen en ondergaan van de zon, zo wordt er ook van een denkbeeldig splijten van de maan gesproken.
Het is geen probleem wanneer mensen geloven dat het splijten van de maan niet echt was. Als dat echter het geval was, dan is er een andere uitleg nodig dan die van een verduistering, omdat bij een maansverduistering de schaduw van de aarde die daarop valt altijd uit één richting komt. En of het nu de helft van de maan verduistert of helemaal, het gebeurt nooit dat de cirkelvormige schaduw van de aarde als een lijn daarop valt en de schijn wekt alsof die in tweeën is gespleten. Dit kon dus geen verduistering zijn geweest.
Op een natuurkundige wijze kon het natuurlijk gebeurd zijn dat de maan een dusdanige tijdelijke verstoring had ondergaan, dat de verduistering in het midden ervan geaccentueerd werd en het leek alsof die in twee stukken van verdeeld.
We kunnen het ook vanuit een spiritueel oogpunt beschouwen. De visioenen van de Profeet waren soms zo buitengewoon krachtig, dat bij vele gelegenheden zijn invloed op wonderbaarlijke wijze op anderen inwerkte. Op die manier deelden ook zij mee in de spirituele visioenen van de verborgen wereld die de Profeet ervoer.
Men kan hier de vraag stellen hoe men onderscheid kan maken tussen magie en spirituele verschijnselen. Het antwoord is dat magie niets anders doet dan zand in de ogen van de mensen strooien en niets met de werkelijkheid te maken heeft. Spirituele visioenen aan de andere kant belichamen een realiteit die aan de ontvanger in feite als een machtig teken of profetie wordt getoond.
Zo was de bedoeling van dit visioen om te laten zien dat de maan het symbool was van de Arabieren. Net zoals verschillende landen hun eigen nationale embleem hebben, zo hadden de Arabieren sinds mensenheugenis voor de maan gekozen als hun embleem en wapen. Om die reden telden ze hun maanden en jaren volgens de maan.
Het feit dat de maan het nationale symbool van de Arabieren was geworden, was zo algemeen bekend bij andere volkeren, dat Safiyya, moeder van de gelovigen, die een jodin was, lang voor haar huwelijk met de Profeet een droom had gekregen waarin ze zichzelf in de schoot van de maan zag liggen. Toen haar vader, die een jood was, van deze droom hoorde, was hij zo geërgerd dat hij haar in het gezicht sloeg en haar verwijtend vroeg: “Wilt u trouwen met de koning van Arabië?” Wat er uiteindelijk gebeurde, was dat ze trouwde met de koning van Arabië van zowel het godsdienstige als het wereldse leven.
Kortom, de Arabieren beschouwden de maan als hun nationale embleem en symbool. Vandaar dat de maan in dit tafereel het Arabische volk symboliseert. En door dit te laten zien, was het de bedoeling aan te tonen dat Arabië sinds de aanstelling van profeet Mohammed verdeeld was geraakt in twee groepen; de ene de moslims, en de andere de ongelovigen.
Het vers “Het uur kwam naderbij en de maan werd uiteengespleten,” wees erop dat de moslims en de ongelovigen op dat moment sociale betrekkingen met elkaar onderhielden in Mekka, maar dat het beloofde uur van de omwenteling gekomen was waarop men rekenschap van daden zou moeten geven. Zo zou het gebeuren dat de moslimse en de ongelovige groepen ieder hun eigen weg zouden gaan toen de hijra (de verhuizing van Mekka naar Medina) plaatsvond. Er zou dan een scheiding ontstaan tussen hen, want zonder deze scheiding zou het onmogelijk zijn onderscheid te maken in de gevolgen van daden. Het uiteindelijke resultaat zou zijn dat het Arabische volk in twee duidelijk onderscheiden groepen zou worden gesplitst en dat niet alleen de hijra, maar ook de veldslagen daarna deze kloof helderder dan de middagzon zou maken. Door deze gebeurtenissen zou de hele wereld met verbijstering hiervan getuige zou zijn, en zien dat zelfs een vader zou tegen zijn zoon zou vechten en een broer in strijd zou zijn met zijn broer.
Er wordt echter de blijde boodschap gegeven dat na deze breuk de splitsing in het Arabische volk zou verdwijnen en iedereen tot de islam zou overgaan. En via de islam zouden zij één natie vormen, en zou er een eenheid en broederschap gevestigd worden zoals de wereld nog nooit had gezien.
Tegenstand en vooroordelen zijn ook ernstige zaken. De ongelovigen van Mekka zagen en ervoeren alles en bleven toch ontkennen. Ze zagen zo’n luisterrijk voorbeeld en toch bleven zij hardnekkig volharden in hun tegenstand. En als ze al een oordeel gaven, wat zeiden ze dan? Dit was magie of toverij, maar van een zeer krachtige aard. Waarom zeiden ze dat? De heilige koran zegt ons:
3. En zij ontkennen de waarheid (ervan) en volgen hun lage verlangens; en iedere zaak wordt op zijn geëigende tijd vastgesteld.
Wa kazzabū wa-ttab‘ū ahwā’a-hum wa kullu amrin mustaqirr.
Er wordt ons gezegd dat ze slechts de waarheid van dit geweldige teken ontkenden, omdat ze hun eigen verlangens volgden. Daarom waren hun harten ongeschikt om dit duidelijke teken te accepteren. Het deed er echter niet toe of ze er wel of niet in geloofden, want het uur van die grote omwenteling waarin ze hun vastgestelde straf zouden ontvangen, was naderbij gekomen. Het uiteensplijten van de maan was een aanwijzing dat dat uur nabij was. Als ze dus weigerden te geloven, dan zouden de gebeurtenissen op de wereld hen zeer wel daarvan overtuigen.
Voor elke zaak is er een specifiek tijdstip vastgesteld. Deze straf had dus ook zijn eigen specifieke moment. Het uiteensplijten van de maan had de bijzondere aard van deze straf al onthuld, en dat was dat de moslims en de ongelovigen in twee aparte groepen gesplitst zouden worden. Dit zou tot oorlogen leiden die de ondergang van de ongelovigen en de ineenstorting van hun macht zouden veroorzaken.
4. En zeker zijn er verhalen tot hen gekomen waarin waarschuwingen zijn.
Wa laqad jā’a-hum min-al-anbā’i mā fīhi muzdajar.
5. (Verhalen met) volmaakte (bālighah) wijsheid — maar waarschuwingen hebben geen baat gehad.
Ḥikmatun bālighatun famā tughni-l-nuzur.
Bālighah betekent de betekenis (van iets) op volmaakte wijze overbrengen.
Hier wordt gezegd dat Allah elk middel aanwendde dat nodig was om het volk te waarschuwen. Ze werden op de hoogte gesteld van de nadelige gevolgen van hun foute denkwijzen en daden. Ze kregen ook het tot voorbeeldig strekkende lot van vroegere volkeren gepresenteerd. Kortom, ze werden op elk denkbare wijze vermaand, op een voor rede vatbare en wijze manier. En er werden zaken aan hen onderwezen waarin grote wijsheid school en die hen buitengewoon van nut waren. Ze werden ook gewaarschuwd voor de nadelige consequenties van hun daden. Dit alles baatte hen echter niet. Nu resteerde slechts nog de straf van Allah die hen tot rede zou kunnen brengen.
6. Dus wend u zich van hen af. Op de dag dat de uitnodiger hen zal uitnodigen tot een onaangenaam iets (nukur).
Fa-tawalla ‘anhum yauma yad‘u-l-dā‘i ilā shai’in nukur.
7. Hun ogen neergeslagen, zullen zij voortgaan vanuit hun graven (ajdāth) alsof zij uiteen verspreidende sprinkhanen waren.
Khushsha‘an abṣāru-hum yakhrujūna mina-l-ajdāthi ka-annahum jarādun muntashir.
8. Zich haastende naar de uitnodiger (dā‘i). De ongelovigen zullen zeggen: dit is een zeer zware dag (yaumun ‘asir).
Muhṭi‘īna ila-l-dā‘i yaqūlu-l-kāfirūna hāzā yaumun ‘asir.
Nukur heeft betrekking op elk ding wat onaangenaam of onplezierig is, of een ding waar het verstand zich niet toe aangetrokken voelt.
Ajdāth betekent letterlijk graven, maar in metaforische zin verwijst het naar de huizen van de Mekkaanse ongelovigen. Deze figuurlijke taal wordt gebruikt, omdat ze bij vele gelegenheden in de heilige koran als ‘doden’ worden beschreven, zoals in het vers: ‘Dus waarlijk kunt u de doden niet laten horen,’ (30:52). Dit is de reden waarom hun huizen als graftomben worden beschouwd.
Met dā‘i wordt een uitnodiger of een roeper bedoeld. Dit verwijst naar de dag der opstanding wanneer Allah de Uitnodiger is. En als het de dag van overwinning betreft, dan is de roeper de profeet Mohammed.
Yaumun ‘asir betekent een dag van ontbering, of een zeer zware dag. Het verwijst naar de dag der opstanding, of de dag van de verovering van Mekka.
Het beeld dat hier wordt geschetst kan zeker van toepassing zijn op de grote opstanding. Maar als we nadenken over de opeenvolging van onderwerpen, dan kunnen we zeer goed concluderen dat deze dag in werkelijkheid de dag is toen Mekka werd veroverd. Profeet Mohammed maakte een periode mee toen hij zwak en hulpeloos was. De ongelovigen spaarden geen moeite om hem het leven onmogelijk te maken.
Zie echter hoe stoutmoedig en uitdagend deze profetie was van het uiteindelijke succes en triomf van de Profeet over zijn vijanden. Er zou namelijk een dag komen waarop degenen die het uiteensplijten van de maan nu veroordeelden als magie, met hun eigen ogen zouden zien dat die gebeurtenis zich volmaakt zou tonen. Het zou een dag zijn waarop de roep van de uitnodiger, d.w.z. de profeet Mohammed, degenen die daarvoor naar niemand luisterden uit hun graven, oftewel hun huizen, zou laten komen en al hun arrogantie en machtsvertoon in flarden zou scheuren. En dan zouden zij hun hoofden in schaamte en spijt buigen en zich uiterst nederig haasten om zichzelf dienstbaar te stellen aan de uitnodiger die ze vroeger altijd minachtten. Ze zouden dan ontdekken wat een kwellende dag dat zou zijn, de dag waarop Mekka op haar knieën zou worden gebracht.
De Profeet had aangekondigd dat degenen die geen vijandigheid wensten en thuisbleven achter gesloten deuren veilig waren. De Mekkaanse ongelovigen accepteerden dit aanbod en het eerste wat de Profeet deed, was dat hij de Ka‘bah ontdeed van alle afgodsbeelden. Daarna riep hij de ongelovigen naar zich. Zodra die ervan hoorden snelden zij zich naar hem toe. Stel je eventjes het tafereel voor en kijk naar de netelige situatie van een ongelooflijk trots, arrogant en onderdrukkend volk. Laat staan dat ze profeet Mohammed gehoorzaamden, ze achtten het niet eens waardig om naar hem te luisteren. Twintig jaar lang staken ze de draak met hem en brachten hem elk denkbare vorm van pijn en leed toe. Hij werd uit zijn huis verdreven en zij beraamden plannen om hem te doden en startten oorlogen tegen hem! Nu proefde datzelfde volk het bittere lot van nederlaag en vernedering, en haastten zij zich, na zijn oproep, naar de persoon die ze ooit als hun vijand beschouwden. Ze konden niets anders doen dan in schaamte en berouw naar de grond staren.
Het Arabische volk, en vooral de stam van de Qoeraish, was een volk met een enorm eergevoel. Het vrije leven zat in hun bloed, en trots en machtsvertoon waren hun tweede natuur. Wat een ontnuchterende les was het voor hen om te zien hoe hun situatie zo’n ommekeer had ondergaan. Al hun geliefde leiders waren omgekomen. Slechts één, Aboe Soefyan, was overgebleven, en hij was een moslim geworden. Hij stond nu met veel schaamte en vernedering tegenover diezelfde persoon die hij zijn hele leven had geprobeerd te kleineren en te vernietigen. Al zijn afgoden, waarvoor hij eindeloze oorlogen had gevoerd, lagen nu aan stukken aan de voeten van degene wiens uitnodiging tot het geloof in één God hem altijd tot oncontroleerbare woede had gedreven. Wat een krachtige les schuilt er in zijn einde, wanneer we zien dat hij geen uitweg vond uit zijn benarde situatie en nederig en deemoedig om vergiffenis moest vragen! Is het dan verrassend dat hij in zijn omstandigheden de woorden “Wat een zware dag!” uitsprak? Hij had inderdaad een levende dood ervaren. Hij zou niets liever gewenst hebben dan dat de aarde zich opende en hem opslokte.
Na deze grandioze en uitdagende profetie te hebben verkondigd, wordt de aandacht gericht op de religieuze geschiedenis. Er wordt gesteld dat wat zal plaatsvinden, zal gebeuren volgens de lijnen van het profeetschap (zoals ik heb aangegeven in mijn commentaar op het hoofdstuk An-Najm – De Ster). Van alle boeken was de heilige koran het eerste boek dat het redeneren vanuit de geschiedenis benadrukte. Tegenwoordig lezen mensen de geschiedenissen van vroegere volkeren en de biografieën van beroemde personen, en hieruit worden vele nuttige conclusies getrokken. Maar ik stel de vraag: Welk boek deed dit als eerste? Het is duidelijk dat dit geen ander boek was dan de heilige koran.
De heilige koran was het allereerste boek dat verkondigde dat alle wereldgebeurtenissen vaste wetten volgen. Net zoals bij mensen de geboorte, groei en dood van elk individu onderworpen zijn aan bepaalde wetten, zo volgen ook de opkomst en ondergang van volkeren specifieke wetten. En net zoals de daden van een individu een cruciale rol spelen in zijn vooruitgang of achteruitgang, zo hebben de handelingen van een volk een grote invloed op hun progressie of verval, hun verheffing of vernietiging.
Wanneer een volk door haar wandaden afstevent op haar ondergang, zendt Allah, vlak voor deze ondergang, een profeet, hervormer of rechtschapen persoon naar dat volk, opdat de mensen aandacht schenken aan zijn oproep. Hierdoor krijgen ze de kans hun levens te verbeteren en zich te redden van de afgrond van vernietiging. Dat deel van het volk dat gehoor geeft aan de oproep van een profeet, wordt gered. Maar de meerderheid gaat ten onder door hun onachtzaamheid, koppige ongehoorzaamheid en ontkenning van de waarheid.
Dit is de reden waarom de heilige koran herhaaldelijk verwijst naar het voorbeeld van verschillende profeten en hun volkeren. In hun verhalen worden zeer duidelijke profetieën onthuld met betrekking tot de verlossing en successen van de profeten en hun gemeenschappen, evenals de vernedering en nederlaag van hun tegenstanders.
In dit verband wordt duidelijk gemaakt dat, aangezien profeet Mohammed tot het gezegende gezelschap van de profeten en boodschappers uit het verleden behoort, het onvermijdelijk was dat de geschiedenis zich zou herhalen. Met andere woorden, ook in zijn geval zouden zich dezelfde omstandigheden voordoen die eerder plaatsvonden bij de profeten vóór hem. Net zoals zij en hun gemeenschappen door Allah werden geholpen en uiteindelijk triomfeerden, terwijl hun vijanden de bittere drank van verlies moesten proeven, zo zou dit ook gebeuren in het geval van profeet Mohammed en zijn trouwe metgezellen.
Deze profetie werd verkondigd in een tijd waarin de Profeet zich in een zeer zwakke positie bevond en succes ondenkbaar leek. Het is duidelijk dat, toen de Profeet de verhalen van de vroegere profeten hoorde, zijn hart en dat van zijn metgezellen vervuld moeten zijn geweest met grote vrede en kalmte. In tijden van leed en vervolging zullen zij ongetwijfeld hun geduld en lijdzaamheid uit deze verhalen hebben versterkt. De heilige koran benadrukt zelf het nut van de verhalen van vroegere profeten, zoals wordt gesteld in het vers:
“En alles wat Wij u vertellen van het verhaal van de boodschappers is om uw hart daarmee te sterken. En hiermee is de waarheid tot u gekomen, en een waarschuwing en een herinnering voor de gelovigen.” (11:120)
In dit hoofdstuk wordt de aandacht gevestigd op de geschiedenis van de volgende volkeren: het volk van de profeet Noach (v.z.m.h.), van ‘Ād, van Thamūd, van de profeet Lot (v.z.m.h.), en van Farao. Al deze volkeren leefden in gebieden rondom Arabië. Hierdoor hadden de Arabieren, toen profeet Mohammed verscheen, geen excuus om hem te verwerpen. Ze konden immers in hun eigen land en in de omliggende gebieden duidelijke voorbeelden zien van wat er met de verwerpers van de waarheid was gebeurd. Het was aan hen om gewaarschuwd te zijn en acht te slaan op hun eigen lot.
Het eerste volk dat wordt genoemd, is dat van profeet Noach, omdat dit volk het verst in de geschiedenis teruggaat. In enkele korte maar veelzeggende woorden schetst de heilige koran de hele geschiedenis van dat volk in een notendop:
9. Vóór hen ontkende het volk van Noach de waarheid. Zij verwierpen Onze dienaar en noemden (hem) krankzinnig. En hij werd verdreven.
Kazzabat qablahum qaumu nūḥin fa-kazzabū ‘abdanā wa qālū majnūnun wa-zdujir.
