Dutch Commentary on Chapter 56 (Al-Waqiah — The Event) of the Holy Quran

by Dr. Basharat Ahmad

Translated into Dutch by Reza Ghafoerkhan from the English translation by Imam Kalamazad Mohammed

اِذَا وَقَعَتِ الۡوَاقِعَۃُ ۙ﴿۱﴾ لَیۡسَ لِوَقۡعَتِہَا کَاذِبَۃٌ ۘ﴿۲﴾ خَافِضَۃٌ رَّافِعَۃٌ ۙ﴿۳﴾ اِذَا رُجَّتِ الۡاَرۡضُ رَجًّا ۙ﴿۴﴾ وَّ بُسَّتِ الۡجِبَالُ بَسًّا ۙ﴿۵﴾ فَکَانَتۡ ہَبَآءً مُّنۡۢبَثًّا ۙ﴿۶﴾ وَّ کُنۡتُمۡ اَزۡوَاجًا ثَلٰثَۃً ؕ﴿۷﴾ فَاَصۡحٰبُ الۡمَیۡمَنَۃِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الۡمَیۡمَنَۃِ ؕ﴿۸﴾ وَ اَصۡحٰبُ الۡمَشۡـَٔمَۃِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الۡمَشۡـَٔمَۃِ ؕ﴿۹﴾ وَ السّٰبِقُوۡنَ السّٰبِقُوۡنَ ﴿ۚۙ۱۰﴾ اُولٰٓئِکَ الۡمُقَرَّبُوۡنَ ﴿ۚ۱۱﴾ فِیۡ جَنّٰتِ النَّعِیۡمِ ﴿۱۲﴾ ثُلَّۃٌ مِّنَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۙ۱۳﴾ وَ قَلِیۡلٌ مِّنَ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ؕ۱۴﴾ عَلٰی سُرُرٍ مَّوۡضُوۡنَۃٍ ﴿ۙ۱۵﴾ مُّتَّکِـِٕیۡنَ عَلَیۡہَا مُتَقٰبِلِیۡنَ ﴿۱۶﴾ یَطُوۡفُ عَلَیۡہِمۡ وِلۡدَانٌ مُّخَلَّدُوۡنَ ﴿ۙ۱۷﴾ بِاَکۡوَابٍ وَّ اَبَارِیۡقَ ۬ۙ وَ کَاۡسٍ مِّنۡ مَّعِیۡنٍ ﴿ۙ۱۸﴾ لَّا یُصَدَّعُوۡنَ عَنۡہَا وَ لَا یُنۡزِفُوۡنَ ﴿ۙ۱۹﴾ وَ فَاکِہَۃٍ مِّمَّا یَتَخَیَّرُوۡنَ ﴿ۙ۲۰﴾ وَ لَحۡمِ طَیۡرٍ مِّمَّا یَشۡتَہُوۡنَ ﴿ؕ۲۱﴾ وَ حُوۡرٌ عِیۡنٌ ﴿ۙ۲۲﴾ کَاَمۡثَالِ اللُّؤۡلُؤَ الۡمَکۡنُوۡنِ ﴿ۚ۲۳﴾ جَزَآءًۢ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۴﴾ لَا یَسۡمَعُوۡنَ فِیۡہَا لَغۡوًا وَّ لَا تَاۡثِیۡمًا ﴿ۙ۲۵﴾ اِلَّا قِیۡلًا سَلٰمًا سَلٰمًا ﴿۲۶﴾ وَ اَصۡحٰبُ الۡیَمِیۡنِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕ۲۷﴾ فِیۡ سِدۡرٍ مَّخۡضُوۡدٍ ﴿ۙ۲۸﴾ وَّ طَلۡحٍ مَّنۡضُوۡدٍ ﴿ۙ۲۹﴾ وَّ ظِلٍّ مَّمۡدُوۡدٍ ﴿ۙ۳۰﴾ وَّ مَآءٍ مَّسۡکُوۡبٍ ﴿ۙ۳۱﴾ وَّ فَاکِہَۃٍ کَثِیۡرَۃٍ ﴿ۙ۳۲﴾ لَّا مَقۡطُوۡعَۃٍ وَّ لَا مَمۡنُوۡعَۃٍ ﴿ۙ۳۳﴾ وَّ فُرُشٍ مَّرۡفُوۡعَۃٍ ﴿ؕ۳۴﴾ اِنَّاۤ اَنۡشَاۡنٰہُنَّ اِنۡشَآءً ﴿ۙ۳۵﴾ فَجَعَلۡنٰہُنَّ اَبۡکَارًا ﴿ۙ۳۶﴾ عُرُبًا اَتۡرَابًا ﴿ۙ۳۷﴾ لِّاَصۡحٰبِ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕ٪۳۸﴾ ثُلَّۃٌ مِّنَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۙ۳۹﴾ وَ ثُلَّۃٌ مِّنَ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ؕ۴۰﴾ وَ اَصۡحٰبُ الشِّمَالِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الشِّمَالِ ﴿ؕ۴۱﴾ فِیۡ سَمُوۡمٍ وَّ حَمِیۡمٍ ﴿ۙ۴۲﴾ وَّ ظِلٍّ مِّنۡ یَّحۡمُوۡمٍ ﴿ۙ۴۳﴾ لَّا بَارِدٍ وَّ لَا کَرِیۡمٍ ﴿۴۴﴾ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَبۡلَ ذٰلِکَ مُتۡرَفِیۡنَ ﴿ۚۖ۴۵﴾ وَ کَانُوۡا یُصِرُّوۡنَ عَلَی الۡحِنۡثِ الۡعَظِیۡمِ ﴿ۚ۴۶﴾ وَ کَانُوۡا یَقُوۡلُوۡنَ ۬ۙ اَئِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا وَّ عِظَامًا ءَاِنَّا لَمَبۡعُوۡثُوۡنَ ﴿ۙ۴۷﴾ اَوَ اٰبَآؤُنَا الۡاَوَّلُوۡنَ ﴿۴۸﴾ قُلۡ اِنَّ الۡاَوَّلِیۡنَ وَ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ۙ۴۹﴾ لَمَجۡمُوۡعُوۡنَ ۬ۙ اِلٰی مِیۡقَاتِ یَوۡمٍ مَّعۡلُوۡمٍ ﴿۵۰﴾ ثُمَّ اِنَّکُمۡ اَیُّہَا الضَّآلُّوۡنَ الۡمُکَذِّبُوۡنَ ﴿ۙ۵۱﴾ لَاٰکِلُوۡنَ مِنۡ شَجَرٍ مِّنۡ زَقُّوۡمٍ ﴿ۙ۵۲﴾ فَمَالِـُٔوۡنَ مِنۡہَا الۡبُطُوۡنَ ﴿ۚ۵۳﴾ فَشٰرِبُوۡنَ عَلَیۡہِ مِنَ الۡحَمِیۡمِ ﴿ۚ۵۴﴾ فَشٰرِبُوۡنَ شُرۡبَ الۡہِیۡمِ ﴿ؕ۵۵﴾ ہٰذَا نُزُلُہُمۡ یَوۡمَ الدِّیۡنِ ﴿ؕ۵۶﴾ نَحۡنُ خَلَقۡنٰکُمۡ فَلَوۡ لَا تُصَدِّقُوۡنَ ﴿۵۷﴾ اَفَرَءَیۡتُمۡ مَّا تُمۡنُوۡنَ ﴿ؕ۵۸﴾ ءَاَنۡتُمۡ تَخۡلُقُوۡنَہٗۤ اَمۡ نَحۡنُ الۡخٰلِقُوۡنَ ﴿۵۹﴾ نَحۡنُ قَدَّرۡنَا بَیۡنَکُمُ الۡمَوۡتَ وَ مَا نَحۡنُ بِمَسۡبُوۡقِیۡنَ ﴿ۙ۶۰﴾ عَلٰۤی اَنۡ نُّبَدِّلَ اَمۡثَالَکُمۡ وَ نُنۡشِئَکُمۡ فِیۡ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۱﴾ وَ لَقَدۡ عَلِمۡتُمُ النَّشۡاَۃَ الۡاُوۡلٰی فَلَوۡ لَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۶۲﴾ اَفَرَءَیۡتُمۡ مَّا تَحۡرُثُوۡنَ ﴿ؕ۶۳﴾ ءَاَنۡتُمۡ تَزۡرَعُوۡنَہٗۤ اَمۡ نَحۡنُ الزّٰرِعُوۡنَ ﴿۶۴﴾ لَوۡ نَشَآءُ لَجَعَلۡنٰہُ حُطَامًا فَظَلۡتُمۡ تَفَکَّہُوۡنَ ﴿۶۵﴾ اِنَّا لَمُغۡرَمُوۡنَ ﴿ۙ۶۶﴾ بَلۡ نَحۡنُ مَحۡرُوۡمُوۡنَ ﴿۶۷﴾ اَفَرَءَیۡتُمُ الۡمَآءَ الَّذِیۡ تَشۡرَبُوۡنَ ﴿ؕ۶۸﴾ ءَاَنۡتُمۡ اَنۡزَلۡتُمُوۡہُ مِنَ الۡمُزۡنِ اَمۡ نَحۡنُ الۡمُنۡزِلُوۡنَ ﴿۶۹﴾ لَوۡ نَشَآءُ جَعَلۡنٰہُ اُجَاجًا فَلَوۡ لَا تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۰﴾ اَفَرَءَیۡتُمُ النَّارَ الَّتِیۡ تُوۡرُوۡنَ ﴿ؕ۷۱﴾ ءَاَنۡتُمۡ اَنۡشَاۡتُمۡ شَجَرَتَہَاۤ اَمۡ نَحۡنُ الۡمُنۡشِـُٔوۡنَ ﴿۷۲﴾ نَحۡنُ جَعَلۡنٰہَا تَذۡکِرَۃً وَّ مَتَاعًا لِّلۡمُقۡوِیۡنَ ﴿ۚ۷۳﴾ فَسَبِّحۡ بِاسۡمِ رَبِّکَ الۡعَظِیۡمِ ﴿٪ؓ۷۴﴾ فَلَاۤ اُقۡسِمُ بِمَوٰقِعِ النُّجُوۡمِ ﴿ۙ۷۵﴾ وَ اِنَّہٗ لَقَسَمٌ لَّوۡ تَعۡلَمُوۡنَ عَظِیۡمٌ ﴿ۙ۷۶﴾ اِنَّہٗ لَقُرۡاٰنٌ کَرِیۡمٌ ﴿ۙ۷۷﴾ فِیۡ کِتٰبٍ مَّکۡنُوۡنٍ ﴿ۙ۷۸﴾ لَّا یَمَسُّہٗۤ اِلَّا الۡمُطَہَّرُوۡنَ ﴿ؕ۷۹﴾ تَنۡزِیۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۰﴾ اَفَبِہٰذَا الۡحَدِیۡثِ اَنۡتُمۡ مُّدۡہِنُوۡنَ ﴿ۙ۸۱﴾ وَ تَجۡعَلُوۡنَ رِزۡقَکُمۡ اَنَّکُمۡ تُکَذِّبُوۡنَ ﴿۸۲﴾ فَلَوۡ لَاۤ اِذَا بَلَغَتِ الۡحُلۡقُوۡمَ ﴿ۙ۸۳﴾ وَ اَنۡتُمۡ حِیۡنَئِذٍ تَنۡظُرُوۡنَ ﴿ۙ۸۴﴾ وَ نَحۡنُ اَقۡرَبُ اِلَیۡہِ مِنۡکُمۡ وَ لٰکِنۡ لَّا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۸۵﴾ فَلَوۡ لَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ غَیۡرَ مَدِیۡنِیۡنَ ﴿ۙ۸۶﴾ تَرۡجِعُوۡنَہَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۸۷﴾ فَاَمَّاۤ اِنۡ کَانَ مِنَ الۡمُقَرَّبِیۡنَ ﴿ۙ۸۸﴾ فَرَوۡحٌ وَّ رَیۡحَانٌ ۬ۙ وَّ جَنَّتُ نَعِیۡمٍ ﴿۸۹﴾ وَ اَمَّاۤ اِنۡ کَانَ مِنۡ اَصۡحٰبِ الۡیَمِیۡنِ ﴿ۙ۹۰﴾ فَسَلٰمٌ لَّکَ مِنۡ اَصۡحٰبِ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕ۹۱﴾ وَ اَمَّاۤ اِنۡ کَانَ مِنَ الۡمُکَذِّبِیۡنَ الضَّآلِّیۡنَ ﴿ۙ۹۲﴾ فَنُزُلٌ مِّنۡ حَمِیۡمٍ ﴿ۙ۹۳﴾ وَّ تَصۡلِیَۃُ جَحِیۡمٍ ﴿۹۴﴾ اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ حَقُّ الۡیَقِیۡنِ ﴿ۚ۹۵﴾ فَسَبِّحۡ بِاسۡمِ رَبِّکَ الۡعَظِیۡمِ ﴿٪۹۶﴾