Het vers vermeldt dat zij hun profeet Noach verwierpen, en vervolgens wordt deze handeling van verwerping nadrukkelijk herhaald. Maar wie verwierpen zij eigenlijk? Het antwoord luidt: “Onze dienaar” (d.w.z. Allah’s dienaar). Het zegt dus niet specifiek dat zij profeet Noach verwierpen, maar “Onze dienaar”. Met andere woorden, de reden dat zij behoorden tot de groep die in sūrah Fātiḥah beschreven wordt als maghdūbi ‘alaihim (zij die de toorn van Allah in dit leven verdienen), was hun afwijzing van “Onze dienaar”.
Bij Allah! Hoe kan men de liefde van de Almachtige voor Zijn geliefde dienaar meten? Er is een gezegde dat luidt: “Wie er voor Allah is, Allah is er voor hem.” Dit zijn degenen die volledig en volmaakt gehoorzaam zijn aan Hem, die zichzelf helemaal verliezen in hun liefde voor Hem, en die standvastig blijven in hun taak om Zijn schepselen te hervormen.
Aan de andere kant, degenen die tegen Zijn boodschappers strijden, vechten alsof zij als het ware tegen Allah zelf strijden. Het volk van profeet Noach zag hoe hun boodschapper volledig gehoorzaam was aan zijn Heer. En wat was hun reactie op de zuivere en heilige leringen die hij hen bracht? Zij noemden hem een krankzinnige. In de ogen van slechte, werelds gerichte mensen bestaat er geen grotere krankzinnigheid dan de leer van rechtschapenheid en de aanbidding van God.
Toen profeet Noach hen veiligheid en voorspoed beloofde als ze hem zouden volgen, en hen waarschuwde dat ze anders een zware straf van Allah zouden meemaken, was er voor hen geen twijfel mogelijk: hij moest wel gek zijn. Deze machtige mensen konden het soort woorden dat hij sprak niet verdragen. Daarom bedreigden zij hem ernstig en eisten dat hij zou ophouden, anders zouden zij hem iets aandoen. Ze lieten hem weten dat hij voor zijn leven moest vrezen.
10. Dus riep hij zijn Heer aan: Ik ben overmand. Helpt U mij daarom.
Fa-da‘ā rabba-hū annī maghlūbun fa-ntaṣir.
Dit is het laatste hulpmiddel dat wordt ingezet door de profeten, boodschappers, heiligen en degenen die dicht bij Allah staan. Zij ondernemen iedere poging en doen al het mogelijke om de mensen de boodschap te laten begrijpen en hen te onderwijzen. Maar de mensen accepteren die boodschap niet, verstoten hen en gaan zelfs zover dat zij bereid zijn hen te doden. Op dat moment wenden deze speciaal door Allah gekozen personen zich, als laatste redmiddel, tot Hem en smeken Hem om hulp. Het is het smeekgebed tot Allah dat uiteindelijk een machtige omwenteling in gang zet. De Almachtige komt via dit middel Zijn dienaar te hulp, met als gevolg dat degenen die Zijn uitverkorene proberen te vernietigen uiteindelijk zelf ten onder gaan.
Het smeekgebed is een zeer krachtig instrument. De hervormer (mujaddid) van deze tijd, hazrat Mirza Ghulam Ahmad, zei dat sommige mensen plezier halen uit hun rijkdom, anderen uit hun wijsheid, en weer anderen uit hun hoge en respectabele positie. Hij vond zijn trots en vreugde echter in het besef dat zijn God de macht over alle dingen heeft. Wanneer een bepaalde taak in deze wereld niet kan worden volbracht, ondanks alle planningen en overwegingen van de mens, dan kan die zaak eenvoudig worden opgelost door toevlucht te zoeken bij dat Wezen dat alles beheerst.
Dit is wat er gebeurde met de profeet Noach. Toen zijn vijanden hem niet alleen bespotten en zijn leven zeer moeilijk maakten, maar ook vastbesloten waren hem van het leven te beroven, wendde hij zich tot zijn Meester en smeekte Hem: “O mijn Heer, ik ben zeer zwak en overmand. Komt U mij dan tot hulp.” Als gevolg daarvan kwam Allah’s hulp in de vorm van een overstroming.
11. Toen openden Wij de poorten van de hemel met neerstromend water.
Fa-fataḥnā abwāba-l-samā’i bi-mā’in munhamir.
12. En (Wij) lieten in het land water voortstromen in bronnen. Zo verzamelde het water zich voor een zaak die reeds was beschikt.
Wa fajjarnā-l-arḍa ‘uyūnan fa-ltaqa-l-mā’u ‘alā amrin qad qudir.
Het “openen van de poorten van de hemel” is een metaforische uitdrukking en betekent dat wat uit de hemel kwam, hevig en overvloedig begon neer te dalen. De woorden “met neerstromend water” verduidelijken verder dat hetgeen waarvoor de deuren van de hemel werden geopend, water was. Dit water kwam als bakken uit de hemel en nam de vorm aan van een zware, kletterende regen die onophoudelijk viel. Met andere woorden, het water stroomde van boven naar beneden alsof de deuren van de hemel waren geopend. Tegelijkertijd begon het water op aarde te stijgen, waardoor bronnen en putten overstroomden. Deze twee stromen – van boven en van beneden – zorgden samen voor een ware overstroming.
Kortom, toen de regen hevig uit de hemel begon neer te dalen, werkte die zodanig in op de aarde dat het ondergrondse water ook naar boven begon aan te zwellen in de vorm van bronnen. Dit is precies wat er gebeurde in de tijd van profeet Noach, maar dan in een extreme vorm. Ons wordt verteld dat hetgeen reeds was vastgelegd — namelijk de straf die zou zorgen voor de vernietiging van de ongelovigen — teweeg werd gebracht doordat het water van de hemel en de aarde zich verenigde. Het volk van Noach verdronk uiteindelijk in de overstroming die hieruit voortkwam.
We moeten in gedachten houden dat volgens sommige commentatoren van de heilige koran het water op aarde zo hoog steeg dat het volledig reikte tot het water van de hemelen. De overstroming van profeet Noach zou dan de hele wereld hebben bedekt. Maar dit zijn niets anders dan verhalen en fabels zonder enige basis. Hoe onrechtvaardig zou het immers zijn als de hele wereld zou verdrinken terwijl alleen het volk van profeet Noach schuldig was aan het verwerpen van hun profeet? De watervloed van profeet Noach vond plaats in het Arabische Irak en Armenië, waar zijn volk leefde. Alleen degenen die hem bestreden verdronken.
13. En Wij lieten hem aan boord gaan op wat was gemaakt van planken en spijkers (dusur).
Wa ḥamalnā-hu ‘alā zāti alwāḥin wa dusur.
14. Het dreef voort onder Ons toezicht. (Dit was) een beloning voor degene die werd verworpen.
Tajrī bi’a‘yuninā jazā’an liman kāna kufir.
15. En zeker lieten Wij het achter als een teken. Maar is er iemand die indachtig is?
Wa laqad taraknā-hā āyatan fa-hal min muddakir.
Dusur is het meervoud van disār wat spijkers betekent, terwijl de uitdrukking zāti alwāḥin wa dusur gemaakt van spijkers en planken betekent, oftewel een boot.
Hier rijst de vraag: waarom zegt de heilige koran niet expliciet dat het een boot was, in plaats van te spreken over “wat gemaakt was van planken en spijkers”? De reden hiervoor is dat profeet Noach geen botenmaker van beroep was, en kon hij dus geen boot van uitstekende kwaliteit bouwen. Voor zover hij het bevel van zijn Heer begreep, zette hij enkele planken met spijkers in elkaar en fabriceerde op die manier een soort ark. Hoewel Allah profeet Noach aan boord van dit bouwsel liet gaan en hem redde van de overstroming, kun je zijn vervoersmiddel nauwelijks een boot noemen. In werkelijkheid was het slechts een grof bouwsel, eenvoudig opgetrokken uit planken en spijkers. Met andere woorden, profeet Noach werd niet gered van de overstroming dankzij zijn boot, maar omdat de ark onder de toezicht en bescherming van Allah voer.
De bedoeling van deze formulering is om mensen te ontmoedigen puur en alleen op aardse, materiële middelen te bouwen. Dit vormt de grootste vorm van verborgen afgodenaanbidding (shirk), een fenomeen dat zich over de hele wereld heeft verspreid. Zelfs buitengewoon intelligente mensen worden hierin meegesleept. Het komt neer op niets minder dan het aanbidden van materiële zaken.
Wanneer iemand bijvoorbeeld een rechtszaak wint, schrijft hij dat vaak toe aan de briljante redevoering van zijn advocaat, die een positief effect had op de rechter. Evenzo, als een ziek persoon beter wordt, zegt men dat dit te danken is aan een zeer capabele dokter of een uiterst effectief medicijn.
Kortom, waar je ook kijkt, zie je dat de blik van de mens zelden reikt tot aan de Almachtige. Hij is de werkelijke Oorzaak achter alle zaken. Het is dankzij Zijn goedgunstigheid dat iemand een rechtszaak wint, een zieke geneest, of welk ander probleem dan ook wordt opgelost. De ogen van de mens zijn echter verblind door de sluiers van materiële zaken en bereiken de Schepper niet. Dit is een verborgen vorm van afgodenaanbidding (shirk), waar men zich buitengewoon moeilijk van kan losmaken. Om dit te doorbreken heeft de heilige koran een zorgvuldig plan voorgelegd dat in twee takken is verdeeld: ten eerste, een strikt gebod met betrekking tot het gebruik van aardse hulpmiddelen; en ten tweede, het volledig vertrouwen stellen in Allah, de Allerhoogste. Het volgende voorval verduidelijkt dit punt.
Ooit kwam een woestijnbewoner profeet Mohammed bezoeken. Hij ging de moskee binnen, terwijl hij zijn kameel buiten had achtergelaten zonder hem vast te binden. De Profeet vroeg hem waarom hij zijn kameel niet had vastgebonden. De man antwoordde dat hij volledig vertrouwen had in Allah. Daarop gaf de Profeet hem het advies: a‘qil wa tawakkal (letterlijk: “wees wijs en vertrouw”), waarmee hij bedoelde: bind uw kameel vast en vertrouw op Allah. Met andere woorden, gebruik de aardse middelen die je tot je beschikking hebt, maar stel je vertrouwen niet volledig in deze middelen. In plaats daarvan moet je een onvoorwaardelijk vertrouwen in Allah hebben.
Het is daarom verplicht dat de mens gebruik maakt van medicijnen en andere vormen van behandeling, maar hij moet op Allah vertrouwen voor de genezing van zijn kwalen. Evenzo moet hij zich volledig inspannen om de kost te verdienen, maar altijd zijn vertrouwen leggen in Allah, de Voorziener (Razzāq). Alle zaken die de mens ten goede komen, zijn immers afkomstig uit Allah’s goedgunstigheid. Als Zijn goedgunstigheid uitblijft, zal het proces dat de middelen tot stand brengt, die ons het gewenste resultaat opleveren, niet in gang worden gezet. Het toppunt van tauḥīd (geloof in de eenheid van God) is daarom dat de mens gebruik maakt van aardse middelen, maar daarbij nooit zijn blik afwendt van de werkelijke Oorzaak van alles.
Een ander voorbeeld van dit beginsel vinden we in de heilige koran met betrekking tot Maria. Zij woonde in de tempel onder de hoede van profeet Zacharia (v.z.m.h.). Dit was vanwege de gelofte die haar moeder had afgelegd om haar aan de dienst van Allah toe te wijden. De mensen zorgden daar voor alle nodige voorzieningen en brachten haar van tijd tot tijd fruit en andere levensmiddelen. Op een dag, toen profeet Zacharia haar bezocht, vielen zijn ogen op het fruit en vroeg hij: “Waar komt dit vandaan?” Maria antwoordde daarop: “Het komt van Allah,” (3:37).
Toen hij dit antwoord van het kleine kind hoorde, waaruit het geloof in één God (tauḥīd) bleek, werd zijn hart geroerd door bewondering. Hij dacht bij zichzelf: wat een kind! De mensen brengen fruit voor haar, en toch zijn haar ogen niet op hen gericht, maar op de werkelijke Schenker van onderhoud. Toen hij dit beeld van een volmaakt geloof in één God en een totaal vertrouwen op Hem zag, smolt zijn hart van emotie. Hij sprak de volgende smeekbede uit: “O mijn Heer, schenkt U mij goede nakomelingen” (3:38).
Met betrekking tot dit verhaal leggen sommige commentatoren van de heilige koran het antwoord van Maria, “Het komt van Allah,” uit als dat het de engel Gabriël was die altijd fruit voor haar bracht. Dit is niets anders dan fictie zonder een greintje geloofwaardigheid. Zou het antwoord van Maria zo buitengewoon prachtig zijn geweest als de engel Gabriël haar had verteld dat het Allah was Die haar op die manier vruchten had gezonden? Wat voor voorbeeldige les zouden we in dat geval uit deze gebeurtenis kunnen leren? Helemaal geen. Allah stuurt vandaag de dag naar niemand fruit via de engel Gabriël, noch heeft iemand behoefte aan zulke fabels.
De echte les van geloof in Allah’s eenheid (tauḥīd) en vertrouwen op Hem komt voort uit het feit dat het de mensen waren die Maria van fruit voorzagen, maar dat haar ogen door de sluiers van aardse zaken heen priemden en zij op elk moment zag dat het Allah was Die de werkelijke Gever is. Dit is de juiste leer van de heilige koran over het geloof in één God en vertrouwen in Hem. En dit is de les die de koran in de gedachten van elke gelovige wenst te prenten.
Terugkerend naar profeet Noach: hij bevond zich tijdens de overstroming op een boot. Maar het is een feit dat het niet het bouwsel van hout en spijkers was dat hem redde. Hij werd gered omdat de ark onder de bescherming van Allah stond. Profeet Noach, die door zijn volk werd verworpen en geminacht, kreeg die bescherming als beloning voor zijn goede daden. Allah waardeerde de zuiverheid van de daden van Zijn dienaar en redde hem daarom.
Deze gebeurtenis brengt een krachtig teken naar voren waar mensen lering uit kunnen trekken en kunnen blijven nadenken over de waarschuwing en het advies dat het bevat. De diepere betekenis hiervan is als volgt: elke persoon die door Allah is gestuurd brengt een specifieke leer van Hem mee. Die leer of boodschap is als een boot. Degenen die naar die boodschap handelen, zijn als mensen die veilig op een boot zitten. Welke storm van tegenstand ze ook mogen ontmoeten, of welke straf van Allah ook in het verschiet ligt, wie op de boot van Allah’s leer stapt zal altijd gered worden.
16. Hoe (vreselijk) was dan Mijn straf en Mijn waarschuwing (nuzur)!
Fa-kaifa kāna ‘azābī wa nuzur.
17. En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt om indachtig te zijn. Maar is er iemand die indachtig is?
Wa laqad yassarnā-l-qur’āna li-l-zikri fa-hal min muddakir.
Nuzur is het meervoud van nazīr. Inzār heeft ook deze betekenis.
Nuzur is onbepaald en betekent een waarschuwing of elk ander ding dat vrees inboezemt, of het nu een mens betreft of iets anders.
Aan de verwerpers wordt gevraagd om lering te trekken uit deze gebeurtenis en te zien hoe verschrikkelijk Allah’s straf was en hoe rechtvaardig Zijn waarschuwing vooraf. Als ze enigszins wijsheid bezitten, zouden ze moeten ophouden met hun slechte daden en de waarheid accepteren.
De leringen en beginselen van de heilige koran zijn eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen. Ze maken indruk op zeer intelligente mensen vanwege hun puurheid en wijsheid. Maar ook de meest onwetende persoon kan gemakkelijk bepaalde zaken begrijpen. Bovendien sluiten de leringen van de koran volledig aan bij de menselijke natuur. Er is daarom niets dat de verwerpers ervan zou moeten weerhouden deze te aanvaarden, behalve hun buitensporigheid en vooringenomenheid, die hen verblind heeft gemaakt.
In dit hoofdstuk worden twee specifieke verzen steeds herhaald nadat een volk wordt genoemd dat door Allah is gestraft. Dit herhalen dient een belangrijk doel: de waarschuwing van Allah’s straf wordt op die manier dieper gegrift in de gedachten van de mensen. Het moedigt hen aan aandacht te schenken aan de boodschap van de heilige koran, deze te begrijpen en er voordeel uit te halen.
Door deze leringen ter harte te nemen, kunnen mensen zich niet alleen behoeden voor straf, maar ook genieten van de materiële en spirituele zegeningen waartoe dit heilige boek hen uitnodigt.
Hier is een ander punt dat aandacht verdient. In dit hoofdstuk zegt de heilige koran:
“En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt om indachtig te zijn,”
terwijl er op een andere plaats wordt gezegd:
“Niemand raakt haar aan behalve de gezuiverden,” (56:79).
Dit betekent dat wanneer een persoon geen muttaqī (vroom en zuiver persoon) is, hij niet kan doordringen tot de diepere kennis en verborgen waarheden van de heilige koran. Op het eerste gezicht lijkt er een tegenstrijdigheid te bestaan tussen deze twee verzen. In werkelijkheid is die er echter niet. Als we zelfs bij een volmaakt mens geen tegenstrijdigheid zien tussen zijn woorden en daden, wat kunnen we dan zeggen van Allah! Kan er iemand zijn bij wie een grotere harmonie bestaat tussen woorden en handelingen dan bij Hem? De heilige koran is het woord van Allah, en Zijn handelingen vormen het boek der natuur dat altijd voor ons openligt.
Daarom zijn de beginselen en wetten die de heilige koran aan de mens onderwijst altijd in overeenstemming met de natuur. De heilige koran gebruikt zelfs voorbeelden en bewijzen uit de stoffelijke wereld om de mysteries van de spirituele wereld begrijpelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is hoe de koran de noodzaak van Allah’s openbaring uitlegt. Het vergelijkt deze met regen. Net zoals de aarde regen nodig heeft uit de hemel om het leven daarop in stand te houden, zo heeft de innerlijke aarde van het menselijke bestaan ook regen van boven nodig. En die regen komt in de vorm van Allah’s openbaring.
Om deze twee verzen te begrijpen, moeten we een blik werpen op de bladzijden van het boek der natuur. We zien dan dat Allah’s gunsten op twee manieren tot ons komen. De eerste soort gunsten is algemeen van aard en al Zijn schepselen hebben hier baat bij; bijvoorbeeld lucht, water, licht van de zon en de maan, graan, koren en vele andere zaken. Deze gunsten zijn zo overvloedig en ruim aanwezig dat elk mens, rijk of arm, er baat bij heeft. Dit zijn namelijk de giften waar het menselijk leven van afhankelijk is. Daarom heeft Allah ervoor gezorgd dat deze gunsten overal en gemakkelijk voorhanden zijn.
De tweede klasse van Allah’s gunsten is daarentegen van bijzondere aard. Voorbeelden hiervan zijn goud, zilver, diamanten, parels, enzovoort. Om hieraan te komen, is zware arbeid vereist, zoals het splijten van rotsbergen of diep de zee induiken. Kortom, iemand moet zware arbeid verrichten en ijverig moeite doen voordat deze zaken in zijn handen vallen. Omdat het menselijk leven er niet van afhankelijk is, maar ze alleen dienen ter verfraaiing en versiering, heeft Allah ervoor gezorgd dat je die slechts met grote pijn en moeite kunt bemachtigen.
Ditzelfde principe geldt ook voor de kennis die de heilige koran bevat. Eén gedeelte van deze kennis betreft de zaken die verbonden zijn met het spirituele leven van de mens. Dit omvat de geloofspunten en -beginselen die de mens moet aanvaarden, evenals de toegestane en verboden handelingen waaraan hij zich moet houden, omdat zijn spirituele ontwikkeling en zijn succes op zowel materieel als innerlijk vlak hiermee samenhangen. Deze regels en beginselen zijn eenvoudig en ongecompliceerd, en voor iedereen begrijpelijk. Zowel een persoon met weinig intelligentie als een zeer wijze filosoof kan ze gemakkelijk begrijpen en ernaar handelen. En deze zaken zijn zo natuurlijk voor de mens dat, wanneer hij ze hoort, hij spontaan uitroept: “Dit alles was reeds diep in mijn hart aanwezig!”
Tegenwoordig horen we in Engeland en Duitsland, waar de islam zich aan het verspreiden is, vaak nieuwe moslimbekeerlingen zeggen dat toen zij voor het eerst toespraken hoorden over de islam en haar beginselen en regels, zij het gevoel kregen dat dit zaken waren waar hun eigen harten naar verlangden. Het leek alsof het een stem uit hun eigen harten was. Dit is de reden waarom de heilige koran deze zaken aanduidt met het woord zikr. Het betekent dat het de menselijke natuur aan al deze zaken herinnert. Deze beginselen bevatten waarden die de mens, als hij ze volgt, naar een voortreffelijke en edele positie verheffen. Dit is dus dat gedeelte van kennis waarvan de heilige koran hierboven zegt: “En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt voor zikr. Maar is er iemand die indachtig is?”
Er de heilige koran bevat nog een ander deel van kennis, namelijk een verborgen deel. Dit bestaat uit indirecte tekenen, geheime kennis en waarheden en diepe inzichten in de aard van Allah. Deze vormen de juwelen en parels van Allah’s kennis en wijsheid. Met betrekking hiertoe zegt de heilige koran:
“En degene die wijsheid geschonken krijgt, wordt waarlijk een groot goed gegeven,” (2:269).
Dit zijn de takken van de kennis van spirituele geheimen en hemelse waarheden waarvan de heilige koran zegt: “Niemand raakt die aan, behalve degenen die gezuiverd zijn,” (56:79). Met ander woorden, deze “aanraking” gebeurt alleen bij die spirituele reizigers die alle stadia van hun spirituele reis hebben afgelegd en verlicht zijn door hemels licht. Het ontvangen van dat licht staat gelijk aan het verkrijgen van een onschatbare rijkdom. Dit licht zorgt voor hun innerlijke decoratie, verfraaiing en schoonheid.
Na profeet Noach wordt onze aandacht gevestigd op het volk van ‘Ād, tot wie profeet Hūd (vrede zij met hem) werd gezonden. Zij woonden in het zuiden van Arabië, in de regio’s Hadramaut en Jemen. De hindoes koesteren grote trots op de ouderdom van hun beschaving en beweren dat deze al tientallen miljoenen jaren oud is. Deze bewering is echter volledig onjuist en sterk overdreven. Europese onderzoekers hebben aangetoond dat de Veda’s niet ouder zijn dan vierduizend jaar. Bovendien heeft men vastgesteld dat de Egyptische beschaving ouder is dan die van de hindoes. En nog ouder dan de Egyptische beschaving was die van Jemen, het land dat werd bewoond door het volk van ‘Ād.
Recente archeologische opgravingen in dat gebied hebben een stenen tablet aan het licht gebracht waarin de naam van profeet ūd is gegraveerd. Naast zijn naam bevatte de tablet enkele details over de omstandigheden van die tijd. Deze ontdekking heeft een einde gemaakt aan de bezwaren van bepaalde christenen die vanaf het begin altijd het bestaan van profeet Hūd hebben ontkend. Tegelijkertijd heeft het de authenticiteit van de heilige koran bevestigd. De heilige koran was immers het eerste boek dat melding maakte van profeet Hūd en hem een plaats gaf in de wereldgeschiedenis.
Zijn volk bereikte in hun tijd een ongekende mate van beschaving en macht. De heilige koran beschrijft hen daarom in hoofdstuk 89, Al-Fajr (De Dageraad), met de woorden: “Zoals hun gelijke nergens anders op aarde werd gemaakt” (89:8). Het was een volk dat, door hun macht en pracht, ten prooi viel aan arrogantie. Hoe konden zij ooit luisteren naar de boodschap van hun edele profeet Hūd? Het gevolg van hun hoogmoed was:
18. ‘Ād verwierp. Hoe (vreselijk) was toen Mijn straf en Mijn waarschuwing (nuzur)!
Kazzabat ‘ādun fa-kaifa kāna ‘azābī wa nuzur.
In dit verhaal wordt de naam van profeet Hūd niet eens genoemd. De heilige koran vond het voldoende om slechts te spreken over de verwerping door het volk van ‘Ād. Of het nu profeet Hūd was die zij verwierpen, of een andere profeet uit zijn tijd, het komt uiteindelijk op hetzelfde neer, namelijk, het beginnen van een oorlog tegen de Almachtige Zelf. Het schofferen van een profeet en het verwerpen van zijn boodschap of leringen betekent in wezen het minachten van Degene die hem heeft gezonden.
Het was daarom onvermijdelijk dat er een straf zou volgen. Deze straf kwam echter niet als een donderslag bij heldere hemel. Er werd alles aan gedaan om het volk te laten begrijpen en hen te waarschuwen. Maar als niemand naar deze waarschuwingen luisterde, welke ander middel bleef er dan over? Welke vorm deze straf aannam, wordt beschreven in de volgende verzen:
19. Waarlijk stuurden Wij over hen een gewelddadige wind op een dag van groot ongeluk (yaumi naḥs).
Innā arsalnā ‘alaihim rīḥan ṣarṣaran fī yaumi naḥsin mustamirr.
20. Die mensen wegrukte alsof zij ontwortelde (munqa‘ir) stammen (a‘jāz) van palmbomen waren.
Tanzi‘u-l-nāsa ka-annahum a‘jāzu nakhlin munqa‘ir.
A‘jāz is het meervoud van ‘ajz, wat het begin of de basis van iets betekent. Hier duidt het boomstammen aan.
Munqa‘ir betekent van de wortels wegrukken en wegslingeren.
Yaumi naḥs betekent een dag van groot ongeluk of noodlot.
Het is niet zo dat één bepaalde dag specifiek voorbestemd is een geluksdag of ongeluksdag te zijn. Het wordt hier een ongelukkige of noodlottige dag genoemd, omdat op die dag de verschrikkelijke ramp van het volk van ‘Ād plaatsvond. Men noemt een bepaalde gebeurtenis ongelukkig wanneer die gepaard gaat met een ramp of straf.
In dit verhaal lezen we dat een hevige zandstorm het volk van ‘Ād trof. Deze storm tilde mensen op en slingerde hen ver weg. Het ging hier om een wervelstorm. Om dit beter te begrijpen moet men zich een wervelwind voorstellen. Net zoals een draaikolk in water een krachtige maalstroom vormt die alles wat erin valt naar beneden sleurt, draaide de wind hier onstuimig rond. Deze krachtige luchtstromen vormen wat we een wervelwind of tornado noemen. Mensen hebben vaak gezien hoe zand of ander materiaal door de kracht van de wind recht omhoog de lucht in wordt getrokken. Wanneer zo’n storm over een bevolkt gebied trekt, voelen de bewoners een windvlaag die zo intens is dat deuren en huisraad hevig beginnen te trillen. Het lijkt dan alsof de dag der opstanding is aangebroken.
Stel je een wind voor die een tornado vormt die zich mijlenver uitstrekt, en probeer de omvang van zijn kracht in te schatten. Als een wervelwind met een diameter van slechts één meter al voorwerpen hoog de lucht in kan slingeren, kun je je dan voorstellen hoe woest en onstuimig een tornado met een diameter van enkele kilometers moet zijn? En kun je je de verwoesting indenken die zo’n tornado veroorzaakt? Wanneer deze tornado toeslaat, is zijn kracht zo verwoestend dat hij de daken van huizen, mensen en dieren de lucht in slingert. En als er een woestijn in de buurt ligt, bedekt het zand vervolgens de restanten van de huizen.
Zo overviel een tornado het volk van ‘Ād. Zijn kracht was zo geweldig dat het zeven nachten en acht dagen achtereen bleef razen. Stel je de verwoestende kracht van deze cycloon voor! Het gevolg was dat het hele land vernietigd werd. Mensen en dieren werden van de grond gerukt en stierven, terwijl dorpen en steden onder het zand werden bedolven.
Onlangs reisde een Engelsman door de woestijn van het zuidelijke deel van Arabië dat Empty Quarter wordt genoemd. Hij deed verslag dat hij overblijfselen had gezien van een zeer grote stad, begraven onder het woestijnzand.
21. Hoe (vreselijk) was dan Mijn straf en Mijn waarschuwing (nuzur)!
Fa-kaifa kāna ‘azābī wa nuzur.
22. En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt om indachtig te zijn. Maar is er iemand die indachtig is?
Wa laqad yassarnā-l-qur’āna li-l-zikri fa-hal min muddakir.
De koran vraagt ons te overdenken hoe Allah’s straf hen plotseling overviel en hoe waar Zijn waarschuwing bleek te zijn. Dit vormt een krachtige waarschuwing voor ons allemaal. Wie luistert naar deze waarschuwing en er voordeel uit haalt, zal merken dat de heilige koran voor hem gemakkelijk te begrijpen wordt. De lessen en vermaningen in de koran zijn gebaseerd op principes die helder en eenvoudig zijn. Ze sluiten volledig aan bij de menselijke natuur. Daarom kan ieder mens deze principes direct begrijpen en er voordeel uit halen, mits hij logisch nadenkt en zijn gezond verstand gebruikt.
Paragraaf 2
Dit onderwerp wordt in deze paragraaf voortgezet. Hierin wordt de geschiedenis van vroegere volkeren in herinnering gebracht, zodat men hieruit een les kan trekken. Bovendien dienen de tegenstanders van de waarheid te worden gewaarschuwd door het lot dat deze volkeren trof.
23. Thamūd verwierp de waarschuwing (nuzur).
Kazzabat thamūdu bi-l-nuzur.
Het volk van Thamūd leefde in het noordelijke deel van Arabië, bekend als de Ḥidjāz, en hun nederzettingen strekten zich uit tot aan Palestina. Ze waren zeer bedreven in het uithouwen van bergen en grote rotsen, waarin ze hun huizen en paleizen bouwden.
Tijdens de periode dat er een treinverbinding was tussen Medina en Damascus, reisden vele pelgrims van Medina naar de heilige tempel in Jeruzalem. Onderweg vertelden zij dat ze de nederzettingen van Thamūd hadden gezien en de huizen die uit bergen en rotsen waren uitgehouwen. Het volk was zeer bekwaam in de kunst van gesteente bewerken. Al hun forten, paleizen en huizen waren op deze manier gebouwd. Het was onder dit volk dat profeet Ṣāliḥ (vrede zij met hem) verscheen.
Het woord nuzur (waarschuwingen) staat in het meervoud om aan te geven dat het volk van Thamūd alle waarschuwingen die aan hen waren gegeven had verworpen. Het kan ook betekenen dat, naast profeet Ṣāliḥ, er nog andere boodschappers waren die naar dit volk werden gestuurd.
Het kan ook betekenen dat de verwerping van de ene boodschapper gelijkstaat aan de verwerping van alle boodschappers en dat daarom het meervoud nuzur (waarschuwingen) wordt gebruikt. Of het meervoud is hier gebruikt als aanduiding van respect. Dat wil zeggen dat de waarschuwer een persoon was van hoge status, omdat hij een boodschapper van de Almachtige was, maar dat hij minachtend afgewezen werd door zijn volk. In de volgende verzen wordt hun rechtvaardiging om dat te doen weergegeven:
24. Toen zeiden zij: Wat! Eén enkele sterveling uit ons midden! Moeten wij hem volgen? Dan zullen wij zeker in dwaling en in krankzinnigheid (of in een straf) (su‘ūr) verkeren.
Fa-qālū a basharan minnā wāḥidan nattabi’uhū innā izan la-fī ḍalālin wa su‘ūr.
25. Is de herinnering uit ons midden gestuurd naar hem? Nee, hij is een grote leugenaar, zelfingenomen (ashir)!
A ulqiya-l-zikru ‘alaihi min baininā bal huwa kazzābun ashir.
Su‘ūr betekent krankzinnigheid.
Ashir betekent een pronkzuchtig, verwaand en zelfingenomen persoon.
Ze zeggen dat hun profeet niets meer is dan een sterveling uit hun midden. En als ze hem zouden volgen dan zouden ze zeker op een dwaalpad geraken. Volgens hen zou het zelfs krankzinnig zijn, omdat niemand met een greintje gezond verstand zoiets zou doen.
We kunnen su‘ūr ook nemen als het meervoud van het woord sa’īr (hel of brandend vuur). Dit zou dan betekenen dat ze door het volgen van de woorden van profeet Ṣāliḥ in het vuur van de hel zouden belanden.
Vanaf welk punt je de godsdienstgeschiedenis ook leest, je zult ontdekken dat de tegenstanders van elke profeet, of een andere door Allah aangestelde persoon, hem altijd tot leugenaar bestempelden. Dit deden zij omdat die profeet een gewoon mens was, net als zij. Hoe kunnen we zo’n persoon volgen? redeneerden ze. Vanaf het allereerste begin is deze denkfout gemaakt. Mensen hebben altijd gedacht dat als Allah een boodschapper stuurt, hij wonderbaarlijke zaken moet laten zien die hem onderscheiden van gewone mensen. Dit is echter nooit het geval geweest. Zij allen hebben altijd verkondigd:
“Ik ben slechts een sterveling zoals jullie.” (18:110)
In het geval van profeet Mohammed riepen de ongelovigen vol verbazing uit:
“Wat voor een Boodschapper is dit? Hij eet voedsel en wandelt over de markten!” (25:7).
Kortom, degenen die de uitverkorenen rechtschapenen in de verschillende godsdiensten tijdens hun levens leed toebrachten en bestempelden als ongelovigen (kāfir), deden dat alleen omdat deze verheven personen in hun ogen slechts mensen als zijzelf leken. Hiertoe behoren ook mujaddids (hervormers in de islam) en andere door Allah uitgekozen personen. De tegenstanders schreven hun aanspraak op hun positie toe aan hun zelfingenomenheid en zagen ze daarom aan voor leugenaars en verzinners.
Een ander punt waar zulke tegenstanders moeite mee hadden, is dat een boodschapper van Allah, of een andere door Hem aangestelde persoon, zo anders leek dan wat ze hadden verwacht, dat ze totaal niet geneigd waren om in hem te geloven. In hun ogen zou zo’n persoon iemand moeten zijn die terecht die hoge positie verdient, en niet iemand die onbeduidend lijkt. Ze vonden dat hij uit een vooraanstaande familie moest komen, of dat hij zeer geleerd en erudiet moest zijn met een goede reputatie. Of ze verwachtten dat hij een alom gerespecteerde spirituele leermeester zou zijn, van wie zij geloofden dat hij speciaal door de Almachtige was uitgekozen.