In naam van Allah, de Weldadige, de Genadige. 1. Wanneer datgene wat zal gebeuren, geschieden zal. 2. Er is geen ontkenning dat zij zal geschieden. 3. (Sommigen) te gronde richtend, (anderen) verheffend . 4. Wanneer de aarde geschud wordt door een hevige beving. 5. En de bergen uiteenvallen, in stukjes brekend. 6. Zodat zij stof worden, in de lucht geworpen. 7. En u zult in drie groepen verdeeld zijn. 8. Gezegend zijn derhalve de gezegenden— hoe voortreffelijk is hun toestand! 9. En ongelukkig zijn de ongelukkigen — hoe ellendig is hun toestand! 10. En degenen die vooruitgaan zijn de meest vooraanstaande. 11. Dit zijn degenen die nabij zijn gebracht. 12. In Tuinen van zegeningen . 13. Een groot aantal uit het midden van de eersten. 14. En enkelen uit het midden van degenen uit latere tijden. 15. Zittend op tronen versierd met goud. 16. Achterover liggend op kussens, naar elkaar toegewend. 17. Om hen zullen jongelingen rondgaan, altijd in dezelfde staat. 18. Met drinkbekers en kruiken, en kommen met overlopend water. 19. Zij krijgen hiervan geen hoofdpijn, noch raken zij bedwelmd. 20. En vruchten naar hun keuze. 21. En vlees van gevogelte, waar zij naar verlangen. 22. En vrouwen met lichte huid en mooie ogen. 23. Gelijk goed bewaarde parels. 24. (Als) een beloning voor wat zij plachten te doen. 25. Zij horen daarin geen ijdel gepraat noch zondige taal. 26. Maar slechts één woord: vrede, vrede! 27. En de gezegenden — hoe voortreffelijk is de staat van de gezegenden. 28. Zij zullen temidden van doornloze sidr-bomen verkeren. 29. En bananen, laag op laag (vruchtdragend). 30. En lange schaduw. 31. En stromend water. 32. En een overvloed aan vruchten. 33. Noch onderbroken, noch (wordt iemand daarvan) afgehouden. 34. En verheven rustbanken. 35. Wij hebben hen in een nieuwe schepping voortgebracht. 36. En hen tot jonge maagden gemaakt. 37. Liefdevol, van gelijke leeftijd. 38. Voor de gezellen ter rechterzijde. 39. Een talrijke groep van de eerste generaties. 40. En een talrijke groep uit de latere generaties. 41. En de gezellen ter linkerzijde – hoe beklagenswaardig is de toestand van de gezellen ter linkerzijde! 42. In verzengende wind en kokend water. 43. En in schaduw van zwarte rook. 44. Noch koel, noch eervol. 45. Waarlijk gedroegen zij zich hoogmoedig in hun toestand van gemak. 46. En zij volhardden in de grote overtreding. 47. En zij plachten te zeggen: Wanneer wij sterven en vergaan tot stof en botten, zullen wij dan echt opgewekt worden? 48. En onze voorvaderen van vroeger ook? 49. Zeg: waarlijk, de eersten en de laatsten. 50. Zullen zeker verzameld worden op de vastgestelde tijd van een bekende Dag. 51. Dan zult u, o u die dwaalden en loochenden. 52. Zeker van de boom van Zaqqūm eten. 53. Dan zult u uw buiken ermee vullen. 54. Dan zult u kokend water drinken. 55. En zult u drinken als dorstige kamelen. 56. Dit is hun onthaal op de Dag des Oordeels. 57. Wij hebben u geschapen, waarom aanvaardt u dan niet de waarheid? 58. Welnu, ziet u de levenskiem die u afscheidt? 59. Bent u het die dit schept, of zijn Wij de Scheppers? 60. Wij hebben de dood onder u verordend en Wij zullen niet overwonnen worden. 61. Opdat Wij uw toestand veranderen en u voortbrengen in een ander bestaan waar u geen weet van heeft. 62. En voorzeker kent u de eerste schepping; waarom slaat u (er) dan geen acht (op)? 63. Heeft u beschouwd wat u zaait? 64. Bent u het die het doet groeien, of zijn Wij de Veroorzakers van de groei? 65. Als het Ons had behaagd, zouden Wij er kaf van maken — dan zou u klagen. 66. Waarlijk, wij zijn met verlies beladen. 67. Nee, wij zijn beroofd. 68. Heeft u het water beschouwd dat u drinkt? 69. Bent u het die het naar beneden brengt uit de wolken, of zijn Wij het die het naar beneden brengen? 70. Als het Ons had behaagd, hadden Wij het zilt gemaakt; waarom zegt u dan geen dank? 71. Heeft u het vuur gezien dat u ontsteekt? 72. Heeft u de bomen daarvan geschapen, of zijn Wij de Schepper? 73. Wij hebben het tot een vermaning gemaakt en tot een voorziening voor de reizigers. 74. Verheerlijk dus de naam van uw Heer, de Grote. 75. (Zo) niet! Ik zweer bij de posities van de sterren. 76. En dit zeker een zeer grote eed, indien u kennis bezit. 77. Waarlijk, dit is een grootse koran. 78. In een beschermd boek. 79. Dat niemand aanraakt behalve de gezuiverden. 80. Neergezonden door de Heer der werelden. 81. Loochent u dan (ook) deze aankondiging? 82. En hebt u het tot uw deel gemaakt dat u blijft loochenen? 83. Waarom is het dan niet, wanneer het de keel bereikt. 84. En u op dat ogenblik toekijkt. 85. En Wij zijn hem naderbij dan u, maar u ziet het niet. 86. Waarom dan — indien u niet aan enig gezag onderworpen bent — 87. Doet u haar niet terugkeren, indien u waarheidlievend bent? 88. Dan, als hij tot degenen behoort die nabij gebracht zijn. 89. Dan is er rust en een onderhoud en een tuin van gelukzaligheid. 90. En indien hij behoort tot de gezegenden. 91. Vrede is er dan voor u; uit het midden van de gezegenden. 92. En indien hij behoort tot de degenen die loochenen, de dwalenden. 93. Dan is zijn onthaal kokend water. 94. En het branden in de hel 95. Waarlijk, dit is een zekere waarheid. 96. Verheerlijk dus de naam van uw Heer, de Grote.


Inleiding

Dit hoofdstuk werd in Mekka geopenbaard, ongeveer in dezelfde periode als het hoofdstuk Al-Raḥmān (De Weldadige), en behandelt hetzelfde onderwerp dat we in de laatste twee paragrafen van Al-Rahmān zagen. Het schetst een nog levendiger beeld van het uur van vergelding en levert nog meer argumenten om dit te onderbouwen. Hierdoor wordt het nog steviger in de gedachten van de mens geprent dat dit werkelijk waar is. Want hoe sterker onze overtuiging is over de beloning en straf voor onze daden en over onze verantwoordelijkheid en rekenschap, hoe alerter we worden en hoe meer vooruitgang we boeken in zuiverheid en rechtschapenheid.


Paragraaf 1

1. Wanneer datgene wat zal gebeuren, geschieden zal.

Idhā waqa‘ati-l-wāqi‘ah

2. Er is geen ontkenning dat zij geschieden zal.

Laisa li-waq‘ati-hā kādhibah

Wāqi‘ah betekent ‘datgene wat zal gebeuren’. Dit verwijst naar het moment waarop beloning en straf zullen worden uitgedeeld op basis van onze daden.

Kāzibah (ontkenning) wordt hier gebruikt als werkwoordelijk zelfstandig naamwoord en is zo gekozen om de betekenis te intensiveren. Dit benadrukt dat het absoluut en op geen enkele manier onwaar is.

Hoewel het hier primair verwijst naar de Dag der Opstanding, omvat het ook de momenten van vergelding door Allah, de Allerhoogste, in dit leven. In het bijzonder geldt dit voor de tijd van de heilige profeet Mohammed (vrede en zegeningen zij met hem), toen Allah op verkleinde schaal een beeld onthulde van de grote Dag der Opstanding. Dit wordt de ‘middelste opstanding’ genoemd, terwijl de dood van een persoon wordt aangeduid als de ‘kleine opstanding’. In dit leven wordt een miniatuurbeeld gegeven als bewijs dat elke daad zijn eigen gevolgen met zich meebrengt en dat er een toekomstig leven bestaat waarin een volmaakte manifestatie van onze daden zichtbaar zal zijn. Dit moment wordt de Grote Opstanding genoemd.

De duidelijke conclusie hieruit is dat als de voorspelling van een belofte van vergelding in dit leven daadwerkelijk werd vervuld, waarom zou dan de voorspelling van een vergelding in het volgende leven – waarin beloning en straf voor respectievelijk goede en slechte daden plaatsvinden – niet ook waar zijn? Vandaar dat, wanneer het beloofde uur van vergelding aanbreekt, een gebeurtenis waaraan geen zweem van onwaarheid kleeft, dit het tafereel zal zijn dat in het leven zal worden geroepen:


3. (Sommigen) te gronde richtend, (anderen) verheffend.

Khāfiḍatun rāfi‘ah

4. Wanneer de aarde geschud wordt met een hevige beving.

Idhā rujjati-l-arḍu rajjan

5. En de bergen uiteenvallen, in stukjes brekend.

Wa bussati-l-jibālu bassan

6. Zodat zij stof worden, in de lucht geworpen.

Fa kānat habā’an munbaththan

Khāfiḍah betekent ‘verlagen’, wat inhoudt dat slechte individuen of zondige gemeenschappen te schande worden gemaakt maken en tot nederigheid worden gebracht.

Rāfi`ah betekent ‘verheffen’, wat inhoudt dat rechtschapen mensen gemeenschappen geëerd en verheven zullen worden.

Rujjati is afgeleid van rajja, wat betekent ‘iets krachtig schudden’ of ‘in beroeringbrengen’.

Bussati is afgeleid van bassa, want betekent ‘in kleine stukjes breken’.

Habā’ betekent kleine stofdeeltjes die zichtbaar worden in een zonnestraal die door een raam of een opening valt.

Munbathth is afgeleid van baththa, wat betekent ‘verspreid’ of ‘verstrooid’.

Na een beeld te hebben geschetst van de Dag der Opstanding, maakt Allah, de Meest Hoge, ons duidelijk dat het belangrijkste punt dat dan aan het licht zal komen, en dat onze nauwlettende aandacht verdient, is dat op die dag één groep vernederd zal worden, terwijl een andere groep verheven zal worden. Degenen die geen acht sloegen op de wetten van Allah en de ongehoorzamen die de waarheid verwierpen, zullen als gevolg van hun wandaden een schandelijke straf ondergaan. Aan de andere kant zullen degenen die gehoorzaamden aan de wetten van Allah en zich daar standvastig aan vasthielden, op die dag verheven worden en zegevieren.