Allah kijkt echter in de harten van de mensen en is volledig op de hoogte wie een hechte relatie met Hem heeft. Hij weet beter dan wie ook wat de capaciteiten van zo’n persoon zijn en of hij geschikt is. Wanneer Hij dus besluit iemand te verkiezen, dan valt Zijn keuze op een persoon die onbekend is bij de mensen. Hooggeplaatste personen uit de samenleving worden daardoor op het verkeerde been gezet en roepen net als het volk van Thamūd in verbazing uit: “Is de herinnering uit ons midden gestuurd naar hem?”
Met andere woorden, ze trekken in twijfel of de woorden van Allah aan zo’n persoon geopenbaard kunnen zijn, terwijl er in hun midden zoveel vrome personages zijn die zij geschikter achten voor deze eer. Ze denken dat zijn aanspraak onwaar is en zien hem aan voor een grote leugenaar en verwaand persoon, omdat hij het waagt te beweren een boodschapper van Allah te zijn of in een andere hoedanigheid door Hem aangesteld.
Wat een realistisch beeld wordt hier geschetst van de denkwijze van mensen en verwerpers! Vanaf het begin van de schepping, waar of wanneer dan ook, zal men altijd ontdekken dat de sterkste redenen om de boodschappers of uitverkorenen van de Almachtige te verwerpen, dezelfde zijn als beschreven in de twee bovenstaande verzen van de heilige koran.
We treffen bijvoorbeeld met betrekking tot onze eigen profeet Mohammed een profetie aan van profeet Mozes in Deuteronomium 18:18 in de volgende woorden:
“Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.”
Toen echter deze profetie volledig werd vervuld en hij uit het midden van hun broederen, namelijk de Ismaëlieten, verscheen, verwierpen de Kinderen van Israël hem. Zij deden dit enkel en alleen op grond van dat de beloofde profeet uit het Huis van Israël afkomstig moest zijn.
En toen profeet Jezus (v.z.m.h.) op dezelfde wijze verkondigde dat hij de Messias was voor de Kinderen van Israël, antwoordden ze:
“Is deze niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald?” (Johannes 6:42)
Op een andere plaats in de Bijbel staat dat zij zeiden dat hij de zoon van een timmerman was en dat zijn zusters in hun midden leefden. Hoe kon hij dan beweren de Messias te zijn? (Markus 6:3). Kortom, dit blijkt voor velen een moeilijk punt te zijn, omdat een beloofde persoon vaak niet komt van waar zij verwachten, maar uit een heel andere hoek.
Net zo verging het de mujaddid (hervormer) van deze tijd, Mirza Ghulam Ahmad. Hij maakte er aanspraak op de teruggekeerde Jezus te zijn en verkondigde dat profeet Jezus reeds lang was overleden. Hij stelde dat de Jezus die zou terugkeren niets anders was dan een mujaddid, naar wie op metaforische wijze wordt verwezen als de zoon van Maria, en verklaarde dat hijzelf die beloofde persoon was. Hoewel hij zeer veel respect genoot als godsdienstgeleerde, goed ontwikkeld en uiterst rechtschapen was, leidde zijn aanspraak ertoe dat de mensen hem met minachting en afkeer behandelden. Ze zeiden: “Waarom is een Punjabi op zo’n positie geplaatst? Als hij niet uit de hemel is neergedaald, dan zou hij op zijn minst afkomstig moeten zijn uit Arabië of Syrië. Of anders uit Delhi of Lucknow. Of hij moet de meest voorname persoon onder ons volk zijn, of een spirituele leermeester.”
26. Morgen zullen zij weten wie de leugenaar is, de zelfingenomene.
Sa-ya‘lamūna ghaddan mani-l-kazzābu-l-ashir.
Hoewel het niet expliciet wordt gezegd, zijn dit de woorden van Allah. Het is niet nodig dit uitdrukkelijk te vermelden, omdat het onderwerp van het vers duidelijk maakt dat dit het antwoord van iemand is. De manier waarop zij hun onzinnige opmerkingen, zoals “leugenaar” en “zelfingenomen”, formuleren, maakt het noodzakelijk dat hierop een krachtig antwoord vanuit de hemel wordt gegeven. Dat antwoord luidde dat zij de volgende dag zouden ontdekken wie de verwaande leugenaar werkelijk was.
In deze context betekent het woord “morgen” dat de tijd nabij was dat de gevolgen duidelijk zouden worden. Met andere woorden, spoedig zou aan het licht komen wie de zelfingenomen leugenaar was: Allah’s boodschapper of degenen die hem bestreden. Allah zou via Zijn oordeel spoedig laten zien dat degenen die de boodschapper een leugenaar noemden zelf leugenaars waren, en dat hun zelfingenomenheid hen had weerhouden zich aan Allah’s boodschapper te onderwerpen.
27. Waarlijk zullen Wij de vrouwtjeskameel naar hen sturen als een beproeving voor hen. Houd hen daarom in het oog (fa-rtaqibhum) en wees geduldig (wa-ṣṭabir).
Innā mursilū-l-nāqati fitnatan lahum fa-rtaqibhum wa-ṣṭabir.
28. En laat hun weten dat het water tussen hen verdeeld wordt. Ieder deel van het water zal worden bezocht.
Wa nabbi’hum inna-l-mā’a qismatun bainahum. Kullu shirbin muḥtaḍar.
Fa-rtaqibhum betekent wacht en zie hoe zij zich tegenover de vrouwtjeskameel gedragen.
Wa-ṣṭabir is een intensieve vorm van ṣabr of geduld. Dat wil zeggen dat profeet Ṣāliḥ extra veel geduld moest betrachten om hun beschimpingen en verwijten en vervolging te verdragen, omdat de vrouwtjeskameel het definitieve argument tegen hen zou vormen.
Veel koranuitleggers hebben geschreven dat deze kameel uit een berg tevoorschijn kwam en niet uit een mannetjes- en vrouwtjeskameel was geboren. Dit is echter niets meer dan een verzinsel zonder enige waarheid. Voor deze uitleggers moet een teken of wonder per definitie een bovennatuurlijke gebeurtenis zijn, iets dat buiten het menselijke bevattingsvermogen ligt. Vanuit deze aanname hebben ze dit verhaal bedacht. Als dit waar was, waarom heeft de heilige koran dit dan niet vermeld? Zou het uit angst zijn voor de kritiek van atheïsten? Feit is dat dit verhaal nergens op gebaseerd is. Bovendien hebben de koranuitleggers het ook mis wanneer ze schrijven dat profeet Ṣāliḥ zijn volk opdroeg de kameel de gelegenheid te geven om te drinken, en dat dit dier zo buitengewoon wonderbaarlijk was dat het de laatste druppel uit het waterreservoir opdronk.
Mensen die bekend zijn met de omstandigheden in droge, geïrrigeerde gebieden zonder putten, rivieren of bronnen, weten hoe waterreservoirs of dammen worden aangelegd in laaggelegen gebieden. Wanneer het regent, verzamelt het water zich in deze laaggelegen gebieden, waar de dammen een bassin vormen. Dit bassin wordt de bron van water voor de mensen: om te drinken, voor huishoudelijke doeleinden en voor het drenken van dieren. Met andere woorden, hun bestaan is volledig afhankelijk van dit verzamelde water. Als een nederzetting twee reservoirs heeft, wordt meestal één gereserveerd voor mensen en de ander voor dieren. Maar als er slechts één reservoir is, dan moeten mens en dier hetzelfde bassin delen.
Wie wil, kan in ons eigen land een vergelijkbare moeilijkheid zien die mensen in het district Atak, in het subdistrict van Pindi Ghaib en Fathe Jang, moeten doorstaan. Dit was ook wat het volk van Thamūd te verduren had in een land zonder putten, bronnen, rivieren of beken. Ze waren volledig afhankelijk van regenwater dat ze moesten verzamelen voor eigen gebruik en voor hun kudden. In die gebieden, waar water schaars en kostbaar was, drenkten gezinnen hun kudden volgens toegewezen tijdsperioden. Mensen konden hun dieren alleen water geven als hun leiders daarvoor toestemming gaven. Profeet Ṣāliḥ sprak met zijn volk af dat, aangezien zij vastgestelde tijden hadden om hun beesten te drenken, ze de kamelin van Allah met rust moesten laten. Wanneer het iemands beurt was om hun kudden te drenken, moesten zij die kamelin ook toestaan om vrijelijk water te drinken.
Tot zover is er niets aan de hand. Het is echter volledig onjuist wanneer de uitleggers beweren dat de kamelin al het water opdronk. Als we dit als waar zouden aannemen, dan zou het betekenen dat profeet Ṣāliḥ zelf aanleiding gaf tot deze wandaad. In een land waar het leven van mens en dier volledig afhankelijk is van opgespaard water, zou een dergelijke ramp – waarbij al het water in één keer opraakt – onvermijdelijk leiden tot drastische maatregelen. Mensen zouden geen andere keuze hebben dan de oorzaak van hun bedreiging, in dit geval de vrouwtjeskameel, uit de weg te ruimen. Zelfbehoud is immers de allereerste levensregel. Om hun eigen levens en die van hun gezinnen en dieren te beschermen, zou het doden van de kamelin de enige oplossing zijn. In dat geval zou het echter niet logisch zijn om te stellen dat Allah boos werd en hen vernietigde vanwege deze daad. Dat zou impliceren dat Allah (moge Allah ons beschermen tegen dergelijke gedachten!) zichzelf schuldig maakte aan een wrede en onrechtvaardige daad.
Verder is het onmogelijk te begrijpen hoe het reservoir zich telkens weer kon vullen nadat de kamelin het in één teug had leeggedronken. Waar kwam al dat water vandaan? Dit soort aannames ontstaat wanneer men een verkeerde weg inslaat en louter probeert om alles als een wonder te verklaren. Het is ongepast en ondenkbaar om zulke schandelijke zaken aan Allah toe te schrijven. Zou Hij werkelijk een kameel sturen die al het water, zorgvuldig door de mensen opgeslagen, zou opdrinken? En als de mensen dan stappen zouden ondernemen om hun levens te redden door de kameel te doden, zou Hij boos worden en hen allen vernietigen? Zo’n wonder toeschrijven aan Allah is zeer schandelijk.
Dit is hoe het werkelijk zat. Onder het volk van Thamūd was het gebruikelijk dat nobele of hooggeplaatste personen een dier los lieten lopen dat hun naam droeg. Zo’n dier had de vrijheid om te gaan en staan waar het wilde, te eten en te drinken waar het maar wenste, en zelfs mensen aan te vallen zonder dat er consequenties aan verbonden waren. Niemand durfde dat dier te doden, gevangen te nemen of zelfs maar een haar te krenken. Als iemand dat toch zou doen, zou dit worden opgevat als een beledigende boodschap aan de eigenaar van het dier. Het zou impliceren dat men geen respect had voor de eigenaar en zelfs bereid was de strijd tegen hem aan te gaan. Zo’n actie zou de eigenaar dwingen om de overtreder te confronteren en een passende straf op te leggen om zijn gezag te doen gelden, zelfs als dat zou betekenen dat hij daarbij zijn eigen leven riskeerde. Als de eigenaar er niet in zou slagen de dader te straffen, zou dat het einde betekenen van zijn macht en status binnen de gemeenschap.
Zelfs vandaag de dag staan hindoes hun jonge stieren toe vrij rond te lopen. Geen enkele moslim mag hen een haar krenken. Hoewel deze ossen vrij rondbewegen en zelfs schade kunnen toebrengen aan mensen, mag geen enkele moslim het wagen ze te slachten en op te eten. Zelfs ter bescherming tegen schade mag hij hun poten niet breken of hen beperken binnen een omheining.
Kortom, dit dier symboliseerde een teken van macht bij het volk van Thamūd. Het is altijd het gebruik van Allah geweest dat wanneer Hij een wonder of Zijn macht wil tonen, Hij de tradities en gebruiken van het volk in ogenschouw neemt naar wie Hij Zijn boodschapper heeft gestuurd. Wanneer Hij Zijn kennis of macht in de vorm van een wonder wil demonstreren, doet Hij dat vaak via diezelfde gebruiken waar dat volk trots op is. Zo wordt het bewijs tegen hen duidelijk en onmiskenbaar.
In de tijd van profeet Mozes bijvoorbeeld (vrede zij met hem) was het onder het Egyptische volk gebruikelijk om wonderbaarlijke daden te verrichten door middel van buitengewoon krachtige concentratie en geesteskracht. Hier waren zij zeer trots op. Westerse onderzoekers hebben daarom geschreven dat hypnose, een fenomeen dat voortkomt uit diepe concentratie en geesteskracht, zijn oorsprong vindt in Egypte. Deze kunst bereikte haar hoogtepunt in de tijd van de farao’s. Het is deze vaardigheid die de heilige koran toverij (siḥr) noemt.
Kortom, toen Allah profeet Mozes als Zijn boodschapper naar de Farao in Egypte stuurde, was het grootste van alle tekenen die aan hem werden gegeven het teken van de staf die in een slang leek te zijn veranderd. Dit teken was specifiek bedoeld als een passende uitdaging voor hun bedrevenheid in de kunst van hypnose.
Sommige uitleggers van de koran leggen dit wonder als volgt uit: zij stellen dat het woord “staf” ook “gemeenschap” kan betekenen. Het feit dat de staf in een levende slang veranderde, symboliseert volgens hen dat het dode Israëlitische volk door Mozes tot leven zou worden gewekt. Dit is ook een correcte interpretatie.
De confrontatie tussen profeet Mozes en de tovenaars van de Farao laat echter zeer helder zien dat het hele voorval een krachtmeting portretteerde tussen de wil van Allah en de wilskracht van de mens. Het doel hiervan was om te laten zien dat wanneer de kracht van Allah’s wil zich tegenover menselijke wilskracht stelt, deze laatste niets voorstelt, zelfs als die gesteund wordt door een grote en bereidwillige gemeenschap van volgelingen.
Dit wonder werpt helder licht op het verschil tussen een hypnotiseur en een profeet van Allah. Hypnotiseurs versterken hun wilskracht en verrichten daardoor opmerkelijke prestaties die de meeste mensen niet kunnen evenaren. Hun prestaties hebben echter geen enkele invloed op de morele zeden van de mens. Velen van hen vertonen zelfs een zeer laag niveau van gedrag; ze zijn wereldsgericht en hebzuchtig. Ook bij de confrontatie van profeet Mozes met de tovenaars bleek dit duidelijk. Zij begonnen met het vragen om geld, zoals vermeld staat in de heilige koran:
“En de tovenaars kwamen naar Farao en zeiden: Wij wensen zeker een beloning als wij (Mozes) overwinnen.” (7:113)
Zulke mensen worden uitsluitend gedreven door hun hebzucht naar materiële zaken en hun zucht naar faam.
Een profeet daarentegen onderwerpt zijn wil volledig aan de wil van Allah. Om Allah’s welbehagen te winnen, blijft hij zich zodanig ontwikkelen in gehoorzaamheid, dat hij zijn eigen wil volledig opzijzet voor de wil van zijn Heer. Om die wil van Allah uit te voeren, schakelt hij zijn eigen wil, wensen en verlangens volledig uit en laat deze als het ware afsterven. Zo bereikt hij de verheven positie die fanā fi-llāh wordt genoemd (helemaal opgaan in Allah). In dat stadium straalt zijn hart zo schitterend met Allah’s licht, dat de kracht van Allah’s wil de plaats inneemt van zijn eigen geesteskracht, alsof hij een geheel nieuw leven heeft ontvangen. In dat nieuwe leven heeft hij afstand gedaan van alles wat verbonden was met zijn eigen ik. Alles wat hij doet, gebeurt enkel en alleen voor zijn Heer. Hij spreekt en loopt zoals Allah wenst dat hij spreekt en loopt. Met andere woorden, elk woord en elke daad van hem is in volledige overeenstemming met de wil van de Almachtige. Dit is de betekenis van het volgende vers van de heilige koran met betrekking tot profeet Mohammed (v.z.m.h.) tijdens de slag bij Badr:
“En toen u (steentjes) wierp, was het niet u die wierp, maar Allah wierp” (8:17).
Hier wordt de handeling van de Profeet gelijkgesteld aan de handeling van Allah.
Dezelfde betekenis wordt uitgedrukt in een hadith van profeet Mohammed waarvan de strekking luidt: “Ik (Allah) word de hand van de dienaar waarmee hij vastpakt, de tong waarmee hij spreekt, en de voeten waarop hij loopt,” et cetera. Met “dienaar” wordt hier een volmaakte dienaar van Allah bedoeld; iemand die de uiterste grens van gehoorzaamheid heeft bereikt en zijn eigen wil en onstuimige verlangens volledig heeft uitgedoofd. Omdat hij een leven leidt met Allah, kan het niet anders dan dat al zijn woorden, stappen en daden volledig in overeenstemming zijn met Allah’s wil. Met andere woorden, hij weerspiegelt de kleuren van de eigenschappen van Allah. Wat betreft goedheid en morele zeden heeft hij het toppunt van volmaaktheid bereikt.
Een hypnotiseur is alleen maar geïnteresseerd in het vergroten van zijn hypnotische vaardigheden. Vanwege zijn gebrek aan gehoorzaamheid aan Allah laat hij niet toe dat Allah’s wil ook maar enigszins controle krijgt over zijn eigen wil. Daarom krijgt de satan, oftewel zijn dierlijke driften (nafs al-ammārah), de vrije teugels en benut hij zijn steeds maar sterker wordende hypnotische vaardigheden zoals hij wil, om deze tegenover gewone mensen in te zetten voor zijn eigen voordeel.
Een profeet aan de andere kant schakelt zijn eigen wil volledig uit. Door volmaakte gehoorzaamheid aan zijn Meester ontwikkelt zich in zijn hart een verlangen dat hem aanspoort de wil van zijn Heer te laten heersen over de zijne. Zo groeit hij in spirituele kwaliteiten. Wanneer zo’n persoon door Allah wordt aangesteld als profeet en boodschapper, en hij de leer van het één-zijn van Allah (tauḥīd), evenals kennis over Allah en Zijn hemelse wet over de wereld verspreidt, dan kan de wilskracht van alle mensen ter wereld niet tegen hem op. Hij geeft namelijk niets om zichzelf, maar alles om Allah. Dit is werkelijk het krachtigste wonder, en geen enkel ander wonder is zo helder en duidelijk. Dit vormt een compleet en onweerlegbaar bewijs voor een profeet.
Laten we eerst zien hoe de wil van Allah zichtbaar werd in de missie van profeet Mohammed en hoe hij niet slechts de harten van een paar mensen beïnvloedde, maar een hele natie in zijn onweerstaanbare aantrekkingskracht meenam. We zien ook hoe hij talloze vijanden overwon die tevergeefs probeerden hun wil aan hem op te leggen. Zie ook hoe Allah’s wil profeet Mozes de kracht gaf om Farao en zijn leger ten onder te laten gaan en een heel volk – de Kinderen van Israël – te bevrijden uit slavernij. Het wonder van de staf van Mozes is daarom een krachtige boodschap en herinnering aan de wereld: de wil van Allah zal altijd triomferen over de wil van de mens. Er vallen nog enkele punten hierover op te merken:
1. Door zware inspanningen en discipline verbeteren hypnotiseurs hun hypnotische vaardigheden zodanig dat ze de ogen en gedachten van andere mensen kunnen beïnvloeden. Wanneer deze capaciteiten voldoende ontwikkeld zijn, kunnen zij een sterke indruk achterlaten op de gedachten van mensen en deze beheersen. Onder deze invloedssfeer kunnen ze mensen laten zien wat ze willen. Zo kan er bijvoorbeeld helder, doorzichtig water in een glas zitten. Maar wanneer zij de kracht van hun concentratie en wil op de toeschouwers richten, kunnen zij hun het water laten zien als groen, rood, of welke kleur dan ook. Op dezelfde manier kunnen zij honderden taferelen en trucs laten zien. Dit is het wonder van de menselijke geesteskracht. Wie deze kracht ontwikkelt, kan niet alleen een paar mensen beïnvloeden, maar zelfs een grote groep. Binnen redelijke grenzen kunnen zij elk tafereel oproepen dat zij maar wensen.
Er is bijvoorbeeld een bekend voorval dat gebeurde in Tuzk Jahangiri. Hoewel dit een oude gebeurtenis is, zijn er enkele maanden geleden ooggetuigenverslagen opgetekend in The Times of India van enkele Britten. Ze vertelden dat een jongleur naar hen toekwam en een touw in de lucht gooide dat recht overeind bleef staan zonder zichtbare ondersteuning. Vervolgens pakte een jongetje het touw vast, klom naar de top en zakte weer naar de grond, terwijl hij zich nog steeds aan het touw vasthield. Dit tafereel had een betoverend effect op de Engelse toeristen en andere toeschouwers.
Ooit gebeurde het dat toen de jongen langs het touw naar boven klom en bovenaan jongleerkunsten vertoonde, een Engelsman met een camera een foto nam. Toen de film werd ontwikkeld, ziedaar! Het werd duidelijk dat het touw de hele tijd op de grond lag en dat de jongen aan het einde van het touw zat en zijn trucjes uitvoerde. Het bleek duidelijk dat de sterke hypnotische kracht van de jongleur de ogen van de toeschouwers in trance had gebracht. De fotocamera echter, die een levenloos voorwerp is, kon niet bedrogen worden en onthulde de ware gang van zaken.
Er is nog een ander punt waar men aan moet denken. Als de geesteskracht van de ene persoon zwakker is dan die van de andere, en wanneer de eerste de tweede probeert te hypnotiseren, zal juist de eerste zélf worden overweldigd door zijn bedoelde slachtoffer.
Een ander punt met betrekking tot hypnose is dat één hypnotiseur niet in staat is meerdere andere hypnotiseurs gelijktijdig te overweldigen, omdat de vermogens en vaardigheden van de mens begrensd zijn. Hieruit blijkt duidelijk dat toen profeet Mozes triomfeerde over de gecombineerde geesteskracht van vierduizend tovenaars, dit niet voortkwam uit zijn eigen geesteskracht, maar uit die van Allah.
2. Het tweede belangrijke punt is dat de staf van profeet Mozes niet van vorm veranderde en een echte slang werd. Het werd in plaats daarvan in de vorm van een slang gezien. Het vers: Lā tabdīla li-khalqi-llāh (“Allah’s schepping is niet te veranderen”– 30:30), maakt duidelijk dat iets wat Allah heeft geschapen niet kan veranderen. En Allah zegt Zelf in de heilige koran dat alleen de verschijning (sīrah) van de staf een verandering onderging en niet zijn vorm (khalq), zoals het volgende vers aangeeft:
“Hij zei: pak het beet en vrees niet. Wij zullen hem tot zijn vroegere staat (sīrata-ha-l-ūlā) terugbrengen.” (20:21)
3. Het derde punt is dat de staf van profeet Mozes niet door zijn eigen geesteskracht in de verschijning van een slang veranderde, maar door de kracht van Allah. Het bewijs hiervoor is dat toen profeet Mozes eerder het bevel kreeg zijn staf neer te werpen en deze toen op een slang leek, hij zelf zo bang werd van wat hij zag, dat hij wegvluchtte van de “slang”. Zoals het volgende vers laat zien:
“Dus toen hij deze (staf) zag bewegen alsof het een slang was, trok hij zich terug en kwam niet terug” (27:10).
Dit bewijst voldoende dat Mozes’ concentratie of wilskracht in deze situatie geen enkele rol speelde. Wat er ook plaatsvond, het was uitsluitend een demonstratie van het wonder van Allah’s wil. Door dit goddelijke ingrijpen werden de tovenaars van Egypte verslagen. Volgens de Thora verzamelden zich wel vierduizend van hen. De koran vermeldt dat zij, vertrouwend op hun sterke en gecombineerde geesteskracht, hun koorden en stokken op de grond wierpen en deze op slangen deden lijken. Zoals de koran zegt:
“En toen zij wierpen, bedrogen zij de ogen van de mensen en overweldigden zij hen, en zij schiepen een geweldige betovering.” (7:116)
Een andere beschrijving van dit tafereel staat elders in de heilige koran:
“Hij (profeet Mozes) zei: Nee! werpen jullie. Dan zie! hun koorden en hun stokken – door hun tovenarij scheen het hem toe dat zij snel voortbewogen. Dus groeide er angst in de gedachten van Mozes.” (20:66-67)
Deze betovering laat de kracht van de menselijke wilskracht zien. Het had een sterke invloed op de gedachten van de mensen toen ze de koorden en stokken als slangen zagen bewegen. Profeet Mozes raakte ontsteld toen hij dit zag en vroeg zich angstig af wat voor kracht zijn wonder zou hebben. Zal die overweldigender zijn dan hun bedrog? Dit is de vrees waar de heilige koran aan refereert in het bovenstaande vers (20:67). Allah (s.t.) stelt hem echter als volgt gerust in het volgende vers:
“Wij zeiden: vrees niet. U bent waarlijk de sterkste.” (20:68)
Profeet Mozes wierp dus, op bevel van Allah, zijn staf neer die de “slangen” van de tovenaars opslokte. Dit tafereel vormde een teken van het feit dat zijn volk, de Israëlieten, tot leven zou komen en de oorzaak zou worden van de vernietiging van de Egyptische troepen van de Farao. De latere gebeurtenissen bewezen deze symboliek: de Egyptische troepen verdronken, terwijl de Israëlieten – hun vroegere slaven – toekeken. De overwinning op de tovenaars van Egypte was slechts een voorbode van deze gebeurtenis.
Dit uitzonderlijke wonder van profeet Mozes speelde zich af in precies die vorm waar de Egyptenaren zo trots op waren. Zij achtten niemand anders waardig om hen op dat gebied uit te dagen. Juist daarom vond het wonder op deze manier plaats, zodat zij een compleet bewijs kregen dat profeet Mozes de waarheid aan zijn zijde had.
Zo was het ook in de tijd van onze profeet Mohammed. De Arabieren beroemden zich op hun taalkunst en welbespraaktheid. Tegelijkertijd heeft de kennis van de mensheid, vanaf de tijd van de Profeet tot op heden, zich in een duizelingwekkend tempo ontwikkeld. Deze ontwikkeling zal doorgaan tot de dag der opstanding. Hierdoor is kennis een belangrijke bron van trots voor de mens geworden.
Daarom werd aan profeet Mohammed een schitterend wonder geschonken in de vorm van de heilige koran. In dit boek plaatst Allah een zeer krachtige uitdaging aan alle tegenstanders: breng zelfs maar één enkel hoofdstuk voort dat zich kan meten met de heilige koran in taalkundige perfectie en schoonheid. Daarnaast moet het onderwerpen behandelen zoals het een-zijn van God, esoterie, wetbeginselen en morele en geestelijke waarden, met zo’n diepgang en wijsheid dat het, net als de verzen van de koran, compleet en allesomvattend is. Verder moet het dezelfde onweerstaanbare invloed op de harten van mensen hebben zoals elk hoofdstuk van de heilige koran laat zien.
Vervolgens verklaart Allah dat zij zoiets nooit zouden kunnen doen, zelfs niet als zij de hulp zouden inroepen van iedereen op de wereld, behalve Hem. Dit boek is namelijk van Allah afkomstig. Geen mens kan ooit iets voortbrengen dat gelijk is aan Zijn woord, dat een wonder van kennis en macht is.
In die tijd, ondanks de bijzondere bekwaamheid van de Arabieren in hun taalvaardigheid waar ze zo trots op waren, stonden zij machteloos tegenover de taalkundige uitmuntendheid van de heilige koran. Dit was een krachtig bewijs voor hen dat, als de heilige koran het werk van een mens was, het gemakkelijk door menselijke vernuftigheid overtroffen had kunnen worden. Het feit dat heel Arabië zich neerboog voor de weergaloze perfectie en schoonheid van de taal van de heilige koran, bewijst buiten enige twijfel dat dit boek zo’n ongekende kennis en kracht bevatte, dat geen mens ooit in staat zou zijn geweest zoiets te bedenken. Bovendien is het in termen van kennis en wijsheid een blijvende getuigenis. Het spreekt niet alleen de Arabieren van toen aan, maar ook de verwerpers van elk tijdperk tot op de dag van vandaag. Ondanks de explosie in kennis en wetenschappen blijft de uitdaging van de heilige koran altijd onbeantwoord. Dit toont aan dat dit boek een oorsprong heeft die de menselijke capaciteit te boven gaat.
Een wonder kun je een volmaakt wonder noemen wanneer een mens wordt neergehaald op een gebied waar hij grote trots ontleent aan zijn kennis en macht. Dit biedt hem een onweerlegbaar bewijs dat de Profeet, die een onbetwistbare demonstratie van Allah’s macht en kennis levert, werkelijk door dat Opperwezen is gestuurd.
Zo werd er aan het volk van Thamūd een duidelijk bewijs gegeven. Hun profeet Ṣāliḥ (a.s.) stond zwak, alleen en hulpeloos, terwijl het volk van Thamūd daarentegen een machtige natie was die profeet Ṣāliḥ voor een leugenaar hield. Hun negen stammen smeedden een plan om hem te vermoorden, en de heilige koran vertelt hun samenzwering en de nasleep in de volgende verzen:
“En er waren in de stad negen personen die onrust stookten in het land en die niet op juiste wijze handelden. Zij zeiden: Zweer aan elkaar bij Allah dat wij hem en zijn familie in de nacht aan zullen vallen, en dan zullen wij tegen zijn erfgenaam zeggen: Wij waren geen getuige van de vernietiging van zijn familie, en wij spreken zeker de waarheid. En zij beraamden een plan, en Wij beraamden een plan, terwijl zij (het) niet beseften. Zie dan, wat het einde was van hun plan, dat Wij hen en hun volk vernietigden, (hen) allemaal. Dus dat zijn hun ingestorte huizen, omdat zij onrechtvaardig waren. Waarlijk schuilt hierin een teken voor een volk dat weet. En Wij verlosten degenen die geloofden en aan hun plicht voldeden.” (27:48-53)
Dit was een gelegenheid die erom vroeg dat er een wonder getoond zou worden dat in overeenstemming zou zijn met de diepgewortelde tradities van dit volk. Hierin schuilt een subtiel teken. De volmaakte ziel van Allah’s boodschapper was in symbolische zin de kameel van Allah, en Allah was de berijder ervan. Met andere woorden, het hart van de profeet was de plek waar Allah’s schittering en majesteit op neerdaalden. Zijn Meester hield de teugels van het lopen, rondgaan, slapen, opstaan, spreken en handelen van Zijn dienaar in Zijn handen, zoals een menselijke meester macht uitoefent over zijn kameel. Het water van de profeet stond symbool voor de drank van hemelse leiding die hij van Allah bracht, en van dit water hing het eeuwigdurende geestelijke leven van de mens af.
Wie de boodschapper en de leiding die hij bracht probeerde te vernietigen, hield in werkelijkheid zijn eigen menselijke ziel weg van het water van een eeuwig hemels leven. Omdat zo iemand geen ontzag had voor Allah’s macht, was hij bereid om het tegen Hem op te nemen. Onder deze omstandigheden was het noodzakelijk dat de Almachtige een teken van Zijn kracht en macht liet zien om zo’n onbeschaamde houding tegen te gaan. Allah bracht de vrouwtjeskameel voor hun ogen en beval hun om er zelfs niet aan te denken de boodschapper te doden, die in symbolische zin Allah’s kameel was. Deze kameel diende als een tastbaar teken voor hen. Allah bestempelde haar als Zijn eigen bezit en waarschuwde hen voor de gevolgen als ze haar kwaad zouden doen. Toch kon dit volk dit niet begrijpen. Geheel verblind door hun eigen kracht en macht doodden ze de vrouwtjeskameel, zoals de heilige koran vertelt:
29. Maar zij riepen hun gezel, en hij strekte zijn armen (ta‘āṭā) (naar haar) uit en doodde (‘aqara) (haar).
Fa-nādau ṣāhiba-hum fa- ta‘āṭā fa-‘aqara.
30. Hoe (vreselijk) was toen Mijn straf en Mijn waarschuwing!
Fa-kaifa kāna ‘azābī wa nuzur.
‘Aqara betekent de pezen doorsnijden. Het was een gebruik onder de Arabieren dat voordat ze een kameel slachtten, ze haar pezen doorsneden, zodat ze zou neervallen en niet in staat zou zijn te weg te rennen. Daarom krijgt ‘aqara de betekenis van doden.
Ta‘āṭā betekent stoutmoedig je handen uitstrekken naar iets wat je niet mag nemen.
De mensen van het volk van Thamūd accepteerden de uitdaging van profeet Ṣāliḥ, hoewel zij hem, ondanks zijn status als profeet van Allah, zagen als een zwak en hulpeloos individu. Het idee om de kameel toe te staan van hun water te drinken, stond hen helemaal niet aan. Vooral niet als zij ook haar macht mocht tonen door vrij over het land rond te lopen.
Blijkbaar was er een bijzonder arrogante en stoutmoedige persoon in hun midden, trots op zijn kracht en macht. De mensen besloten daarom de kameel te doden, en die persoon slachtte haar. Dit was een uitdaging in heldere bewoordingen, geheel in lijn met de gewoonten van dit volk. De uitdaging hield in dat, als profeet Ṣāliḥ werkelijk door Allah was gestuurd en de kameel van Allah afkomstig was, Allah zou kunnen doen wat Hij wilde. Maar de mensen trokken zich hier niets van aan. Het resultaat was zoals verwacht binnen hun gewoonten wanneer zij geen respect tonen voor macht. Ze werden gestraft met dezelfde straf waarmee al eerder was gedreigd.
31. Waarlijk stuurden Wij hen één enkele roep (ṣaiḥah), dus werden zij als de uiteengevallen bladeren van de omheining (hashīm) van de omheiningbouwer (muḥtaẓir).
Innā arsalnā ‘alaihim ṣaihat-an wāḥidat-an fa-kānū ka-hashīmi-l-muḥtaẓir
Muḥtaẓir: ḥaẓīrah betekent een omheining en muḥtaẓir iseen persoon die een omheining bouwt.
Hashīm betekent bladeren er dergelijke, die in kleine stukjes uiteen zijn vallen. Met hashīmi-l-muḥtaẓir wordt dus de bouwer van een omheining bedoeld die een omheining bouwt door droge takken aan elkaar te binden. Die takjes en bladeren en dergelijke vallen vervolgens naar beneden en vallen helemaal uiteen.
Ṣaiḥah betekent letterlijk een hard geluid. Figuurlijk verwijst het naar tegenslagen en moeilijkheden, omdat de mens bij ernstige tegenspoed vaak luid schreeuwt. Dit tumult en rumoer roept (moge Allah ons beschermen) beelden op van de rampen die op de dag der opstanding zullen plaatsvinden.