Dit beeld zal volmaakt zichtbaar zijn op de Dag der Opstanding. Maar Allah, de Meest Hoge, heeft ons ook in dit leven een voorbeeld hiervan gegeven, zij het kleinschalig. Dit kwam het duidelijkst tot uiting tijdens het leven van de heilige Profeet, beginnend bij de slag van Badr en eindigend met de verovering van Mekka, wat wordt beschouwd als de middelste opstanding. Zonder enige twijfel heeft Allah de realiteit van het feit benadrukt dat wie gehoorzaam is aan Zijn wet, beloond zal worden met zege en eer, terwijl degenen die Hem verwerpen en ongehoorzaam zijn, nederlaag en schande zullen ondergaan.

Is dit niet een voldoende bewijs dat onze handelingen onvermijdelijk gevolgen hebben? En als deze gevolgen, in algemene zin, niet volledig in dit leven zichtbaar worden, is het dan niet noodzakelijk dat er een andere wereld moet bestaan waarin de gevolgen van onze daden onmiskenbaar zichtbaar zullen worden?

Aangezien er in deze stoffelijke wereld een sluier over de ogen van de mens is getrokken, wordt hem verteld dat het leven dat hij leidt vergankelijk is. Toch zal deze aarde op een dag een hevige schudding ondergaan, die de bergen zal in stukken zal verbrijzelen en ze als stof de lucht in zal werpen. Daarna zal een nieuwe wereld worden gevestigd.

Op precies dezelfde manier zou, zoals in de tijd van Mohammed, de Boodschapper van Allah, het hele land van Arabië een enorme omwenteling doormaken. Eerst zou het land worden getroffen door een golf van rampen en oorlogen, waardoor degenen die zichzelf vanwege hun enorme trots als onwankelbare bergen zagen, volledig zouden worden weggevaagd. Na deze ingrijpende veranderingen zou Arabië volledig transformeren en zou er een nieuwe wereld ontstaan. Een wereld die voorheen in de greep was van afgoderij, zou getuigen hoe de aanbidding van één God wortel schoot. Een wereld waarin diefstal, roverij, moord, ontucht, zedeloosheid, onbeschaafdheid en barbaarsheid overheersten, zou plaatsmaken voor een samenleving waarin vroomheid, eerlijkheid, reinheid en de aanbidding van één God de boventoon voerden. En dit alles zou gebeuren omdat daden hun gevolgen hebben.

Net zoals het land en de hemel van Arabië veranderden, zo zal na de grote aardbeving op de Dag des Oordeels de hele wereld getransformeerd worden. De verandering die in Arabië plaatsvond, was slechts een voorbeeld van de gevolgen van daden en een teken van een grotere werkelijkheid. Uiteindelijk zal deze aarde zo hevig worden geschud en zullen haar bergen zo fijn als stof uiteenvallen, dat de hele orde van het bestaan opnieuw vorm zal worden gegeven en een nieuwe wereld zal ontstaan. Daar zullen de daden van mensen hun volledige uitwerking krijgen, en zal de mensheid in drie verschillende groepen worden verdeeld, zoals wordt verkondigd:


7. En u zult in drie groepen verdeeld zijn.

Wa kuntum azwājan thalāthah

Deze drie groepen zijn dezelfde als die genoemd werden in het vorige hoofdstuk, Al-Raḥmān, namelijk:

  1. al-sābiqūn – de voorsten,
  2. aṣḥābu-l-maimana – de gezellen ter rechterzijde,
  3. aṣḥābu-l-mash’ama – de gezellen ter linkerzijde.

De eerste twee groepen behoren tot de bewoners van het Paradijs, terwijl de laatste groep bestaat uit de bewoners van de hel.

In mijn toelichting op de laatste paragraaf van soera Al-Raḥmān heb ik al uitgelegd dat deze drie indelingen overeenkomen met de drie toestanden van de ziel van de mens:

  1. De ziel in rust (nafs al-muṭma’inna),
  2. De zelfbeschuldigende ziel (nafs al-lawwāma),
  3. De ziel die kwaad gebiedt (nafs al-ammāra).

Degenen van wie de zielen zich in rust bevinden (nafs al-muṭma’inna), zijn de mensen die uitblinken in het verwerven van alle vormen van goedheid. Voor hen is het zo natuurlijk geworden om Allah te gehoorzamen, dat deugdzaamheid spontaan uit hen voortvloeit, zonder moeite of geforceerde inspanning. Of ze nu een bevel van de wet (sharī‘ah) opvolgen of Allah’s lotsbeschikking (taqdīr) aanvaarden, ze gehoorzamen niet alleen gewillig, maar ervaren daarbij zelfs ook vreugde en voldoening. Dit zijn degenen die behoren tot al-sābiqūn al-muqarrabūn (de meest vooraanstaande en degenen die het dichtst bij Allah staan).

De mensen die zich in de tweede toestand bevinden, namelijk die van de zelfbeschuldigende ziel (nafs al-lawwāma), zijn degenen bij wie de innerlijke strijd met Satan nog steeds voortduurt. Ze streven ernaar gehoorzaam te blijven aan Allah de Almachtige, maar moeten voortdurend vechten tegen hun fysieke begeerten en dierlijke driften. Meestal hebben ze de overhand in deze strijd, maar soms kunnen ze bezwijken en wankelen. Wanneer ze dan de een fout begaan, berispt hun eigen ziel hen en brengt hen tot berouw. Als op het moment van afrekening hun goede daden zwaarder wegen dan hun zonden, dan zullen zij bewoners van het Paradijs worden.

Op het derde en laagste niveau, dat van de ziel die kwaad gebiedt (nafs al-ammāra), bevinden zich degenen die, in plaats van zich te onderwerpen aan de bevelen van Allah, de Meest Hoge, slaven zijn van hun aardse begeerten en lage impulsen. Wanneer er een vonkje goedheid in hun harten opkomt, wordt het al snel overspoeld door de vloedgolf van hun dierlijke driften. Net zoals de mensen dus in drie soorten zijn verdeeld op basis van hun daden, zo heeft ook de heilige koran de mensen, wat betreft de gevolgen van hun daden, in drie klassen ingedeeld, zoals in de volgende verzen wordt toegelicht.


8. Gezegend zijn derhalve de gezegenden — hoe voortreffelijk is hun toestand!

Fa-aṣḥābu-l-maimanati mā aṣḥābu-l-maimanah

9. En ongelukkig zijn de ongelukkigen — hoe beklagenswaardig is hun toestand!

Wa aṣḥābu-l-mash’amati mā aṣḥābu-l-mash’amah

Het woord mā (hoe) wordt gebruikt om ontzag uit te drukken.

Maimana is afgeleid van yumn, wat ‘zegeningen’ betekent Aṣḥābu-l-maymana zijn dus die personen wiens goede daden hen zegeningen hebben doen ontvangen. Een andere betekenis van maimana is ‘rechterhand’.

Mash’ama is afgeleid van het woord shu’m, dat ‘tegenspoed’ of ‘ellende’ betekent. Het staat tegenover yumn, wat ‘zegening’ symboliseert. De term aṣḥābu-l-mash’ama verwijst naar mensen wiens slechte daden hen tegenslagen en rampspoed hebben gebracht. Deze uitdrukking wordt ook wel vertaald als ‘gezellen van de linkerhand’, omdat de linkerhand in figuurlijke zin vaak met ongeluk wordt geassocieerd. De rechterhand daarentegen staat symbool voor voorspoed en geluk.

Welke betekenis men ook toekent aan de ‘rechterhand’ of ‘linkerhand’, we kunnen concluderen dat degenen die goede daden verrichten – aangespoord door de ‘zelfbeschuldigende ziel’ – aan de rechterzijde zullen staan in het hof van de Almachtige. Aan de andere kant zullen degenen die gehoor gaven aan de kwade suggesties van de ‘ziel die kwaad gebiedt’, zich aan de linkerkant bevinden in het hof van Allah, de Meest Verhevene. Zelfs in de rechtbanken van deze wereld zien we misdadigers traditioneel aan de linkerkant staan.


10. En degenen die vooruitgaan zijn de meest vooraanstaande.

Wa-l-sābiqūna-l-sābiqūn

11. Dit zijn degenen die nabij zijn gebracht (in Allah’s aanwezigheid).

Ulā’ika-l-muqar-rabūn

Sābiqūn (afgeleid van sabaqa, wat ‘voorop liggen’ of ‘vooruitgaan’ betekent) verwijst naar degenen die uitblonken in het verrichten van goede daden en daarom vooraan zullen staan in het hof van Allah. En waarom ook niet? Het is immers niet meer dan passend dat zij die in deugdzaamheid uitmuntten, voorrang krijgen in de aanwezigheid van de Almachtige. De heilige koran bevestigt dat zij dicht bij Allah zullen worden gebracht. Met andere woorden, zij zullen in Zijn hof een positie van eer en nabijheid krijgen. Dit zijn de geëerde personen van de hoogste graad—de staat van ‘de ziel in rust’.


12. In Tuinen van zegeningen.

Fī jannāti-l-na‘īm

13. Een groot aantal uit het midden van de eersten.

Thullatun mina-l-awwalīn

14. En enkelen uit het midden van degenen uit latere tijden.

Wa qalīlun mina-l-ākhirīn

Thullah betekent een ‘groep’. Volgens sommigen wordt het specifiek gebruikt voor een grote gemeenschap.

Jannati-l-na‘īm betekent ‘tuinen van zegeningen’, en dit wordt later uitgelegd.

Maar hiervoor zegt de heilige koran dat de voorsten (sābiqūn) grotendeels zullen bestaan uit een zeer grote gemeenschap van degenen die al zijn heengegaan, terwijl slechts een klein aantal tot de latere generaties zal behoren. Dit roept een vraag op: waarom worden de tuinen van zegeningen hier genoemd, samen met de voorsten die dichtbij Allah zijn gebracht? Logischerwijs zou je verwachten dat de tuinen van zegeningen worden vermeld op een plaats waar ze nader worden toegelicht, en niet juist hier.

De reden hiervoor is dat de gelukkige bezitters van de ‘ziel in rust’ – of ze zich nu in deze wereld bevinden, in het Hiernamaals, of op de Dag der Opstanding – altijd de geneugten ervaren die horen bij een tuin van geluk. Nooit zijn ze van deze tuin gescheiden. Zelfs in dit leven zien we dat degenen die aan het hoofd staan van een gerechtshof of een koninklijk hof, altijd een positie van eer, vrede en vreugde innemen. Op dezelfde manier zullen degenen die ‘nabij zijn gebracht’, of het nu in dit leven is of in het volgende, nooit gescheiden zijn van hun tuin. Ook in het hof van Allah zullen ze zich in een tuin bevinden. Dit is de reden waarom, wanneer over hen gesproken wordt, ook altijd de ‘tuinen van gelukzaligheid’ worden genoemd. Met andere woorden: zij en de tuinen van geluk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Dit wordt in de hadith uitgelegd met de woorden: “Zij zullen zich onder de schaduw van Allah’s ‘Arsh (Troon) bevinden.” Dit betekent dat zij in een koninkrijk van vrede zullen verblijven. En is er een nog mooiere tuin van gelukzaligheid dan die waarin een mens, zelfs op die vreselijke dag van afrekening, vrede en gemoedsrust ervaart en een erepositie inneemt?

Met betrekking tot de aanwezigheid van de voorsten aan het hof van Allah, wordt er gezegd dat er velen zullen zijn uit vroegere tijden en enkelen uit latere tijden. Wie zijn de awwalīn, nl. de eersten van de vorige generaties? De koran heeft zelf antwoord op deze vraag gegeven in een ander vers:

“En de voorsten, de eersten van de Emigranten en de Helpers, …” (9:100)

De eersten zijn dus de Muhājirīn (Emigranten) en de Anṣār (Helpers). Dit komt doordat de graad van opoffering die zij in de vroege dagen van de islam toonden, nooit later door anderen is geëvenaard. Dit betekent echter geenszins dat Allah de deur naar volmaaktheid voor de moslims in latere tijden heeft gesloten of beperkt.

De woorden ‘velen’ en ‘enkelen’ zijn relatief van aard. Dit betekent dat degenen die de islam in de allereerste dagen aanvaardden, overweldigend veel leed en moeilijkheden op de weg van Allah moesten doorstaan. Daarom werden velen van hen waardig bevonden om het hof van Allah binnen te treden. Aan de andere kant werden veel moslims van latere generaties niet met zulke obstakels geconfronteerd, waardoor zij vaak niet dezelfde rang bereikten als degenen die dichtbij Allah waren gebracht.

En het is algemeen bekend dat degenen die in de tijd van een profeet of een andere door Allah aangestelde persoon (ma’mūr) hem bijstaan en offers voor hem brengen, een graad van nabijheid tot Allah zullen bereiken die latere generaties nooit volledig zullen evenaren. Hooguit zullen enkelen uit latere tijden deze eer verkrijgen. Door de graad van nabijheid tot Allah van de metgezellen van de heilige Profeet te benadrukken, heeft de heilige koran de onjuiste leringen van drie groepen mensen weerlegd.

Ten eerste zijn er de christenen. Toen zij in de koran de woorden min al-muqarrabīn lazen met betrekking tot de profeet Jezus (vrede zij met hem.), trokken zij overhaast de conclusie dat alleen hij nabijheid tot Allah had verkregen en verder niemand anders buiten hem. In dit vers staat:

“Toen de engelen zeiden: O Maria! Waarlijk, Allah brengt u de blijde tijding van een woord van Hem, (van iemand) wiens naam is de Messias, Jezus, zoon van Maria, eerbiedwaardig in deze wereld en het Hiernamaals, en een van degenen die (Allah) dicht nabij zijn (min al-muqarrabīn).” (3:45)

Hieruit leidden zij onterecht af dat alleen Jezus deze graad van nabijheid tot Allah had bereikt.

Dit vers van de koran – Een groot aantal uit het midden van de eersten – omvat een groot deel van de vroege gelovigen. Dit zijn degenen die met de heilige Profeet naar Medina vluchtten (Muhājirīn) en de Anṣār (helpers in Medina). Het onderstreept in wezen dat zij in hun graad van verhevenheid net zo verheven waren als de profeet Jezus en dat zij, als gevolg van hun goede daden, de waardigheid bezaten om in het gezelschap van de profeten te verkeren, zoals de koran vermeldt in vers 4:69.

Met betrekking tot de shia-sekte, vormen dit vers (13) en vers 100 van hoofdstuk 9 een overtuigend bewijs tegen hun leringen. Het is een onjuiste opvatting om degenen die samen met de heilige Profeet vluchtten (Muhājirīn) en degenen die hen hielpen (Anṣār) als hypocrieten te bestempelen. Evenmin is het juist om de meerderheid van de gelovigen afhankelijk te maken van de komst van een niet aanwezige Mahdi. De heilige koran spreekt deze opvatting in de meest duidelijke bewoordingen tegen. Dit vers (13) stelt dat er onder de vroege generaties een groot aantal was dat het dichtst tot Allah, de Meest Hoge, werd gebracht. In latere tijden zal daarentegen slechts een kleinere groep deze rang bereiken.

In de derde plaats worden in deze verzen de onjuiste opvattingen weerlegd van de Qadiani-groep binnen de Ahmadiyya-stroming in de islam. Tegenwoordig proberen zij een nieuw profeetschap in te stellen. Hierdoor zijn zij zelfs zover gegaan dat zij de eer van de metgezellen van de heilige Profeet (vrede en zegeningen zij met hem) schaden. Zij schrijven dat, aangezien geen van deze edele zielen volmaakte gehoorzaamheid had betoond aan de heilige Profeet, geen van hen de rang van het profeetschap kon bereiken. Dit vers vormt ook een overtuigend bewijs tegen de Qadiani’s. Nadat is vermeld dat een groot aantal van de metgezellen tot de eersten zal behoren aan Allah’s hof, volgt de uitspraak dat de hoge graad van gehoorzaamheid die zij de heilige Profeet betoonden, slechts door zeer weinigen in latere tijden geëvenaard zal worden.

De gemeenschap van degenen die zich aansluiten bij een mujaddid (hervormer) – zelfs als het een mujaddid betreft in de hoedanigheid van de voorspelde Messias en Mahdi – valt ook in de categorie van de Ākhirīn (degenen in de latere tijden). Met betrekking tot al deze groepen – of het nu de Metgezellen van de heilige Profeet waren, of zij die in de toekomst zullen verschijnen – geven deze verzen (Een groot aantal uit het midden van de eersten, en enkelen uit het midden van degenen uit latere tijden) een duidelijk oordeel. Degenen die volledige gehoorzaamheid aan Allah toonden en de stadia van Goddelijke nabijheid bereikten, verschenen in groten getale onder de Ṣaḥābah (Metgezellen). Daarentegen zullen zij niet in dezelfde overvloed worden gevonden bij degenen die later komen. Met andere woorden, hun schaarste onder de latere generaties is duidelijk aangegeven. De feiten van de geschiedenis en de gebeurtenissen van deze tijd bevestigen.


15. Zittend op tronen versierd (met goud).

‘Alā sururin mauḍūnah

16. Achterover liggend op kussens, naar elkaar toegewend.

Muttaki’īna ‘alaihā mutaqābilīn

Mauḍūnah verwijst naar iets dat is doorweven met draden van goud en zilver, versterkt in structuur of ingelegd met juwelen. Het wordt ook uitgelegd als maṣfūfah, wat betekent: gerangschikt in rijen.

De beschrijving van deze tuinen van gelukzaligheid begint nu. Het is duidelijk dat het beeld dat hier wordt geschetst een tafereel voorstelt van een schitterend gala aan het hof van een edelman of koning. En dit is ook hoe een tafereel van de voorsten in het Hiernamaals eruit zou moeten zien. Wanneer in dit leven een geselecteerd gezelschap wordt uitgenodigd aan een koninklijk hof, of wanneer een galafeest wordt voorbereid, dan ziet men de meest prachtige sofa’s en stoelen, netjes in rijen geschikt. Bedienden lopen af en aan en serveren weelderige maaltijden in prachtig eetgerei en glazen bokalen. De gasten zitten vol eer en blijdschap naar elkaar toegewend en voeren, terwijl zij zich vermaken, onderhoudende gesprekken. De aanwezigheid van vrouwen, eveneens sierlijk gekleed, vervolmaakt de sfeer van vrede en gelukzaligheid.

Hoewel deze beschrijving gebruikmaakt van woorden die we kennen van feestelijke banketten in deze wereld, leert de Hadith ons dat het ware begrip van dit paradijs het voorstellings- en bevattingsvermogen van de mens te boven gaat. Daar, in de Goddelijke tegenwoordigheid, zullen al onze gedachten en verbeeldingen tekortschieten. Ja, de muqarrabīn (degenen die Allah nabij zijn) zullen op tronen zitten, ingelegd met juwelen en in perfecte rijen geschikt, naar elkaar toegekeerd, genietend van de zegeningen die Allah hun heeft geschonken. Maar deze beschrijving geeft slechts een indruk van de overvloed aan eer, vreugde en vrede die zij zullen ontvangen. Deze eer hebben zij verdiend door in dit leven allerlei vormen van schande, verdriet en leed te aanvaarden in gehoorzaamheid aan Allah, de Meest Hoge.


17. Om hen zullen jongelingen rondgaan, altijd in dezelfde staat.

Yaṭūfu ‘alaihim wildānun mukhalladūn

18. Met drinkbekers en kruiken, en kommen met overlopend water.

Bi-akwābin wa abārīqa wa ka’sin min ma‘īn

19. Zij krijgen hiervan geen hoofdpijn, noch raken zij bedwelmd.

Lā yuṣadda‘ūna ‘anhā wa lā yunzifūn

20. En vruchten naar hun keuze.

Wa fākihatin min mā yatakhayyarūn

21. En vlees van gevogelte, waar zij naar verlangen.

Wa laḥmi ṭairin min mā yashtahūn

Yuṣadda‘ūna is afgeleid van sad‘ wat hoofdpijn betekent, met name die soort hoofdpijn dat het gevolg is van dronkenschap.

Yunzifūn komt van nazafa, wat bedwelmd of dronken raken betekent.

Wildān mukhalladūn – jongelingen die altijd in dezelfde staat blijven. Dit zijn de jongelingen die hun diensten zullen aanbieden.

Er wordt gezegd dat degenen die hun leven in deze wereld hebben gewijd aan het dienen van de mensheid, op hun beurt degenen zullen worden die wórden gediend. Hun daden van dienstbaarheid in dit leven zullen zich dus manifesteren in de vorm van deze jonge bedienden die hen in het Hiernamaals bedienen. Omdat deze jonge knapen in wezen een weerspiegeling zijn van hun eigen daden, en daden zelf een blijvende beloning met zich meebrengen, zullen ook deze dienaren in een eeuwige staat blijven. Hun aanwezigheid belichaamt continuïteit, want de beloning van daden heeft een eeuwig karakter. Daarom zullen deze jongens in een onveranderlijke staat blijven.

Het feit dat de bedienden de vorm van jonje knapen aannemen, symboliseert hun onschuld. Daden van compassie en dienstbaarheid aan de mensheid, die puur en oprecht waren, kunnen — wanneer zij zich manifesteren in de vorm van bedienden — alleen verschijnen als onschuldige jongens.

Ooit zag ik een schilderij van een van Europa’s beroemdste kunstenaars. Het beeldde een ongelukkige maar vrome vrouw uit die was gestorven en naar de volgende wereld ging. Zeer jonge en onschuldige kinderen, mooi en lieflijk, met bloemenkransen, cirkelden om haar heen. De een behing haar met een krans, terwijl de ander haar toekeek. Het schilderij straalde zoveel vreugde en onschuld uit, dat mijn hart — hoe lang ik er ook naar keek — er maar geen genoeg van kon krijgen. Het was een aanblik van pure gelukzaligheid en zuiverheid. Het leek alsof de dienaren in het Hiernamaals de belichaming van onschuld waren, in tegenstelling tot dienaren van deze wereld. Deze hebben vaak ondeugende, sluwe en oneerlijke gewoonten. Als ze volwassen zijn geworden, worden ze niet langer geschikt geacht voor onbeperkte toegang tot privéruimten. Deze hemelse dienaren blijven echter altijd zuiver en integer. Er wordt gezegd dat geen van die negatieve eigenschappen daar zullen bestaan. Alleen pure onschuld zal overblijven. Bovendien zijn jonge knapen zijn als bedienden van groter nut, omdat ze behendiger en sneller zijn dan ouderen.