Soms wordt een naderende aardbeving voorafgegaan door een luid, bulderend geluid. De woorden “één enkele roep” wijzen erop dat Allah hen plotseling overviel. Een andere uitleg is dat Hij met één enkele dreigement hun einde veroorzaakte. Dat dreigement kwam in de vorm van een aardbeving die alles binnen een oogwenk vernietigde.
32. En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt om indachtig te zijn. Maar is er iemand die indachtig is?
Wa laqad yassarnā-l-qur’āna li-l-zikri fa-hal min muddakir.
Dit wordt gezegd tegen alle mensen tegen wie de heilige koran zich richt, namelijk dat dit een boek is dat Allah gemakkelijk voor de mens heeft gemaakt om steeds in gedachten te houden. Wie wil, mag zijn leringen volgen en zijn innerlijk aan een vergeten les herinneren. Zo kan de mens die positie van eer en waardigheid bereiken waarvoor hij is geschapen.
De bedoeling van deze passage is om de ongelovige tegenstanders van profeet Mohammed te laten inzien dat zij lering zouden moeten trekken uit het verhaal van het volk van Thamūd. De heilige koran vermeldt dit volk namelijk specifiek om te benadrukken dat de “vrouwtjeskameel van Allah” die de mensen van Thamūd probeerden te doden, eigenlijk de profeet Mohammed symboliseert. Wie hem kwaad wil doen, zal in Allah’s machtige greep vallen en vernietigd worden. Helaas verzuimden de ongelovigen van Mekka deze heilzame les ter harte te nemen en hun voordeel eruit te halen. In plaats daarvan besloten zij op een gegeven moment profeet Mohammed van het leven te beroven. Net zoals het volk van Thamūd, smeedden negen stammen samen een complot. Zij maakten een plan om ’s nachts het huis van de Profeet te omsingelen en hem te doden. Hun kwaadaardige opzet mislukte echter volledig; ze slaagden er niet in hem ook maar enigszins te deren. Integendeel, degenen die dit complot hadden beraamd werden zelf vernietigd. Zo kwam Allah’s voorspelling tot de letter uit.
33. Het volk van Lot verwierp de waarschuwers (nuzur).
Kazzabat qaumu lūṭ-in bi-l-nuzur.
Profeet Lot woonde in de steden Sodom en Gomorra in Palestina zoals ik in mijn commentaar op hoofdstuk De Ster al heb vermeld. Ook deze steden verwierpen de waarschuwers die Allah naar hen had gezonden. Met andere woorden, door de profeet Lot te verwerpen, verwierpen zij in feite de hele gemeenschap van waarschuwers en ontkenden zij de waarheid die deze verkondigden.
De meervoudsvorm nuzur (waarschuwers) kan daarnaast respect uitdrukken. Het volk van profeet Lot maakte zich schuldig aan een schaamteloze zonde: zij vergrepen zich aan jonge mannen. Profeet Lot wenste dat zij zich zouden hervormen en waarschuwde hen daarom voor Allah’s straf. Maar in plaats van zijn waarschuwingen ter harte te nemen, beschuldigden zij hem ervan een leugenaar te zijn. Het gevolg daarvan was:
34. En zo lieten Wij stenen op hen regenen, behalve de volgelingen (āl) van Lot. Wij redden hen in de vroege ochtend.
Innā arsalnā ‘alaihim ḥāṣib-an illā āla lūṭ-in najjaināhum bi-saḥar.
35. (Dit was) een gunst (van goedheid) van Onze kant. Zo (kazālika) belonen Wij degene die dankt.
Ni‘mat-an min ‘indinā kazālika najzī man shakar.
De straf kwam bij het aanbreken van de dageraad. Er vond een vulkaanuitbarsting plaats die zo geweldig was, dat er vanuit de berg een regen van hete, gesmolten rotsen de lucht in vloog en de bewoners van het gebied vernietigde. Tegelijkertijd deed een aardbeving het aardoppervlak onderste boven keren, waardoor water uit de grond omhoog spoot. Zo ontstond een groot meer dat wij nu kennen als de Dode Zee, waar geen enkel organisme in kan leven. Bovendien ligt dit meer beneden de zeespiegel.
Allah redde de mensen van profeet Lot. Het woord āl (familie) betekent hier “volgelingen” zoals het ook elders in de heilige koran voorkomt:
“En Wij verdronken de mensen (āl) van Farao en (op zo’n manier dat) jullie toekeken.” (2:50)
Het is duidelijk dat het woord āl slaat op de volgelingen van Farao aanduidt en niet op zijn vrouw en kinderen.
De reden waarom in dit vers het woord āl (familieleden) is gebruikt, is dat deze familieleden ook volgelingen waren van profeet Lot. Allah markeert de redding van de volgelingen van profeet Lot als een daad van grote gunst, welwillendheid en goedheid van Zijn kant.
Met het woord kazālika (zo) maakt Allah duidelijk dat deze gunst algemeen van aard is. Dit wil zeggen dat het niet specifiek beperkt is tot profeet Lot en zijn mensen, maar dat deze zegen hun werd geschonken vanwege hun eigenschap van dankbaarheid. Mensen die in het algemeen dankbaar zijn, zullen daarom ook soortgelijke zegeningen van Allah ontvangen. Shukr (dankbaarheid) wil niet slechts zeggen een mondelinge uiting van waardering voor een bepaalde gunst. Ware dankbaarheid houdt in dat je de waarde erkent van de zegeningen die Allah aan ons heeft geschonken. Hierbij moeten we vooral denken aan de koran die Hij ons heeft gegeven, en aan Zijn Profeet. Dit zijn zegeningen van de hoogste orde. Onze dankbaarheid tonen voor deze gaven betekent dat we geloven in de koran en in de Profeet en handelen volgens hun leer.
Degenen onder het volk van profeet Lot die op deze manier Allah dankten voor Zijn gunsten, waren degenen op wie dit vers van toepassing was:
“Als jullie dankbaar zijn, zal Ik jullie meer geven.” (14:7)
Een prachtige manifestatie van deze belofte is het feit dat Allah hen redde van die verschrikkelijke straf, terwijl de rest van het volk deze straf moest ondergaan.
36. En hij (Lot) waarschuwde hen voor onze aangrijping. Toen betwistten zij de waarschuwing.
Wa laqad anzara-hum baṭshata-nā fa-tamāraw bi-l-nuzur.
Profeet Lot waarschuwde zijn volk op voorhand om hen te redden van de dreigende straf. Hij zei dat als zij gered wilden worden van Allah’s vergelding, zij vergiffenis moesten vragen voor hun afschuwelijke zonden en zichzelf moesten hervormen. Wanneer mensen echter volledig bedwelmd raken door comfort, luxe, macht en rijkdom, voelen zij geen behoefte om aandacht te schenken aan dergelijke vermaningen. In hun hoogmoed en achteloosheid gaan zij zich er zelfs tegen verzetten. Zo ging het volk van profeet Lot zo ver dat zij de grenzen van fatsoen en moraliteit volledig overschreden. Ze besloten zelfs profeet Lot en zijn gasten te schande te maken, zoals de heilige koran vertelt:
37. En voorzeker trachtten zij hem af te keren (rāwadū-hu) van zijn gasten, maar Wij verblindden (ṭamasnā) hun ogen. Proef dan van Mijn straf en van Mijn waarschuwing.
Wa laqad rāwadū-hu ‘an ḍaifi-hī fa-ṭamasnā a’yuna-hum fa-zūqū ‘azābī wa nuzur.
De primaire betekenis van ṭamasa is iets uitwissen.
Rāwadū-hu betekent iemand van zijn voornemen afbrengen. Dat wil zeggen, zij legden profeet Lot allerlei suggesties voor die volledig tegengesteld waren aan zijn intenties.
Wat betreft de vraag wie de gasten van profeet Lot waren (d.w.z. of het engelen of mensen waren), dit is al uitvoerig behandeld in hoofdstuk 51 (Al-Zāriyāt). Wie ze ook waren, het staat vast dat zowel profeet Lot als zijn vrouw hen zag. Via zijn vrouw kwam het volk van profeet Lot te weten dat hij gasten in huis had. Zodra zij dat bericht ontvingen, haastten zij zich in een vlaag van razernij naar zijn huis en eisten dat hij zijn gasten aan hen zou overleveren. Het idee om zijn gasten aan zo’n schandelijke behandeling bloot te stellen, was meer dan profeet Lot kon verdragen. Het gesprek dat daarop volgt, staat elders in de heilige koran als volgt opgetekend:
“En zijn volk kwam naar hem toegesneld, en voorheen deden zij reeds slechte daden. Lot zei: O mijn volk, dit zijn mijn dochters; zij zijn zuiverder voor u. Derhalve, vrees Allah. Maak mij niet te schande aangaande mijn gasten. Is er onder u niet één rechtgeaard man? Zij zeiden: U weet dat wij geen aanspraak hebben op uw dochters. En voorzeker, u weet wat wij wensen.” (11:78-79)
De korancommentatoren hebben veel moeite gehad om dit voorval juist te interpreteren, omdat zij het zo begrepen dat de mensen van het volk van profeet Lot slechts kwamen om onzedelijke handelingen met zijn gasten te verrichten. Profeet Lot beschouwde dit als iets walgelijks en schandelijks. Om hen van deze schandelijke daad af te houden, bood hij hun zijn dochters aan, zodat zij met hen konden doen wat zij maar wilden. Hij stelde dat zijn dochters zuiverder waren dan wat zij van plan waren met zijn gasten te doen.
Het is echter overduidelijk dat een dergelijk voorstel, toegeschreven aan profeet Lot, niet alleen uiterst schandelijk en schaamteloos lijkt, maar ook volledig in strijd is met menselijke normen van fatsoen en hoge zeden. Het idee dat een vader zijn dochters als kandidaten zou aanbieden voor onzedelijke handelingen, druist in tegen alles wat moreel en spiritueel verheven is.
Om deze schijnbare tegenstelling te verklaren, hebben de korancommentatoren twee mogelijke interpretaties voorgesteld. De eerste is dat profeet Lot bedoelde dat zij met zijn dochters moesten trouwen en op die manier wettige echtgenoten konden worden. De tweede interpretatie is dat met de term “dochters” de vrouwen van zijn volk werden bedoeld, omdat de vrouwen van een volk symbolisch worden beschouwd als de dochters van een profeet.
Dit zijn twee mogelijke interpretaties, en wellicht is één ervan correct. Hun woorden “u weet dat wij geen aanspraak hebben op uw dochters” kunnen echter niet naar hun eigen echtgenotes verwijzen, omdat het geen hout snijdt om zoiets over je eigen vrouw te zeggen. Bovendien is het een vergezochte interpretatie om te stellen dat zij hiermee zouden bedoelen dat zij alle echtelijke banden met hun vrouwen hadden verbroken. De woorden duiden niet hierop, want zij verklaren nadrukkelijk dat zij geen recht hadden op zijn dochters.
Wat betreft de uitleg dat profeet Lot bedoelde dat zij met zijn dochters moesten trouwen en echtelijke relaties moesten aangaan, vereist dit dat we de woorden “trouw met ze” aan de tekst toevoegen. Zonder deze toevoeging ontbreekt de basis voor deze interpretatie, omdat de oorspronkelijke tekst dit niet expliciet aangeeft.
Wat mij betreft, voel ik meer voor de uitleg die wijlen hazrat maulana Nur ud-Din, de grote korangeleerde, heeft gegeven. Voordat ik deze echter met u deel, is het belangrijk om te begrijpen dat hoewel profeet Lot was aangesteld als een profeet voor het volk van Sodom, hij zelf eigenlijk niet tot hen behoorde. Profeet Lot was een neef van profeet Abraham (vrede zij met hem) en werd naar het volk van Sodom gestuurd, omdat hij was getrouwd met een bewoonster van dat volk. Omdat hij zichzelf als een van hen beschouwde, had hij zich daar gevestigd.
In die tijd maakte men een scherp onderscheid tussen mensen van verschillende stammen, en men hield er niet van als iemand van buiten hun stam zich bij hen probeerde te vestigen. Als een buitenstaander dat toch deed, probeerden ze hem te doden, gevangen te nemen, tot slaaf te maken, of hem te vernederen en uit hun stad te verdrijven.
Profeet Lot was getrouwd met een vrouw uit die gemeenschap en bleef daar wonen, maar onder de strikte voorwaarde dat niemand van buiten de stad hem mocht bezoeken. Zoals duidelijk in de koran staat, toen deze mensen naar profeet Lot kwamen en eisten dat hij zijn gasten aan hen zou overhandigen, zeiden zij met ondubbelzinnige woorden:
“Hadden wij u niet verboden mensen te ontvangen?” (15:70)
Als profeet Lot zijn gasten aan hen zou hebben uitgeleverd, zouden ze hen hebben gedood, of hen hebben vernederd en verdreven. Gezien hun verdorven gewoonten zou het ook geen verbazing wekken als ze zich schuldig hadden gemaakt aan onzedelijke handelingen met hen. Toch kunnen we uit dit koranvers niet concluderen dat de mensen specifiek met dat idee in gedachten naar het huis van profeet Lot waren gegaan. Wat wel duidelijk is, is dat zij eisten dat hij zijn gasten aan hen zou overhandigen, omdat hun aanwezigheid in strijd was met de afspraak dat buitenstaanders niet in hun stad mochten verblijven. Profeet Lot probeerde hun diepe wantrouwen weg te nemen, dat was ontstaan door de komst van buitenstaanders. Zij vermoedden dat deze vreemdelingen waren gekomen om tegen hen samen te zweren of andere snode plannen hadden. Om hen gerust te stellen zei hij daarom:
“Dit zijn mijn dochters, indien u (iets) zult doen (in kuntum fā’ilīn).” (15:71)
Dit wil zeggen: als jullie toch iemand willen meenemen en gevangenhouden, dan bied ik jullie mijn dochters aan. Neem hen mee onder jullie hoede. Met andere woorden, profeet Lot zegt: “Neem hen als gijzelaars. Als mijn twee dochters onder uw hoede zijn, hoe kan ik dan nog iets tegen u doen?” Helaas hebben sommigen de woorden in kuntum fā’ilīn (als jullie iets zullen doen) verkeerd geïnterpreteerd als: als jullie onzedelijke handelingen met hen willen bedrijven. Maar dat is zeker niet wat deze woorden betekenen. De juiste betekenis is: “Als jullie datgene moeten doen waarvoor jullie gekomen zijn, dan bied ik jullie mijn dochters aan.”
De vraag is nu: waarvoor kwamen zij werkelijk? Was het om onzedelijkheden met de gasten van profeet Lot te bedrijven? Dit staat nergens in de heilige koran. Dit idee is puur gebaseerd op de verbeelding en speculaties van sommige uitleggers van de koran. Wat echter wel duidelijk uit de heilige koran blijkt, is dat zij kwamen met de bedoeling om zijn gasten gevangen te nemen. De daad waarnaar verwezen wordt in “indien u (iets) zult doen,” kan daarom alleen datgene zijn wat door de koran wordt bewezen, namelijk het gevangennemen van zijn gasten. De duidelijke betekenis van de woorden van profeet Lot kan daarom alleen zijn: als jullie gekomen zijn om mijn gasten gevangen te nemen, neem dan mijn dochters in hun plaats.
Nu resteert de vraag: bestond er geen angst dat de eer van de dochters van profeet Lot geschonden zou worden als hij hen onder de hoede van die mensen plaatste? Mijn mening is dat deze angst er niet was. Onder dat volk heersten er namelijk bepaalde lokale gebruiken die voor profeet Lot duidelijk waren, maar die wij niet kennen of begrijpen. Voor onze geruststelling is het voldoende om te weten dat geen enkel edel en verheven persoon zijn dochters in een situatie zou plaatsen waarin hun kuisheid gevaar zou lopen. Hoe kunnen we dan zo’n schandelijke daad toeschrijven aan een profeet, die juist gezonden was om zijn volk de hoogste morele waarden bij te brengen? Profeet Lot wist zeer goed dat de eer van zijn dochters geen gevaar liep onder de hoede van die mensen. Zijn kennis van hun gebruiken en gewoonten gaf hem de zekerheid dat hun veiligheid gewaarborgd was. Daarom leiden de woorden van profeet Lot, zoals ze in de koran staan, elk weldenkend mens onmiskenbaar tot deze conclusie.
Hij zei: “Dit zijn mijn dochters, zij zijn zuiverder voor u.” Dit laat duidelijk zien dat het feit dat zijn dochters door deze mensen in gijzeling werden genomen als een zuiverdere optie werd beschouwd dan dat zij zijn gasten zouden meenemen. Met andere woorden, er was geen gevaar dat de kuisheid van zijn dochters geschonden zou worden, of dat zij schandelijk behandeld zouden worden. Maar zo’n mogelijke schandelijke behandeling bestond er wel met betrekking tot zijn gasten. Vandaar dat hij het als een veel meer fatsoenlijke en zuivere maatregel zag om zijn dochters onder hun hoede te plaatsen. De reden hiervoor was dat profeet Lot met een “dochter” van dat volk getrouwd, en waren zijn dochters dus in symbolische zin de “nichtjes” van dat volk. Zij konden zijn dochters daarom op geen enkele manier schaden of onteren.
Zelfs vandaag de dag beschouwen de edelen in ons land de jonge vrouwen van hun dorpen en hun stammen als hun eigen. Zij hebben respect voor de waardigheid van hun jonge vrouwen zoals ze die hebben voor hun eigen dochters. Er school dus absoluut geen enkel gevaar in het idee dat zijn dochters als gevangenen onder hun hoede zouden zijn.