Sommige mensen maken bezwaar en beweren dat hun aanwezigheid verdorven individuen tot immoreel gedrag zou kunnen verleiden. Ze vergeten echter dat zulke personen geen plaats zullen hebben in het Paradijs. In vers 25 van dit hoofdstuk wordt van het Paradijs gezegd: “Zij horen daarin geen ijdel gepraat noch zondige taal.” Op zo’n plek is zonde bedrijven onmogelijk, en zelfs het horen van een zondig woord zal niet voorkomen. Stel je het volgende tafereel voor: mensen zitten tegenover elkaar op tronen, versierd met juwelen. Ze zijn geordend in perfect uitgelijnde rijen, met de grootst mogelijke orde en symmetrie. Bedienden lopen rond en presenteren zilveren bekers aan deze geëerde gasten. De bekers zijn verfijnder en transparanter dan glas, net als de kruiken die ze bij zich hebben. De drank die ze serveren, komt uit de fonteinen van Goddelijke genade, die eeuwig zullen stromen en nooit ophouden. Dit water zal de verfijnde spirituele staat belichamen van de muqarrabīn die een vroom en zuiver leven leidden in deze wereld.

Op feesten en andere bijeenkomsten in deze wereld, waar mensen samenkomen, worden vaak bedwelmende dranken zoals wijn geschonken. Hoewel deze een kortstondige extase teweegbrengen, laten zij na afloop slechts ontwenning en een blijvende hoofdpijn achter zodra hun uitwerking weg is. Maar de bekers drank die in het Paradijs worden aangeboden, overtreffen deze wereldse dranken echter verre in genot en verrukking – zonder enige negatieve nawerkingen. Zij zullen geen kater noch enige vorm van dronkenschap ervaren die hun verstand zou kunnen doen verliezen.

De genoegens van deze wereld beperken zich niet tot wijn alleen. Dit geldt voor alle vormen van genot: zodra zij hun hoogtepunt bereiken, ontnemen zij de mens zijn rationele beoordelingsvermogen. Onder invloed van zo’n euforie begaat iemand daden die een verstandig en deugdzaam mens onwaardig zijn. Maar na verloop van tijd heeft elk genot zijn keerzijde, die ongemak en somberheid over het gemoed brengt.

Neem bijvoorbeeld het genot bij het eten van de meest verfijnde maaltijden en delicatessen: tijdens het eten voelt het genot ongeëvenaard. Kort daarna vervaagt dit genot echter, en wat volgt is ongemak en een opgeblazen gevoel. Als het intellect op het moment van toegeeflijkheid verblind wordt door verlangen, slaat uiteindelijk spijt toe en volgt een gevoel van uitputting en melancholie. Dat is de realiteit van elk wereldse genot. De bekers drank in het Paradijs zullen echter geheel anders zijn – integendeel, ze zullen een genot bevatten dat het intellect niet afstompt. Daarnaast bestaat er ook niet de angst dat het vergaat. Want zodra iets vergaat, beginnen de bijwerkingen ervan.

Kijk naar degenen die in dit leven kracht en steun vinden in hun dienstbaarheid aan Allah en in Zijn gedachtenis. Hun genot schaadt hun verstand niet. Integendeel, het verscherpt hun begripsvermogen en laat geen schadelijke bijwerkingen achter. Neem bijvoorbeeld het gebed: wanneer het wordt verricht in ware nederigheid (khushū’) en overgave (khuḍū‘), veroorzaakt de zoetheid en het genot die een persoon ervaart geen vermoeidheid of neerslachtigheid. Integendeel, het voelt alsof hij drinkt uit een kruik van eeuwige extase. Wanneer dus de daden van goedheid tegenover Allah’s schepselen in het Hiernamaals de vorm aannemen van serverende bedienden, zullen zij een beker van de gedachtenis aan Allah in hun hand houden. Deze beker zal de harten van de drinkers vervullen met heerlijkheid, vreugde en vervoering.

De goede daden van de mens zullen in het volgende leven ook de vorm van vruchten aannemen. Net zoals ze in deze wereld altijd hun persoonlijke verlangens opzijzetten en voorrang gaven aan wat Allah behaagde, zullen op die dag hun wensen en voorkeuren voorrang krijgen. Dit zal zo zijn, omdat zij hun verlangens in lijn brachten met het rechte pad (ṣirāṭ al-mustaqīm). De zegening voor het verkiezen van Allah’s welbehagen boven het eigen verlangen in elke levenswandel in dit leven, bestaat daarin dat hun eigen welbehagen in het Hiernamaals de voorkeur zal krijgen.

Bovendien, omdat zij het volgen van hun eigen wereldse ambities en verlangens opofferden wanneer deze in strijd waren met de geboden van Allah, de Meest Verhevene, zal het op die dag zo zijn dat hun opgeofferde hoop en ambities aan hen worden gepresenteerd in de vorm van vlees van gevogelte. Het is algemeen bekend dat gevogelte niet alleen veel lekkerder is dan ander soorten vlees. Het is ook voedzaam en versterkend, helpt bij de fysieke vitaliteit, in tegenstelling tot stoffen zoals vet, die het lichaam belasten. Vlees van gevogelte heeft ook geen schadelijke effecten op het lichaam, zoals bijvoorbeeld een teveel aan urinezuur. De betekenis hierachter is dat het vlees dat hun wordt gegeven niet iets schadelijks of verspillends zal zijn, maar juist iets uiterst heilzaam en voedzaam. Want in deze wereld lieten zij niet alleen hun verlangens varen alsof die onbeduidend waren, maar offerden die op voor Allah’s welbehagen. En nu wordt datzelfde offer als beloning aan hen teruggegeven.


22. En vrouwen met lichte huid en mooie ogen.

Wa ḥūrun ‘īn

23. Gelijk goed bewaarde parels.

Ka amthāli-l-lu’lu’i-l-maknūn

24. (Als) een beloning voor wat zij plachten te doen.

Jazā’an bimā kānū ya‘malūn

Ḥūr is het meervoud van ḥaura en betekent een vrouw die blank van kleur is, of waarvan de witheid van haar ogen hagelwit is en de zwartheid ervan diepzwart.

‘Īn is het meervoud van a‘yan en ’īnah enbetekent een vrouw met zeer grote en mooie ogen.

De vrede en harmonie in het Paradijs van de muqarrabīn (zij die Allah nabij zijn) zou niet compleet zijn zonder hun zuivere en toegewijde partners aan hun zijde. Het vers zegt dus, dat die vrouwen die door hun geloof en goede daden nabijheid tot Allah hadden bereikt op die dag bij hen aanwezig zullen zijn. En de morele schoonheid die deze vrouwen in deze wereld tot ontwikkeling brachten, zal zich op die dag manifesteren als een schoonheid in concrete vorm, schitterend stralend. Hun ogen ontweken niet alleen andere mannen, maar zelfs alles wat hen afbracht van hun devotie aan Allah. Op die dag zal de ware uitstraling en schoonheid van die ogen ten volle tot uiting komen. En de vrouwen die zichzelf beschermden tegen elke aanval van de duivel zullen dan schitteren als goed bewaarde parels.

Ik begrijp niet waarom mensen bezwaar maken tegen de aanwezigheid van vrouwen in het Paradijs. Allah Zelf heeft vrouwen geschapen en bepaalde relaties met hen toegestaan, en Zijn handelingen zijn nooit zonder wijsheid. Het gezelschap van een vrouw is diepgeworteld in de natuur van de man, en geen enkel leven van een man is volmaakt zonder haar aanwezigheid. Als de menselijke natuur in het Paradijs niet wordt uitgewist, is de aanwezigheid van vrouwen naast mannen dan ook een noodzakelijkheid. Natuurlijk weten we allemaal dat er in de hemel geen noodzaak is voor voortplanting. Maar de behoefte aan vreugde, rust en comfort die een man in een vrouw vindt, zullen nog steeds bestaan – net zoals eten en drinken niet nodig zullen zijn om te overleven, maar toch aanwezig zullen zijn voor genot en vreugde.

Khwaja Kamal ud-Din was ooit in de gelegenheid een lezing te geven over het concept van hemel en hel aan een groep atheïstische personen in Engeland. Aan het einde van die toespraak maakte iemand bezwaar tegen de aanwezigheid van mooie vrouwen (ḥūr) in het Paradijs. Hij antwoordde:

“Welke samenleving is compleet zonder vrouwen? Inderdaad, de ruwe, wrede en ongeciviliseerde kanten van de man kunnen nooit getemperd worden zonder de aanwezigheid van een vrouw. Wanneer de aanwezigheid van vrouwen in dit leven dus van essentieel belang is voor het zorg dragen voor de ontwikkeling en beschaving van een samenleving waarom zouden er dan geen vrouwen in het Paradijs zijn – waar elke vorm van beschaving, vooruitgang en perfectie haar ultieme niveau bereikt?”

Toen alle dames in het publiek dat antwoord hoorden, waren ze buitengewoon opgetogen en gaven de Khwaja een luid applaus, en de voorzitter van de groep, zelf een vrouw, bedankte hem speciaal voor zijn bijdrage.

Hieraan wil ik nog een punt toevoegen: in wereldse samenlevingen bestaat altijd het risico dat bij gemengde bijeenkomsten van mannen en vrouwen ongeoorloofde contacten ontstaan. In het Paradijs echter — waar geen zonde en ijdel gepraat heerst — is dat gevaar volledig uitgesloten, en heersen enkel zuivere zegeningen en volmaakte deugdzaamheid.

Ik begrijp overigens niet dat als vrouwen uitgesloten zijn van het Paradijs, waar zij dan naartoe zullen gaan, vooral aangezien ze de helft van de wereldbevolking uitmaken. Wanneer in dit leven hun aanwezigheid in een samenleving niet noodzakelijk het niveau van reinheid en kuisheid verlaagt, waarom zou dat dan wel in het Paradijs het geval zijn? Ik geloof zelfs dat als vrouwen hun eigen commentaar over dit onderwerp zouden schrijven, zij de mannen een koekje van eigen deeg zouden geven door te stellen dat het Paradijs exclusief voor vrouwen is en dat mannen niet worden toegelaten! Immers, welke behoefte zouden kuise vrouwen hebben aan mannen?

Maar de waarheid is dat beide uitersten onjuist zijn. Wanneer zowel man als vrouw een schepping van Allah zijn en beiden zijn geschapen voor wederzijds gemak, gelukzaligheid, liefde en gemoedsrust, waarom zouden zij dan geen partners kunnen zijn in het volgende leven? En aangezien de hemelse samenleving een gemeenschap van rechtschapen zielen zal zijn, waarom zouden vrouwen daar dan per se geen deel van mogen uitmaken zoals mannen? Ons wordt verteld dat dat leven van eer, genot, vrede en heerlijkheid — dat het Paradijs wordt genoemd—een beloning is voor onze eigen goede daden. In werkelijkheid zijn het ons geloof en onze vrome daden die voor ons een Paradijs opbouwen.


25. Zij horen daarin geen ijdel gepraat noch zondige taal.

Lā yasma‘ūna fīhā laghwan wa lā ta’thīman

26. Maar slechts één woord: vrede, vrede!

Illā qīlan salāman salāman

Laghw betekent een handeling of uitspraak waarin geen enkel voordeel schuilt.

De gelukzaligheid en tevredenheid in de hemelse gemeenschap kunnen nooit volmaakt zijn zonder twee essentiële elementen. Ten eerste zal men daar nooit nutteloos of zondig gepraat horen. Ten tweede zal deze toestand van vreugde en gemak nooit verminderen. In het wereldse leven zijn het juist deze twee zaken — zonde en het verlies van zegeningen — die iemands gemoedsrust en vreugde vernietigen.

Zonde is een vernietigende kracht die de vrede en harmonie in een samenleving ondermijnt. Wanneer er in een maatschappij gevaren zoals liegen, diefstal, overspel, verraad, verduistering en moord aanwezig zijn, luidt dit de doodsklok voor geluk en voorspoed. Constant in angst leven om ten prooi te vallen aan een of andere doortrapte vorm van bedrog, te schande te worden gebracht door een slecht persoon, of van je rijkdom te worden beroofd, leidt tot de ondergang en verwoesting van vrede, rust en geluk in een gemeenschap.