Het volk van de stad van profeet Lot was echter zeer kwaadaardig. Ze verklaarden dat ze geen recht hadden op zijn dochters en dat ze zijn aanbod niet konden accepteren. Ze wilden juist zijn gasten. Ondanks hun vasthoudendheid schiep Allah omstandigheden die het hen onmogelijk maakten de gasten te vinden.
Indien de gasten engelen waren en profeet Lot dat tot dan toe niet wist, dan is het duidelijk dat de mensen hen niet konden vinden. In dit geval moeten we deze gebeurtenis begrijpen als een helder visioen aan profeet Lot en dat hij en zijn vrouw verkeerd dachten dat hun gasten echte mensen van vlees en bloed waren. Hoe konden mensen, die alleen met hun wereldse ogen kunnen zien, degenen waarnemen die alleen met het innerlijk oog zichtbaar zijn?
Als de gasten echte mensen waren, dan hield Allah hen voor de ogen van de boosdoeners verborgen. Dat wil zeggen, ondanks hun zoektocht konden ze hen niet vinden. De woorden: “Wij verblindden hun ogen,” betekenen niet dat ze daadwerkelijk blind werden. Deze woorden zijn metaforisch gebruikt. Met andere woorden, ondanks hun ijverige zoektocht, waren ze niet in staat de gasten te vinden. Of de gasten hielden zich schuil op een plek waar hun belagers hen niet konden pakken, of Allah richtte hun aandacht niet op die schuilplek.
Laten we ons het voorval in herinnering roepen dat één nacht voor de migratie van profeet Mohammed naar Madinah, de Mekkaanse ongelovigen het huis van de Profeet hadden omsingeld met de bedoeling hem te vermoorden. Ondanks hun aanwezigheid werden zij, metaforisch gesproken, blind gemaakt en wist hij onopgemerkt langs hen te glippen. Allah wilde met dit voorval hen de volgende vraag voorleggen: als jullie dertien jaar lang, terwijl Mohammed in jullie midden leefde, hem niet hebben kunnen herkennen als de ware boodschapper van Allah, hoe zou hij dan die nacht voor jullie ogen zichtbaar kunnen zijn?
Volgens het volgende vers van de heilige koran:
“En wanneer u de koran voordraagt, dan plaatsen Wij tussen u en degenen die niet geloven in het hiernamaals een verborgen barrière,” (17:45),
wordt er een dikke sluier gelegd over de ogen van degenen die niet geloven in het hiernamaals. Diezelfde metaforische sluier bedekte die nacht de ogen van de ongelovigen van Mekka. Als de ogen van hun harten al jarenlang onder een bedekking lagen die hen verhinderde het licht van geestelijke kennis te ontvangen, is het dan werkelijk verbazingwekkend dat die nacht een sluier hun fysieke ogen zou bedekken? Die sluier weerhield hen ervan de Profeet te zien toen hij pal onder hun neuzen wist te ontsnappen. Is dit het niet wat de heilige koran bedoelt wanneer die zegt:
“En voor hen hebben Wij een barrière geplaatst, en achter hen een barrière. Zo hebben Wij hen bedekt, zodat zij niet zien.” (36:9)
Wanneer Allah het wenst, legt Hij de innerlijke blindheid van de ongelovigen over hun uiterlijke ogen. Zo toont Hij, als een duidelijk teken, hun spirituele blindheid aan anderen.
38. En zeker werden zij in de ochtend overvallen door een aanhoudende (mustaqirr) straf.
Wa laqad ṣabbaḥa-hum bukratan ‘azābun mustaqirr.
Mustaqirr betekent iets wat permanent, voortdurend of aanhoudend is. Dat wil zeggen, het bleef aanhouden totdat het hen volledig vernietigd had.
Een straf die in de ochtend neerdaalt, is dodelijker dan op andere momenten. Dit komt doordat de mensen zich dan in een diepe slaap bevinden, onbewust van het naderende gevaar en onvoorbereid op wat hen te wachten staat. Wanneer de straf hen onverwachts overvalt, rest hun geen enkele mogelijkheid om te ontsnappen. In dit gebeuren schuilt ook een waarschuwing voor degenen die ingedut zijn in hun onachtzaamheid en zorgeloze toestand. Op dezelfde wijze zal de straf hen overvallen, zelfs terwijl zij in rust verkeren, en hen onverwachts tot hun einde brengen.
39. Proef dan Mijn straf en Mijn waarschuwing.
Fa-zūqū ‘azābī wa nuzur.
40. En zeker hebben Wij de koran gemakkelijk gemaakt om indachtig te zijn. Maar is er iemand die indachtig is?
Wa laqad yassarnā-l-qur’āna li-l-zikri fa-hal min muddakir.
De feitelijke toestand van het volk weerspiegelt het lot van degenen die gestraft worden. Allah zegt als het ware tegen hen: “Proef Mijn vergelding en wees indachtig hoe waar Mijn eerdere waarschuwing was die Ik voor deze bestraffing gaf.” Wijs is dus degene die zijn voordeel opdoet aan de waarschuwingen en vermaningen van de heilige koran. Allah zegt hoe Hij Zijn leringen gemakkelijk voor de mens heeft gemaakt, zodat hij die gemakkelijk tot zich kan nemen. Maar tegelijkertijd betreurt Hij dat er maar weinigen zijn die baat vinden bij deze Goddelijke gunst.
Noot
Allah heeft op verschillende wijzen de heilige koran gemakkelijk voor de mens gemaakt om te begrijpen.
1. Naleving van geboden: De geboden die Allah ons heeft gegeven, zijn eenvoudig en volledig in harmonie met onze menselijke natuur. Ze zijn zo ontworpen dat het geen onmogelijke last is om ze na te leven. Zoals het Boek zelf zegt:
“Allah legt geen ziel een taak op die haar reikwijdte te boven gaat.” (2:286)
Dit betekent dat elk gebod binnen onze menselijke mogelijkheden ligt.
2. Verzameling van waarheden: Als we alle waarheden die op de wereld bestaan zouden verzamelen – waarheden die in honderden talen zijn verspreid – en we zouden proberen de ware van de onware te scheiden, dan zou zelfs het lange leven van profeet Noach niet voldoende zijn om deze taak te volbrengen. Maar zie met welk gemak en welke eenvoud de heilige koran al deze waarheden bijeen heeft gebracht en ze gratis aan ons heeft geschonken. Met betrekking hiertoe zegt de heilige koran:
“Hierin zijn (alle) rechte boeken.” (98:3)
3. Openbaring in het Arabisch: De heilige koran is geopenbaard in het Arabisch, de taal die wordt beschouwd als de moeder van alle talen. Het Arabisch is bijzonder rijk aan betekenis en biedt een uitgebreide schat aan woorden en uitdrukkingen. Hierdoor is het bij uitstek geschikt om Allah’s leiding en bedoelingen op heldere en nauwkeurige wijze over te brengen.
4. Leiding voor spirituele groei: De passages van de koran die specifiek bedoeld zijn om de mens te leiden en zijn spirituele ontwikkeling te bevorderen, worden op een zeer duidelijke en begrijpelijke manier uiteengezet. Dit maakt het mogelijk dat zowel geleerden als eenvoudige mensen er evenveel voordeel uit kunnen halen.
Paragraaf 3
Deze paragraaf verwijst naar de geschiedenis van vroegere profeten, te beginnen met het volk van profeet Mozes (vrede zij met hem). De reden voor deze speciale vermelding is de grote gelijkenis tussen profeet Mohammed (vrede zijn met hem) en profeet Mozes. Daarnaast wordt ons duidelijk gemaakt dat, net zoals de tegenstanders van profeet Mozes en andere profeten werden vernietigd en vernederd, ook de tegenstanders van profeet Mohammed vernietiging en schande te wachten stond. Deze profetie vond in het bijzonder haar vervulling tijdens de slag bij Badr en later bij de verovering van Mekkah. Zo werden de woorden van de Almachtige op een indrukwekkend heldere en juiste wijze bewaarheid.
41. En zeker kwam de waarschuwing (nuzur) tot de mensen van Farao (fir‘aun).
Wa laqad jā’a āla fir‘auna-l-nuzur.
42. Zij loochenden al Onze tekenen. Dus grepen Wij hen (op een wijze) zoals het grijpen (van) de Machtige, de Overheersende.
Kazzabū bi-āyāti-nā kulli-hā fa-akhaznā-hum akhza ‘azīzin muqtadir.
Nuzur betekent waarschuwingen. De profeten van Allah kwamen allemaal met verschillende soorten van waarschuwingen voor straf.
Fir‘aun: Farao; dit was de titel van de koningen van Egypte.
Profeet Mozes werd door Allah gestuurd naar Farao en zijn volk. Hij waarschuwde hen voor de bittere gevolgen van hun slechte handelwijzen, en zij werden, door de hand van Allah, door allerlei rampen getroffen. Het haalde echter niets uit. Dit volk was vervuld van arrogantie, voortkomend uit hun dominantie en macht. Daarom vertelt het vers ons dat zij werden gegrepen op een wijze die de macht en majesteit van de Almachtige weerspiegelde. Farao, samen met zijn leger, achtervolgde profeet Mozes en zijn hulpeloze volk. Vol vertrouwen in zijn macht en heerschappij dacht hij hen te overmeesteren. Maar hij stuitte op de Machtige, de Overheersende, Die met één enkele zeegolf de gehele arrogantie en heerschappij van Farao verbrijzelde. Al zijn trots en macht, waar hij zo mee pronkte voor de wereld, werden in een oogwenk tenietgedaan.
De vijanden van profeet Mohammed en de ongelovigen van Arabië, die onophoudelijk samenspanden om hem tegen te werken, kregen hiermee een duidelijke waarschuwing. Ook zij zouden een vergelijkbaar einde tegemoet zien, een einde dat zij niet konden ontlopen.
43. Zijn de loochenaars onder u beter dan zij, of is er voor u een vrijstelling (geschreven) in de geschriften?
A kuffāru-kum khairun min ulā’ikum am lakum barā’atun fī-l-zubur.
Aan hen wordt de volgende vraag gesteld: Jullie hebben uit de verhalen van de vroegere profeten lering kunnen trekken. Deze verhalen bevatten duidelijke en krachtige voorspellingen dat ook Mohammed, net als de profeten vóór hem, een ware boodschapper is. Hoe kunnen jullie jezelf dan redden door hem te loochenen? Als de volkeren van weleer werden vernietigd omdat zij de boodschappers verwierpen en tegenwerkten, hoe kunnen jullie dan veilig zijn? Jullie zijn op geen enkele wijze superieur aan hen in macht, rijkdom of gezag. Welke bijzondere eigenschap bezitten jullie die de vernietigende greep van de Almachtige zou kunnen afwenden? De enige denkbare mogelijkheid tot redding zou zijn als Allah in Zijn geschriften had verklaard dat, ongeacht jullie verzet tegen de waarheid, Hij jullie niet zou grijpen. Maar aangezien dit niet het geval is, hoe kunnen jullie dan vrijgesteld zijn van deze wet van Allah? Jullie zullen onherroepelijk gegrepen worden.
44. Of zeggen zij: Wij zijn een groep die elkaar helpt?
Am yaqūlūna naḥnu jamī‘un muntaṣir.
Geen enkel boek van Allah heeft deze mensen vrijgesteld van straf. Hun onachtzaamheid en arrogantie kunnen daarom alleen voortkomen uit bepaalde aardse motieven die diep in hun harten verborgen lagen. Maar Allah onthult in dit vers hun diepste gedachte: “Wij zijn een volk dat elkaar steunt. Samen staan we eendrachtig op om wraak te nemen op onze vijanden. Daarom zijn wij een machtig en onoverwinnelijk volk.” Allah waarschuwt hen echter dat zij niet moeten vertrouwen op hun vermeende kracht en onoverwinnelijkheid, want spoedig was het moment in aantocht dat:
45. Deze groep zal verslagen worden en (deze mensen) zullen hun rug toekeren.
Sa-yuhzamu-l-jam‘u wa yuwallūna-l-dubur.
46. Integendeel, (het beloofde) uur is hun vastgestelde tijd, en dat uur is zeer rampzalig en buitengewoon bitter.
Bali-l-sā‘atu mau‘idu-hum wa-l- sā‘atu adhā wa amarr.
In Boechari staat er een verslag van Ibn Abbas dat vertelt dat de Profeet op de dag van de slag van Badr smeekbeden zei in zijn tent, waarin hij als volgt bad:
“O Heer, ik smeek U om Uw belofte te vervullen. O Allah, als dit Uw wil is, dan zult U na deze dag niet meer gediend worden.”
Hij zei met andere woorden dat hij niet bang was te sterven. Zijn enige zorg was dat als dit handjevol moslims uitgeroeid zou worden, dan zou de aanbidding van Allah van de aarde verdwijnen. Hij verlangde niet naar een lang leven voor werelds succes. Het enige wat hij wilde, was zien hoe de naam van zijn Meester verheerlijkt zou worden op de wereld.
Hij verrichtte zijn smeekbeden zo vurig en intens dat Aboe Bakr later zijn hand beetpakte en hem als volgt toesprak: “O boodschapper van Allah, het is genoeg. U hebt uzelf tot het uiterste ingespannen in het smeken tot uw Heer.” De Profeet had op dat moment zijn wapenrusting aan. Hij kwam toen uit zijn tent naar buiten en begon de bovenstaande verzen (45 en 46) op te zeggen.
Evenzo verklaren meerdere authentieke overleveringen van ‘Oemar en andere metgezellen dat de Profeet op de dag van Badr deze verzen reciteerde. Uit deze verhalen blijkt duidelijk dat profeet Mohammed deze verzen zelf in verband bracht met de slag van Badr. Het woord “uur” in deze context verwijst daarom naar de middelste opstanding van de Qoeraish, oftewel het uur van hun nederlaag. Het heeft geen betrekking op het grote uur van de dag der opstanding.
Het is ook vanuit de Hadith afdoende bewezen dat deze verzen in Mekka waren geopenbaard, in het vijfde of zesde jaar na de roep van de Profeet, het moment dat hij net met zijn missie was aangevangen. Op dat moment bestond er niet het flauwste vermoeden dat profeet Mohammed op een dag zoveel volgelingen zou hebben, dat hij in staat zou zijn tegen de ongelovigen ten strijde te trekken. Bovendien was het ondenkbaar dat zij in staat zouden zijn om de groep van ongelovigen te verslaan die zeer machtig en sterk was. En zij waren niet alleen machtig, ook bijzonder eensgezind in hun onderlinge steun, zoals beschreven in vers 44: “Wij zijn een groep die elkaar helpt.”
Toen de Profeet zich in een situatie bevond waarin hij de diepste diepten van zwakheid, hulpeloosheid en machteloosheid doormaakte, en niemand bereid was zelfs maar naar zijn prediking te luisteren, vormde een openlijke, stoutmoedige en uitdagende profetie van zijn kant een onbetwistbaar bewijs van Allah’s volmaakte kennis van het ongeziene en van Zijn macht. Deze profetie kondigde aan dat er een strijd zou plaatsvinden tussen de moslims en de ongelovigen, waarin de ongelovigen zouden worden verslagen en op de vlucht zouden slaan. Het feit dat deze woorden werden uitgesproken onder zulke omstandigheden versterkt het geloof in het Opperwezen, Wiens kennis van het ongeziene en alomvattende macht de menselijke kennis ver te boven gaat. Vergeleken met dit wonder verbleken alle andere wonderen.
Dit was de werkelijke betekenis die schuil lag achter het teken van het uiteensplijten van de maan. Dit hoofdstuk begint met de woorden: “Het uur kwam naderbij en de maan werd uiteengespleten.” Dit vers wordt hier verder verduidelijkt, waaruit blijkt dat het uur, waarvan de nadering werd gesymboliseerd door de splitsing van de maan, verwees naar het uur waarin zou worden gezegd: “De groep zal verslagen worden, en zij zullen hun rug toekeren.” De vervulling van deze profetie toonde niet alleen de waarheid van de splitsing van de maan aan, maar bevestigde ook de aankondiging van het naderende uur.
Noot
Hazrat Moehy oed-Din Ibn Arabi (moge Allah hem genadig zijn) heeft een subtiele uitleg gegeven die het onthouden waard is. Hij schrijft dat op de dag van de slag van Badr profeet Mohammed in zijn tent vurige smeekbeden tot Allah verrichtte. Hij zei: “O Allah, als deze groep vandaag vernietigd wordt, zal er niemand meer op aarde zijn om U te aanbidden,” en smeekte met zo’n intense nederigheid en overgave, dat zijn mantel van zijn gezegende schouders op de grond viel. Op dat moment greep Aboe Bakr zijn hand vast en vroeg hem om te stoppen, terwijl hij hem verzekerde dat Allah zeker Zijn belofte zou vervullen. De Profeet stond toen op en begaf zich naar het slagveld.
Hazrat Ibn Arabi stelt hier enkele belangrijke vragen: Was het geloof van Aboe Bakr groter dan dat van de Profeet, omdat hij de Profeet moest aanspreken, zijn hand moest vastpakken en hem eraan moest herinneren dat Allah Zijn belofte nooit zal breken? Kon de Profeet dit zelf niet begrijpen?
Ibn Arabi beantwoordt deze vragen zelf en legt uit dat de kennis van profeet Mohammed over het Opperwezen veel voortreffelijker was dan die van Aboe Bakr. Aboe Bakrs aandacht was volledig gericht op Allah’s eigenschap dat Hij waarachtig is in Zijn beloften en die zeker zal vervullen. De aandacht van de Heilige Profeet daarentegen was gefixeerd op de essentiële aard van de Almachtige – dat Hij volkomen onafhankelijk is en boven alle behoeften van de wereld staat. De Profeet wist dat als de moslimgemeenschap op die dag van de aardbodem zou worden weggevaagd, dit geen enkele invloed zou hebben op Allah. Want als Hij het wenst, kan Hij een soortgelijke gemeenschap doen opstaan, of zelfs een betere dan die. De Profeet was zich dus bewust van Allah’s absolute onafhankelijkheid, een diep begrip dat op dat moment nog niet volledig was doorgedrongen tot hazrat Aboe Bakr.
47. Waarlijk, de schuldigen (mujrimīn) verkeren in dwaling (ḍalāl) en (uiteindelijk zullen zij) de hel (su‘ur) (binnengaan).
Inna-l-mujrimīna fī ḍalālin wa su‘ur.
48. De dag waarop zij op hun gezichten het vuur in zullen worden gesleept. Proef van de aanraking van de hel.
Yauma yusḥabūna fī-l-nāri ‘alā wujūhi-him. Zūqū massa saqar.
Mujrim duidt iemand aan die zijn relatie met Allah heeft verbroken, of iemand tegen wie een aanklacht is ingediend.
Dalāl betekent afdwalen of vernietiging.
Su‘ur betekent branden, of het nu komt door falen of door elke andere oorzaak op deze wereld, of het branden in de hel in het hiernamaals.
Ons wordt verteld dat de schuldigen in dwaling verkeren. Het gevolg van deze dwaling is dat zij het branden zullen moeten ondergaan, een brand die voortkomt uit hun vijandigheid jegens de waarheid en hun uiteindelijke falen in het bereiken van hun doelen.
In het hiernamaals betekent dit branden het branden in het vuur van de hel. Met andere woorden, het innerlijke branden van hun hart en ziel in dit leven zal zich in het hiernamaals manifesteren als een voelbaar vuur. Dit komt omdat zij in dit leven, in hun poging de waarheid uit te roeien, voortdurend het vuur van samenzweringen tegen de gelovigen opstookten. Gedreven door de hitte van hun emoties en verlangens verloren zij al hun rede en wijsheid. In het hiernamaals zal deze innerlijke toestand zich in uiterlijke vorm openbaren. Op dat moment zullen zij beseffen dat het hun eigen verlangens en emoties waren die hen ertoe brachten op hun gezichten naar het vuur te worden gesleept. Hoewel ze in dit leven niet in staat waren deze realiteit te begrijpen of te voelen, zullen hun gevoelens en gewaarwordingen in het hiernamaals scherp en volledig worden. Daarom wordt er tegen hen gezegd: “Proef de aanraking van de hel.” Met andere woorden, het “proeven van de aanraking van de hel” is het onvermijdelijke gevolg van de hel die zij met hun eigen handen in deze wereld creëerden.
49. Waarlijk, Wij hebben elk ding overeenkomstig een maat geschapen.
Innā kulla shai’in khalaqnā-hu bi-qadar.
50. En Ons bevel (amr) is slechts één, als een oogwenk.
Wa mā amru-nā illā wāḥidatun ka-lamḥin bi-l-baṣar.
Amr betekent bevel. Het wordt ook gebruikt voor straf.
Allah maakt ons duidelijk dat het Zijn universele wet is om alles volgens een vooraf bepaalde maat te scheppen. Dit geldt ook voor de middelste opstanding, oftewel de naderende beloofde Goddelijke straf, die een vastgestelde maat kent. Dit principe kan worden vergeleken met een kom die op water drijft. Deze kom heeft een gat waar water gelijkmatig door naar binnen stroomt. Op een gegeven moment zal de kom vollopen en zinken. Op dezelfde manier stapelen de slechtheden van een individu of een gemeenschap zich op, totdat hun “kom” vol is geraakt en zinkt. Wanneer de kom van wreedheid en onrechtvaardigheid volledig gevuld is, heeft deze zijn vastgestelde maat bereikt. Op dat moment zinkt hij in een oogwenk, wat wil zeggen dat hij vergaat door Goddelijke vergelding. Dit toont aan dat er altijd een maat in werking is. Wanneer deze maat zijn vastgestelde termijn bereikt, komt de straf van de Almachtige onmiddellijk. In een oogwenk zal die hele verenigde groep, met al hun macht en prestige, worden weggevaagd.
Ons wordt verteld: “En Ons bevel is slechts één.” Dit betekent dat, zodra het bevel van Allah in gang wordt gezet, het niet kan worden afgewend. Niemand anders dan de Almachtige beschikt over de macht en kracht om dit bevel tegen te houden. Wanneer Allah Zijn bevel uitvaardigt, wordt het in een oogwenk uitgevoerd. De ongelovigen dienen zich daarom te realiseren dat, zodra hun beker van slechtheid begint over te stromen en de Almachtige het bevel voor hun bestraffing uitvaardigt, alles in een ommezien zal gebeuren. Er zal geen seconde uitstel zijn; hun einde zal onmiddellijk en onontkoombaar zijn.
Dit is precies wat er gebeurde. De ongelovigen van Mekka trokken naar Badr met het doel de moslims uit te roeien en de macht van de Qoeraish over heel Arabië te versterken. Maar in een oogwenk werden zij verpletterd en op de knieën gebracht. Bij de slag van Badr werden alle vooraanstaande leiders van Mekka gedood. Er bleef geen huis in die stad gespaard van rouw en verdriet.
Op dezelfde manier, na het vredesverdrag van Hoedaibiyyah, voelden de inwoners van Mekka zich onoverwinnelijk. Twee jaar later, in het achtste jaar na de Hidjra, vielen de Banoe Bakr, bondgenoten van de Qoeraish, onverwachts de Banoe Choeza’a aan, die bondgenoten waren van de moslims. Zij doodden hen genadeloos. Deze schending van het vredesverdrag leidde ertoe dat profeet Mohammed een militaire campagne lanceerde en de stad Mekka binnenviel. Deze inval was zo plotseling en onverwacht dat de Mekkanen van tevoren niet het geringste vermoeden hadden van wat hen te wachten stond. Die avond, toen Aboe Soefyan op het dak van zijn huis stond, zag hij een enorme massa mensen die Mekka omsingelden. Verbaasd vroeg hij aan zijn vrouw wie die mensen waren. Ze giste dat het een terugkerende karavaan was. Maar Aboe Soefyan zei van niet, en zei dat ze niet besefte wat al dat vuur betekende. “Dat is het vuur van tienduizend mensen,” antwoordde hij haar.
De Arabieren hadden de gewoonte om lange loopgraven te graven en vuren te ontsteken waarop zij hun eten kookten. In tijden van oorlog werd er één loopgraaf met vuur gebruikt voor elke duizend soldaten. Toen Aboe Soefyan het aantal vuren telde, kon hij op die manier nauwkeurig het aantal soldaten inschatten.
Aboe Soefyan besloot de stad in te gaan om de situatie verder te onderzoeken. Onderweg ontmoette hij Ibn Abbas, die inmiddels een moslim was geworden. Van hem hoorde hij dat profeet Mohammed een militaire campagne had opgezet als reactie op de schending van het vredesverdrag. Op dat moment begon Aboe Soefyan naar een vluchtweg te zoeken. Tot zijn wanhoop ontdekte hij echter dat elke uitweg versperd was. Uit wanhoop gaf hij zich over aan de Profeet en vroeg om bescherming. Hij aanvaardde ook de islam, waarna de Profeet hem verzekerde dat hij bescherming zou krijgen. Ibn Abbas sprak vervolgens met de Boodschapper en stelde voor dat, aangezien Aboe Soefyan het hoofd van de Mekkanen was, hij met eer behandeld moest worden. De Profeet stemde hiermee in en kondigde aan dat eenieder die zijn toevlucht zocht in het huis van Aboe Soefyan veilig zou zijn. Bovendien verzekerde hij dat iedereen die achter gesloten deuren bleef en geen poging deed de moslims aan te vallen, eveneens veilig zou zijn.
Zo werd Mekka in een oogwenk veroverd, zonder dat iemand het doorhad. Binnen enkele momenten zag de wereld hoe de trotse inwoners van Mekka vernederd en beschaamd voor de Profeet stonden, smekend om vergiffenis.
51. En Wij vernietigden (velen) van jullie gelijkgezinden (of die net zoals jullie zijn), maar is er iemand die er acht op wil slaan?
Wa laqad ahlaknā ashyā‘a-kum fa-hal min muddakir.
Tegen de inwoners wordt gezegd dat Allah in het verleden al volkeren zoals hen heeft vernietigd, volkeren die dezelfde soorten slechtheid begingen. Zij zouden een les moeten trekken uit deze vermaningen en hun slechte handelwijzen moeten opgeven, om zo rampspoed en schande te voorkomen.
52. En elk ding wat zij gedaan hebben staat in de schriften (zubur, d.w.z., het boek der daden).
Wa kullu shai’in fa‘alūhu fī-l-zubur.
53. En elke groot en klein (ding) is opgeschreven.
Wa kullu ṣaghīrin wa kabīrin mustaṭar.
In deze context duidt zubur het boek van daden aan, dat niets erbuiten laat, of het nu groot is of klein.
De verwerpers worden eraan herinnerd dat niets van wat zij doen of zeggen verloren gaat. Elke handeling, hoe klein of groot ook, wordt zorgvuldig in hun boek vastgelegd. En op de dag dat de maat vol is, zullen zij vergaan.
Glorie zij Allah! Wetenschappers hebben tegenwoordig ontdekt dat geen enkel woord of handeling van de mens verloren gaat. Alles wordt bewaard en vastgelegd in het “boek van de natuur”. Als we de middelen hadden om deze vastleggingen van de natuur te ontcijferen, zouden we met grote nauwkeurigheid en tot in detail de volledige wereldgeschiedenis kunnen reconstrueren en lezen. Deze bevindingen zijn inmiddels gepubliceerd in diverse Europese en Amerikaanse kranten en tijdschriften.
Toen deze bevindingen werden gepubliceerd, schreef wijlen Epson, een Britse bekeerling tot de islam en redacteur van de krant The Light, een artikel waarin hij verklaarde dat de dag waarop we toegang krijgen tot de middelen om deze vastleggingen van de natuur te ontcijferen, het einde van het christendom zal inluiden. Hij legde uit dat dit komt omdat de christelijke religie is gebaseerd op een volledig onjuiste historische gebeurtenis: de bewering dat Jezus (vrede zij met hem) werd gekruisigd om de zonden van de mensheid te verzoenen en vervolgens met zijn fysieke lichaam naar de hemel zou zijn opgevaren.
Wanneer men het “boek van de natuur” leest en de ware historische gebeurtenissen worden onthuld – namelijk dat profeet Jezus nooit beweerde de zoon van God te zijn, noch stierf aan het kruis, maar in plaats daarvan uit Palestina ontsnapte en naar Kasjmir reisde op zoek naar de verloren stammen van Israël, waar hij op natuurlijke wijze stierf – wat blijft er dan nog over van het concept van het zoenoffer en de hemelvaart? Dit alles zal onwaar blijken te zijn, wat onvermijdelijk zal leiden tot het einde van de christelijke religie.
Of de mens nu in dit leven de kans krijgt om het “boek van de natuur” te lezen of niet, het boek der menselijke daden is altijd aanwezig bij de Almachtige. Dit boek bevat de gevolgen van daden die op de dag der opstanding aan de mens zullen worden gepresenteerd. Zelfs op deze wereld, tijdens het tijdperk van een wetgevende profeet, worden de gevolgen van daden op kleinere schaal zichtbaar. Dit wordt de “middelste opstanding’ genoemd en dient als bewijs dat daden onvermijdelijk hun gevolgen zullen brengen. Ook op dat moment staat dat boek onder het toeziend oog van de Almachtige. Zij die kwaad doen, krijgen een beloning die past bij hun daden. De onrechtplegers die de Profeet bestrijden, worden vernietigd en vernederd. Aan de andere kant zullen degenen die in de Profeet geloven, naar zijn leer handelen en vroom leven (taqwā), de meest verheven en beste beloningen ontvangen.
Na de straf van de ongelovigen te hebben besproken, vestigt de heilige koran daarom de aandacht op de beloning die in het verschiet ligt voor de vromen (muttaqīn).
54. De rechtschapenen zullen in tuinen en (in) rivieren (of overvloed) (nahar) zijn.
Inna-l-muttaqīna fī jannātin wa nahar.
55. Op een positie van waarheid (ṣidq), bij een almachtige Koning (Malīk).
Fī maq‘adi ṣidqin ‘inda malīkin muqtadir.
Nahar betekent rivieren, als ook overvloed, uitgestrektheid en licht.
Ṣidq betekent oprechtheid, voortreffelijkheid en begerenswaardig.
Malīk is een intensieve vorm die aangeeft dat iemand soevereiniteit en eer bezit. Met andere woorden, Hij is Rabb (Heer) en Mālik (Meester).
Er wordt gezegd dat de rechtschapenen zullen verblijven te midden van tuinen en rivieren, en dat zij de bezitters zullen zijn van overvloed, licht en uitgestrektheid. Maar het meest gekoesterde van alles is dat zij zich in de aanwezigheid van de Soevereine en Machtige Koning van beide werelden zullen bevinden, namelijk Allah. In het hiernamaals bestaat er voor de rechtschapenen geen grotere beloning dan deze nabijheid tot Allah.
Dit is de onvermijdelijke beloning in het hiernamaals voor de vromen. Hun geloof zal de vorm aannemen van tuinen, terwijl hun goede daden de vorm van rivieren zullen aannemen. Net zoals een tuin niet kan bloeien zonder een stromende waterbron, zo kan geloof zonder goede daden niet gedijen. Verder zullen de zegeningen van de Almachtige in het hiernamaals overvloedig zijn. Net zoals in dit leven de overvloed aan levensvoorzieningen comfort, vreugde en weelde brengt, zo zal de mens in het hiernamaals een leven van kalmte en vreugde ontvangen – wat wordt aangeduid als het paradijselijke leven. Hier zal aan hem een overvloed aan voorzieningen en Goddelijke gunsten geschonken worden, in overeenstemming met het vrome leven dat hij op aarde heeft geleid.
Net zoals op deze wereld de nabijheid tot een heerser een bron van trots en eer is, zo zal in het hiernamaals de nabijheid tot Allah de meest gekoesterde van alle zegeningen voor de mens zijn. Naar gelang het niveau van waarheid en oprechtheid van een persoon, zal deze nabijheid tot de Almachtige groots en zeer begeerlijk zijn. Deze nabijheid zal tot een Koning zijn wiens soevereiniteit ongeëvenaard is en wiens macht zijn gelijke niet kent. Het is algemeen bekend dat hoe groter de macht, glorie en status van een koning, hoe meer zijn nabijheid een bron van trots en eer wordt. Wie is er dan die de macht en heerschappij van Allah kan overtreffen?
De beloning voor de rechtschapenen (muttaqīn) is echter niet uitsluitend bestemd voor het hiernamaals. Soms, vooral in de tijd van de Profeet, toen de middelste opstanding plaatsvond, wordt deze beloning ook op deze wereld toegekend. Zo bevindt een ware gelovige zich in deze wereld in een paradijs van innerlijke rust en vrede.
De metgezellen van de Profeet ervoeren, naast deze innerlijke rust, ook tastbare zegeningen. Zij kregen de landen in handen waar de rivieren de Tigris, de Eufraat en de Nijl doorheen stromen – rivieren die de Profeet “rivieren van het paradijs” noemde. Deze profetie verwees naar de beloning van het hiernamaals, maar ook naar de wereldse beloning die aan de metgezellen zou worden toegekend voor hun goede daden en opofferingen. Deze heerschappij strekte zich uit van Turkestan tot Egypte, en de overvloed aan rijkdom was ongekend. De schatten van Caesar en Chosroe lagen aan hun voeten. Maar boven alles was de grootste zegen die zij ontvingen de nabijheid van God, de Machtige Koning.
De hervormer (mujaddid) van deze tijd, Mirza Ghulam Ahmad, placht te zeggen dat sommige mensen trots zijn op hun rijkdom, anderen op hun macht, en weer anderen op hun eer en aanzien. Maar de bron van onze trots, is dat onze God almachtig is. Hij heeft macht over alle zaken. Daarom heeft degene die dicht bij zo’n God staat alle recht om trots te zijn. Allah’s soevereiniteit is zo immens dat niets – noch het grootste, noch het kleinste deeltje – buiten Zijn heerschappij valt. Dicht bij zo’n Koning te zijn, is een zegen die de menselijke verbeelding ver te boven gaat. Dit is de positie waarin, wanneer een mens die heeft bereikt, zowel het materiële als het spirituele rijk onbeduidend voor hem lijken, zoals de hervormer van onze tijd, Mirza Ghulam Ahmad, placht te zeggen. Hij heeft dan een staat bereikt waarin wereldse zaken en gehechtheden, maar ook de hemelse zegeningen, onbelangrijk zijn in vergelijking met de oneindige majesteit van de nabijheid van Allah.
“Geliefden verzaken beide werelden voor een glimp van Uw aangezicht,
Beide werelden vervagen in het licht van Uw jeugdige schittering.” (Perzisch gedicht)