Er wordt gezegd dat er in het Paradijs niet alleen geen zonde zal worden begaan, maar dat zelfs het geringste gefluister van zonde de oren niet zal bereiken. Veel mensen, hoewel ze zelf niet bekend zijn met een bepaalde zonde, ontwikkelen er alleen al bij het horen ervan een neiging toe. Het is alsof de eerste vonk van verleiding tot zonde vaak ontstaat door er simpelweg naar te luisteren. Op zijn minst raakt het hart, wanneer iemand van een overtreding hoort, vaak verstrikt in de gedachte eraan. Daarom wordt gesteld dat er in het Paradijs nooit over zonde zal worden gesproken. Die samenleving zal volledig vrij zijn van elke vorm van zonde – zowel openlijk als verborgen. Sterker nog, niet alleen de zonde zelf zal afwezig zijn, maar zelfs nutteloos en zinloos gepraat zal niet worden gehoord. Met andere woorden: niet alleen zullen dergelijke daden daar nooit worden gepleegd, maar er zal zelfs niet over worden gesproken. Elk gesprek dat geen enkel nut heeft, zal eenvoudigweg niet worden gehoord.

Een afname van zegeningen zorgt ervoor dat alle vreugde die men eraan ontleende, verloren gaat. Wanneer rijkdom, kinderen, tevredenheid en geluk gepaard gaan met een constante angst om ze op enig moment te verliezen, wordt het plezier dat ermee gepaard gaat tenietgedaan. Ons wordt verteld dat welke zegening de bewoners van het Paradijs ook wordt geschonken, en in welke richting zij hun blik ook wenden, zij van alle kanten begroet zullen worden met uitingen van vrede. Er zal geen vrees zijn voor schade of verlies – en dát is de zegening die alle andere overtreft.

Hoewel plezier, gemak en vreugde in deze wereld te vinden zijn, is er geen bescherming tegen zonde, nutteloze zaken of voor het onvermijdelijke verval en neergang. Dit zijn de kenmerken die het Paradijs uniek maken, kenmerken die ontbreken in de vergankelijke gemakken en vreugden van deze wereld.

Het paradijs dat de heilige koran presenteert, verschilt totaal van de plaats van verlossing (mukti) waarover de Arya’s spreken, waar de zielen, die verstrikt zijn in een cyclus van transmigratie, ontelbare wedergeboortes moeten ondergaan totdat ze een rustplaats vinden. Maar zelfs dan blijven ze daar niet voor altijd, maar worden ze daaruit verdreven om weer een andere cyclus van wedergeboortes te hervatten.

Aan de andere kant beschrijft de heilige koran een hemel van een genadevolle en genereuze Heer, die door Zijn gratie en goedgunstigheid goede daden zal belonen met een eeuwigdurend paradijs dat nooit zal worden afgesneden. Dit wordt beloofd in een ander vers waar staat: een geschenk dat nooit zal worden afgesneden (11:108).

Bovendien lijkt het Paradijs van de heilige koran totaal niet op de hemel van de joden en christenen. Volgens hen sloop Satan, vermomd als slang, het Paradijs binnen en verleidde Adam en Eva om een zonde te begaan, wat leidde tot hun verbanning uit het Hof van Eden. In tegenstelling beschrijft de heilige koran een hemel waar Satan volledig buitengesloten is. Het is een plaats waar niet alleen geen enkele zonde kan worden begaan, maar waar men zelfs geen zondig gesprek kan horen. Het relaas dat we in de bijbel aantreffen is dus niets anders dan een verhaal. Om deze reden heeft de heilige koran, door duidelijk te verklaren: Ik ga een regeerder plaatsen op aarde (2:30), de misvatting van de joden en christenen rechtgezet. Hiermee wordt ondubbelzinnig onthuld dat de profeet Adam (vrede zij met hem) als heerser op aarde werd aangesteld, en niet in de hemel. Bovendien blijkt hieruit dat de hemel waarin hij werd geplaatst als een geschenk van de Almachtige, een weelderig en vruchtbaar stuk land was. Het kan echter ook verwijzen naar de staat van gelukzaligheid, vrede en extase die de mens ervaart voordat hij een zonde begaat—een toestand die Allah, de Meest Hoge, als Paradijs heeft omschreven.


27. En de gezegenden (of gezellen ter rechterzijde) – hoe voortreffelijk is de staat van de gezegenden (of gezellen ter rechterzijde)!

Wa aṣḥābu-l-yamīni mā aṣḥābu-l-yamīn

Hier wordt het woord mā (hoe) gebruikt om eer uit te drukken. Nu vangt de beschrijving van het volgende leven, of de hemel, van de gezellen ter rechterzijde aan. De heilige koran formuleert het zo: hoe kan men hun toestand ooit adequaat beschrijven? Met andere woorden, het is een toestand waarvan de grootsheid niet in woorden is uit te drukken.


28. Zij zullen temidden van doornloze sidr-bomen verkeren.

Fī sidrin makhḍūd

29. En bananen, laag op laag (vruchtdragend).

Wa ṭalḥin manḍūd

30. En lange (of uitgestrekte) schaduw.

Wa ẓillin mamdūd

31. En stromend (of gutsend) water.

Wa mā’in maskūb

32. En een overvloed aan vruchten.

Wa fākihatin kathīrah

33. Noch onderbroken, noch (wordt iemand daarvan) afgehouden.

Lā maqṭū‘atin wa lā mamnū‘ah

34. En verheven rustbanken.

Wa furushin marfū‘ah

Furush is het meervoud van farsh wat een mat of beddengoed betekent. Volgens sommigen verwijst het hier naar vrouwen.

Makhḍūd duidt een boom aan waarvan de doornen zijn uitgetrokken.

Manḍūd betekent vruchten die in lagen over elkaar liggen.

Ṭalh is een bananenboom.

Maskūb betekent van boven naar beneden vallen, zoals het water van een waterval.

Arabië is een droog, dor land waar de sidr-boom heel veel schaduw verschaft. Hij heeft echter één nadeel: het is een boom die bedekt is met doornen. De sidr-boom is in Arabische beeldspraak het beste symbool voor een vruchtbare, schaduwrijke boom. Daarom werd de aanwezigheid van schaduwrijke, vruchtbare bomen uitgedrukt via de metafoor van de sidr-boom, maar tegelijkertijd was het belangrijk om het nadeel ervan buiten te sluiten. De heilige koran vertelt ons dus dat er in de hemel inderdaad sidr-bomen zullen zijn, maar zonder doornen, omdat er in het paradijs niets schadelijks kan bestaan. De sidr-bomen in het paradijs zullen niet alleen anders zijn dan die op aarde, maar ook veel beter. Ze zullen al hun voordelen behouden, maar zonder enige schadelijke of nadelige eigenschappen.

De bananenboom heeft daarentegen veel water nodig. De heilige koran spreekt over fākihat-in kathīrat-in, wat betekent: vruchten in overvloed, nadat de sidr-boom en de bananenboom zijn genoemd. Dit geeft aan dat er in het paradijs naast deze twee bomen nog vele andere soorten vruchtdragende bomen zullen zijn.

De vraag is waarom specifiek deze twee bomen worden genoemd. De reden is dat de sidr-boom, zoals bekend, groeit in de droogste gebieden op aarde, terwijl de bananenboom juist grote hoeveelheden water nodig heeft Dit vertelt ons dat er in het paradijs bomen zullen zijn die voortkomen uit twee soorten aarde: de ene droog en de andere vochtig. Evenzo, net zoals er twee soorten aarde bestaan, zo kan men bij mensen die spiritueel groeien zien dat ook bij hen twee soorten harten voorkomen. De ene groep bestaat uit die mensen die van nature een spirituele groeikracht bezitten, hoe droog de aarde ook mag zijn — dat wil zeggen, hoe sterk de invloed van ongeloof en misleiding om hen heen ook mag zijn. Net als de sidr-boom hebben zij zo’n groot aangeboren groeivermogen, dat ze zelfs onder de meest ongunstige omstandigheden in staat zijn om geestelijke vooruitgang en innerlijke perfectie te bereiken.

Het tweede type hart heeft een omgeving nodig waar hij uitgebreide kennis en praktische voorbeelden om zich heen heeft om vooruitgang te kunnen boeken. Mensen met zulke harten moeten voor hun groei in het gezelschap van vrome of geleerde mensen verkeren en inspiratie putten uit hun uitmuntende spirituele invloed. Beide soorten harten zullen dus in die volgende wereld, op hun eigen manier, van de vruchten genieten in overeenstemming met hun daden. Kortom, in het Hiernamaals zal de mens de vruchten van zijn geestelijke vooruitgang ontvangen en deze zullen volop aanwezig zijn.

In deze wereld kleven er twee nadelen aan vruchtenbomen. Ten eerste dragen ze alleen in bepaalde seizoenen vruchten. Wanneer bijvoorbeeld het mangoseizoen aanbreekt, dan bloeien er rijkelijk mango’s. Maar als het seizoen uiteindelijk eindigt, zijn er geen vruchten meer. Ten tweede: er mogen dan wel volop vruchtenbomen aanwezig zijn, maar kunnen we het fruit toch niet plukken, omdat de eigenaar ons dat niet toestaat, ook al hebben wij wel zijn toestemming om door zijn boomgaard te wandelen. Er wordt ons gezegd dat deze twee nadelen in het volgende leven niet zullen bestaan en dat geen enkel obstakel ons zal tegenhouden om ervan te eten.

Dit geldt voor wat de vruchten betreft. Maar als we daarbij het beeld van het Paradijs nemen zoals de Almachtige het heeft geschetst, dan begrijpen we pas echt hoe de hemel eruitziet: een groene, weelderige vallei vol bomen met lange, uitgestrekte schaduwen; bronnen die onafgebroken water voortbrengen; allerlei soorten vruchtdragende bomen, zowel van droge als vochtige grond. Men kan er elk gewenste vrucht eten, zo veel men maar wil, zonder beperking — want er is geen vrees dat de voorraad ooit opraakt. En in de schaduw van bomen, langs de waterbronnen, worden weelderige tapijten uitgespreid.

In dit leven zien we soms een glimp van dit zuivere en aangename leven tijdens de picknicks die mensen houden in welige, groene valleien in de lente. Maar niemand kan op deze wereld dit genot beleven zonder volledig vrij te zijn van ongerustheid, noch zijn het plezier en de tevredenheid ervan eeuwigdurend. Wat er ook aan ons hier wordt gegeven, het is vergankelijk en gedoemd langzaam te verdwijnen. Vaak ontbreken er vruchtdragende bomen. En als die er wel zijn, dan dragen ze maar één soort vrucht; nooit meerdere. Bovendien kunnen we na verloop van tijd onze buik vol hebben van dezelfde vruchten. En dan verdwijnt in een oogwenk de verblijdende lentepracht. Maar in het Paradijs bestaan deze tekortkomingen niet. De werkelijke grootse en volmaakte aard ervan ligt buiten het voorstellingsvermogen en verstand van de mens. Ondanks dit alles zal dit gelukzalige leven in de weiden van het paradijs incompleet zijn wanneer mannen hun vrouwen niet bij zich zullen hebben.

Ik ben twee keer naar Kasjmir geweest. Toen ik de schoonheid zag van Shalimar en Nishat Gardens, de watervallen, groene weiden en bloeiende bloemen, vroeg ik me telkens af: als iemand alleen door deze plaatsen wandelt, wat voor vreugde voelt hij dan? Je kunt niet echt blij zijn, maar aan de andere kant ook niet treurig. Maar als er familie en geliefden aanwezig zijn, wordt de vreugde compleet. Ik zag daar gezinnen op smaragdgroene tapijten zitten, eten, drinken en genieten. Ik keek verlangend naar hen en wenste net zo gelukkig te zijn als zij, genietend van de zegeningen van het leven met hun families en geliefden. Dit toont aan dat je pas iemands behoefte aan vrouwelijk gezelschap kunt begrijpen wanneer je de menselijke natuur bestudeert en begrijpt.

Natuurlijk zal een kille filosoof, met armoedig verstand en een misleide geest, en daarom geneigd onterecht overal kritiek te hebben, niet weten dat dit de realiteit is. Om dit gebrek weg te nemen, zegt de heilige koran:


35. Wij hebben hen (de vrouwen) in een nieuwe schepping voortgebracht.

Innā ansha’nā-hunna inshā’an

36. En hen tot jonge maagden gemaakt.

Fa ja‘alnā-hunna abkāran

37. Liefdevol, van gelijke leeftijd (of volmaakt bij elkaar passend).

’Uruban atrāban

38. Voor de gezellen ter rechterzijde.

Li aṣḥābi-l-yamīn

Het woord ‘urub is het meervoud van a‘rūb en duidt vrouwen aan die hun echtgenoten zeer liefhebben.

Atrāb betekent van gelijke leeftijd, maar kan ook rijkdom aanduiden, dat wil zeggen, rijkdom in schoonheid, elegantie en intelligentie.

Er wordt hier gezegd dat zij hun vrouw bij zich zullen hebben. De innerlijke schoonheid die in deze wereld al zichtbaar werd door hun goede daden, zal in het Hiernamaals ook uiterlijk schitteren. Er zal geen enkel spoor van ouderdom aanwezig zijn, want ouderdom betekent verzwakking, verval en sterfelijkheid. Elke vrouw zal eeuwig jeugdig blijven. In dit paradijselijke leven zullen deze vrouwen niet enkel uiterlijk volmaakt zijn, maar ook innerlijke deugden bezitten. Er zal geen sprake van norse, lichtgeraakte of onwetende echtgenotes. Integendeel, zij zullen hun mannen oprecht liefhebben, wijsheid en begrip tonen, en precies passen in leeftijd – of volmaakt passen bij hun echtgenoten. Zulke vrouwen vormen zonder twijfel een onmetelijke bron van geluk voor hun mannen

Als iemand in deze wereld gezegend is met een zo’n echtgenote, dan wordt zelfs zijn huis een klein paradijs. Stel je dan de vreugde en de luxe in het Paradijs voor, waar al dit moois in volmaakte, complete vorm zal bestaan — en waar alles eeuwig zal zijn, zonder enige achteruitgang. Hierin ligt een zeer blijde boodschap voor vrouwen in dit leven: als zij Allah’s tevredenheid winnen en vooruitgang boeken in geloof en goede daden, zullen ook zij worden “voortgebracht in een nieuwe schepping,” zoals duidelijk vermeld staat in vers 35. Dat wil zeggen: deze vrouwen zullen niet in hun oude gedaante worden voortgebracht, maar in een nieuwe vorm, vrij van ouderdom en lichamelijke gebreken. Zij zullen jong zijn, liefdevol tegenover hun echtgenoten, gelijke in leeftijd, en rijk aan schoonheid, verstand en wijsheid. En dit zijn inderdaad precies de eigenschappen die vrouwen zelfs in deze wereld geliefd en begeerd maken.

Eens kwam een oude vrouw bij de heilige Profeet (vrede en zegeningen zij met hem) en zei: “O Boodschapper van Allah, bid voor mij dat ik het Paradijs mag binnengaan.” Hij antwoordde: “Geen oude vrouw zal het Paradijs binnengaan.” Zij begon te huilen en ging weg, waarna hij zei: “Zeg haar dat ik bedoelde: geen vrouw zal het Paradijs binnengaan in een staat van ouderdom, maar zij zal binnengaan als een jonge vrouw, zoals Allah, de Verhevene, zegt: Innā ansha’nāhunna inshā’an fa-ja‘alnā-hunna abkārā (Wij hebben hen in een nieuwe schepping voortgebracht, en hen tot jonge maagden gemaakt).” (Tirmidhī.)

Door deze verzen toe te passen op de oudere vrouwen in deze wereld, maakte de heilige Profeet de betekenis van deze verzen volkomen duidelijk. Hij gaf vrouwen daarmee een zeer blijde boodschap: namelijk, dat zij de eigenschappen, waar zij in deze wereld naar verlangen, in het Hiernamaals onafgebroken zullen krijgen door middel van hun goede daden. Zij moeten daarvoor wel de tevredenheid van Allah zien te winnen.

Na de bovenstaande zegeningen opgesomd te hebben, zegt de heilige koran in vers 38 dat dit alles aan de gezellen ter rechterzijdegegeven zal worden. Deze belofte wordt hier herhaald om te benadrukken dat de lezer en luisteraar zeer goed moet beseffen dat al deze grenzeloze gunsten specifiek voor die groep zullen zijn. Mochten zij nog enige twijfel hierover hebben, dan moeten ze dat loslaten.

Hier eindigt deze paragraaf, hoewel het volgende vers verder gaat met hetzelfde onderwerp. Deze onderbreking is bedoeld, zodat dat wij even stilstaan bij de zegeningen voor de rechtschapen gelovigen, zodat het ons inspireert om ook tot hen te behoren.

Een belangrijk punt hier is het duidelijke onderscheid tussen het Paradijs van de muqarrabūn (degenen die nabij gebracht zijn) en dat van de aṣḥāb al-yamīn (de gezellen ter rechterzijde). De beloningen beschreven voor de muqarrabūn zijn van het soort waar mensen naar verlangen naarmate een samenleving zich verder ontwikkelt — zaken die men vaak aantreft bij mensen die in nauw contact met koningen staan, zoals ambtenaren, edellieden en stamleiders. Bij hen zie je dus vaak met edelstenen versierde tronen, fijne kleding en bijeenkomsten vol vreugde, eer, bedienden en pracht.

Aan de andere kant bestaan de beloningen voor de aṣḥāb al-yamīn uit zaken die vreugde en comfort bieden in eenvoudiger tijden, in de vroege fasen van cultuur en beschaving. Dit zijn zaken die daarom bijzonder aantrekkelijk voor mensen die in de woestijn of op het platteland wonen – zoals de bessen van de sidr-boom, bananen, stromend water en de lange, koele schaduw van bomen.

Een vergelijkbaar onderscheid zagen we eveneens in de laatste paragraaf van het hoofdstuk De Weldadige. Daar, in het Paradijs van de muqarrabūn, zien we ruimschoots bomen en stromende rivieren — precies zoals we zien in tuinen van welgestelde mensen. En in het Paradijs van de aṣḥāb al-yamīn (degenen aan de rechterkant) staan groene weiden en opwellende bronnen centraal — zoals we die aantreffen in weelderige valleien, bossen en bergachtige streken. En wanneer er melding wordt gemaakt van de ḥūr (de reine schonen), worden zij in paviljoenen getoond, zoals tenten opgeslagen in een groenrijke vallei.

In het Paradijs van de muqarrabūn wordt geen melding gemaakt van tenten voor de ḥūr. Daar ziet men juist grootsheid en majesteit, pracht en schittering. De reden hiervoor is dat de muqarrabūn mensen zijn die uitzonderlijk ver gevorderd zijn in spirituele beschaving en ontwikkeling. Daarom worden de zegeningen die hen ten deel vallen beschreven in termen van comfort en vreugde die kenmerkend zijn voor ontwikkelde naties.

En aangezien de aṣḥāb al-yamīn zich nog in de beginfase van spirituele ontwikkeling en beschaving bevinden, zie je de zegeningen die voor hen worden genoemd eerder bij volkeren die zich nog in een vroeg stadium van vooruitgang bevinden. Een mens bouwt zijn Paradijs op basis van zijn daden. In feite zegt een ḥadīth dat wanneer een gelovige één dag vast, er voor hem een boom wordt geplant in het Paradijs.

Zo ontvangen de muqarrabūn — zij die een overvloed aan goede daden vooruit hebben gezonden en hun ziel tot het hoogste niveau van zuiverheid hebben verheven — in het Hiernamaals een beloning die bestaat uit luxe en vreugde die passen bij hun verheven staat. Zij zijn mensen rijk in eer en spiritualiteit.

Aan de andere kant zonden de aṣḥāb al-yamīn geen grote rijkdom aan goede daden vooruit, alleen net genoeg om hen te behoeden voor pijn en bestraffing, en om een deel van Allah’s zegeningen te verdienen. Daarom zijn de gemakken en de vreugden in overeenstemming met hun verdiensten en dus naar verhouding kleiner.


Paragraaf 2

In paragraaf 1 werden de sābiqūn (de voorsten) en de aṣḥāb al-maymanah (de gezellen ter rechterzijde) genoemd. In deze paragraaf worden de aṣḥāb al-mash’amah (de gezellen ter linkerzijde) besproken. Na het benoemen van hun ontkenning van het Hiernamaals en de Opstanding na de dood, wordt het lijden en de kwelling beschreven die deze ontkenners en dwalenden in het Hiernamaals zullen ondergaan. Vervolgens worden opnieuw argumenten aangevoerd om de waarheid van het Hiernamaals en het leven na de dood te bevestigen.

Paragraaf 1, waarin de aṣḥāb al-yamīn (de gezellen ter rechterzijde) werden genoemd, is nu afgesloten. Nu begint een nieuw vers waarin de resterende zegeningen voor de aṣḥāb al-yamīn worden beschreven, zodat de mens kan stilstaan en nadenken over de gunsten die Allah, de Verhevene, voor hen heeft bestemd. Als iemand het niveau van de sābiqūn al-muqarrabūn (de voorsten die dicht tot Allah zijn gebracht) niet kan bereiken, dan zou hij zich er in ieder geval voor moeten inspannen om tot de aṣḥāb al-yamīn te behoren. Het volgende vers benadrukt precies dit punt.


39. Een talrijke groep van de eerste generaties.

Thullatun min al-awwalīn

40. En een talrijke groep uit de latere generaties.

Wa thullatun min al-ākhirīn

Dat wil zeggen: in de groep van de aṣḥāb al-yamīn (de gezellen ter rechterzijde)zal ook een talrijke groep zijn van rechtschapenen van de vroege generaties, evenals een talrijke groep van degenen die later komen. Hoewel in latere tijden verslapping optreedt in religieuze toewijding, en er dan wellicht minder mensen zullen zijn die het niveau van de sābiqūn al-muqarrabūn (de voorsten die dicht tot Allah zijn gebracht) bereiken, zal er toch een groot aantal zijn dat tot de aṣḥāb al-yamīn gerekend wordt. Daarom moeten gelovigen ervoor zorgen dat, als zij de hogere niveaus niet kunnen bereiken, zij zich op zijn minst inspannen om tot de groep van de aṣḥāb al-yamīn te behoren.

Na deze uiteenzetting volgt de vermelding van de aṣḥāb al-mash’amah (of: aṣḥāb al-shimāl – de gezellen ter linkerzijde) en hun bestraffing. Door de straf direct te noemen na de beschrijving van de zegeningen, wordt een scherp contrast gecreëerd. Dit contrast dient als een diepgaande les voor de gelovige, zodat hij met volle inspanning let op zijn daden en voorkomt dat hij tot de gezellen ter linkerzijde behoort. Daarna wordt gezegd:


41. En de gezellen ter linkerzijde; hoe beklagenswaardig is de toestand van de gezellen ter linkerzijde!

Wa aṣḥābu-l-shimāli mā aṣḥābu-l-shimāl.

Het partikel mā dient om de grootsheid en ernst van wat volgt uit te vergroten.

Ashābu-l-shimāl is een andere naam voor ashābu-l-mash’amah, de gezellen ter linkerzijde of de ongelukkigen. Dit zijn degenen die de waarheid verwierpen of die slechte daden begingen. Dit zijn precies de mensen die hun nafs al-ammārah — de ziel die aanzet tot het kwade —volgden en zich lieten overheersen door hun lagere begeerten en dierlijke driften.


42. In verzengende wind en kokend water.

Fī samūmin wa ḥamīm

43. En in schaduw van zwarte rook.

Wa ẓillin min yaḥmūm

44. Noch koel, noch eervol.

Lā bāridin wa lā karīm

Samūm is afgeleid van samm, wat letterlijk ‘een nauwe opening’ betekent. Hiervan is ook afgeleid het werkwoord samma dat ‘binnendringen via een smalle doorgang’ betekent. Het zelfstandig naamwoord samm betekent ook gif, omdat gif het lichaam op onmerkbare wijze binnendringt en zijn werking traag uitoefent. Daarom verwijst samūm in deze context naar een verzengende, brandende wind die — net als gif — het hele lichaam doordringt met zijn verwoestende werking. Sommige geleerden hebben samūm ook geïnterpreteerd als een intens laaiend vuur dat zowel de buiten- als binnenkant van de mens aantast.

Yahmūm betekent rook die intens zwart en zeer heet is.

Er wordt ons gezegd dat de gezellen ter linkerzijde zich in hete, giftige lucht en in kokend water zullen bevinden. Dit komt doordat het vuur van hun verlangens en begeerten in deze wereld zo hevig woedde, dat hun levenswater door die hitte werd aangetast, waardoor alle vrede en gemoedsrust uit hun harten verdween. Omdat zij dag en nacht in het vuur van hebzucht en lust, of woede en afgunst brandden, werd dit voor hen hun “leven”.

We moeten bedenken dat de emoties die in de mens huizen in twee hoofdcategorieën kunnen worden ingedeeld: liefde en boosheid. De gevoelens die met liefde verbonden zijn, kunnen verder worden onderverdeeld in twee aspecten: hebzucht en lust. Op dezelfde wijze kan ook boosheid in twee aspecten worden onderscheiden: woede en afgunst.

Zonder hebzucht zou het hart van de mens niet geprikkeld worden om de kost te verdienen, of zich bezig te houden met allerhande winstgevende ondernemingen. Zonder lust zou er geen verlangen zijn naar echtelijke relaties. Als woede niet zou bestaan, dan zou er geen moed, geen eergevoel, en geen neiging om je leven en bezit op deze wereld te beschermen. Als er geen afgunst is, dan zal er in het hart van de mens geen stimulans zijn om elkaar te overtreffen of om vooruitgang te boeken op deze wereld.

Dit zijn de vormen van hitte in het hart van de mens die hem motiveren en hem de drijvende kracht geven om voor levensonderhoud te werken, handel te drijven, te trouwen, zichzelf te beschermen en te streven anderen voorbij te gaan in de wedloop van het leven. Het doel van het Boek van Allah is om deze emoties in de juiste banen te leiden, zodat zij dienstbaar worden gemaakt aan de uiterlijke én innerlijke ontwikkeling van de mens.

Maar wanneer een mens deze emoties de verkeerde kant op stuurt, brengen zij hem juist in de afgrond van ondergang. Het brandende vuur van hebzucht sleurt de mens mee in daden van begeerte, egoïsme, oneerlijkheid, diefstal, roof en verraad — verdorven daden die het koele water van het leven doen opdampen, dat wil zeggen: de innerlijke rust en tevredenheid van zijn hart verdwijnt. Het vuur van lust voert hem tot overspel en de verwoestende gevolgen daarvan.

Het vuur van woede en afgunst voeren hem naar grof taalgebruik, geweld, vechten en zelfs bloedvergieten. Zo begint het eens koele water van het leven te koken, en verdwijnt alle kalmte en rust van het hart — vervangen door niets dan vuur dat binnenin woedt. En dat niet alleen: zelfs de sfeer die rondom hem hangt wordt verziekt door de giftige lucht van zijn zonden en overtredingen. En het kan niet anders, dan dat een ieder die in zijn nabijheid komt, aangetast wordt zijn giftige invloed.

Wanneer zo’n persoon uiteindelijk zich in het Hiernamaals omringd ziet door kokend water en een giftige, verzengende wind, dan is dit in werkelijkheid de omstandigheid en de toestand die zijn eigen wandaden hebben voortgebracht. En omdat hij in deze wereld Allah voortdurend ongehoorzaam was en zich afwendde van Zijn schaduw, en steeds vluchtte naar de schaduw van alles wat niet van Allah is, dan zal nu diezelfde valse schaduw over hem verschijnen in de gedaante van donkere, verhitte rook.

Het woord ‘zwart’ drukt de toestand uit waarin de mens in dit leven terechtkomt wanneer hij zijn toevlucht zoekt onder de schaduw van iets anders dan Allah. Onder zo’n schaduw vindt de mens geen vrede en ook geen echte verkoeling. Evenmin behoudt hij de waardigheid die hoort bij menselijke eer. Ware menselijkheid bestaat er slechts uit dat een dienaar van Allah zijn toevlucht en beschutting bij niemand anders zoekt dan bij zijn Heer. Wie de schaduw bij iets anders dan zijn Heer zoekt, vergooit eigenhandig de eer en edelheid van zijn menselijkheid.

Daarom heeft de heilige Profeet ons dit gebed geleerd:

Allāhumma akfinī bi-ḥalālika ʿan ḥarāmika wa aghninī bi-faḍlika ʿamman siwāka

“O Allah, maak wat U geoorloofd hebt gemaakt zo toereikend, dat ik nooit tot het verbodene verval. En laat mij van niemand anders afhankelijk zijn dan van U.”

Zo zal degene die in dit leven een andere schaduw dan de schaduw van Allah opzoekt — en daardoor zijn innerlijke rust en de waardigheid van zijn menselijkheid verliest — deze toestand in het Hiernamaals op duidelijke wijze ervaren: hij zal omhuld worden door een schaduw van dichte, hete rook — een schaduw die noch verkoeling noch eer biedt. En dit is niets anders dan het gevolg en de manifestatie van zijn eigen slechte daden.


45. Waarlijk gedroegen zij zich hoogmoedig in hun toestand van gemak.

Innahum kānū qabla dhālika mutrafīn

46. En zij volhardden in de grote overtreding.

Wa kānū yuṣirrūna ʿala-l-ḥinthi-l-ʿaẓīm

47. En zij plachten te zeggen: Wanneer wij sterven en vergaan tot stof en botten, zullen wij dan echt opgewekt worden?

Wa kānū yaqūlūna a idhā mitnā wa kunnā turāban wa ʿiẓāman a innā la-mabʿūthūn

48. En onze voorvaderen van vroeger ook?

A wa ābāʾuna-l-awwalūn

Ḥinth betekent een zeer ernstige zonde en ḥinthi-l-`azīm duidt op de meest zware van alle zonden.

Het woord mutraf komt van taraf, dat wijst op comfort of luxe. Een mutraf is iemand wiens rijkdom en comfort hem tot hoogmoed brengen.

Het vers zegt dat de oorzaak van hun bestraffing is dat zij, in het wereldse leven hiervoor, in zo’n overvloed en weelde leefden dat zij hoogmoedig werden. En door die hoogmoed voelden zij geen schaamte bij het begaan van zelfs de grootste zonden. Maar het bleef niet alleen bij het begaan van zulke zonden — zij voelden daarna ook geen berouw; integendeel, zij bleven daarin schaamteloos en stoutmoedig volharden.

Het is een feit dat wanneer de mens bedwelmd raakt door een leven van luxe en comfort, hij Allah, de Meest Hoge, totaal vergeet — Hem gedenken komt zelfs niet meer in zijn gedachten op. Hij gooit gehoorzaamheid aan Allah aan de kant en het kan hem niets schelen om na zijn dood voor Hem te moeten staan. Vertrouwend op zijn rijkdom en weelde geeft hij zich over aan allerlei losbandigheden en zonden zonder een greintje schaamte te voelen. En wanneer iemand hem probeert in te tomen, blijft hij koppig doorgaan, omdat zijn lagere ego volledig de controle over zijn hart heeft overgenomen. De dichter Omar Khayyam heeft dit op treffende wijze verwoord:

Bāde noshidan o hoshyār neshestan sahl ast
Var be dolat bari mast na gardi mardī

Wijn drinken en nuchter blijven is makkelijk.
Maar rijkdom verwerven en niet bedwelmd raken, dat is echte mannelijkheid.

Ik had eens een vriend aan wie Allah zeer veel rijkdom en gemak had gegeven, en ook aanzien en macht. Op een dag zei ik voorzichtig tegen hem: “Kom toch in elk geval eens het vrijdaggebed verrichten.” Maar hij schonk geen aandacht aan van mijn woorden. Toen dacht ik: als er geen kapper was, zou hij moeite hebben zich te verzorgen. Zonder wasman zouden zijn kleren niet schoon zijn. En zonder kok zou hij niet gemakkelijk aan een maaltijd komen. Zo had hij in feite nog talloze andere behoeften waarvoor hij altijd afhankelijk was van andere mensen.

In zijn leven is er geen plaats meer voor Allah, omdat Allah hem al uit pure goedheid alles heeft gegeven wat hij nodig heeft. Daardoor voelt hij geen enkele afhankelijkheid van Allah. Maar hoe zou hij dan ooit beseffen dat al zijn voorspoed in werkelijkheid een geschenk van Allah is? Hoe hoger iemand in de wereld stijgt, hoe meer hij zich juist nederig zou moeten tonen voor Allah. Het is immers Allah Die hem, door Zijn genade, boven vele anderen heeft verheven en hem rijkdom en macht heeft gegeven waardoor al zijn wensen vervuld worden. Toch blijft de zorgeloze mens blind voor deze waarheid: hij ervaart nooit een behoefte aan Allah. Vertrouwend op zijn rijkdom durft hij zelfs de zwaarste zonden te begaan, zonder schaamte. Als hij iemand dood wilt hebben, dan gebeurt dat; als hij iemands recht wilt afpakken, doet hij dat gewoon. Hij organiseert losbandige feesten vol ontucht en is daar zelfs trots op. Hij drinkt openlijk alcohol en bespot vrome gelovigen. In Monte Carlo vergokt hij duizenden roepies en loopt er nog mee te pronken ook dat hij zo modern is. In Parijs kijkt hij naar de dans van compleet naakte vrouwen en geniet van al die uitspattingen — zonder er ook maar een beetje schaamte voor te hebben. En als iemand hem probeert te waarschuwen, lacht hij diegene uit en gaat koppig door met zijn schandelijke daden.

Waarom durft iemand uiteindelijk zo schaamteloos en stoutmoedigheid slechte dingen te doen? Omdat rijkdom en luxe hem hebben doen vergeten dat hij ooit zal sterven — en dat er na de dood een leven is waarin hij verantwoording moet afleggen voor wat hij heeft gedaan. Als al zijn aardse begeerten steeds vervuld worden, wordt hij zo bedwelmd van genot en uitspattingen, dat hij zijn geweten sust door tegen zichzelf te zeggen dat het Hiernamaals en de afrekening van daden gewoon een verzinsel is. En na een tijd gaat dit idee zo diep in zijn hart en hoofd wortelen dat hij het Hiernamaals helemaal openlijk begint te ontkennen. Ook al zegt hij het niet hardop, zijn gedrag verkondigt het luid — in de taal van zijn eigen toestand — dat het leven Hiernamaals en de afrekening van daden alleen slechts ingebeelde verzinsels zijn. Want als iemand sterft en tot stof en botten wordt, keert dan ooit iemand terug tot dit leven? Wat een onzinnig idee — dat onze overleden voorouders, en wijzelf ook, allemaal weer tot leven zullen worden gebracht en opnieuw zullen moeten verschijnen!

Als iemand eenmaal gestorven is en stof is geworden — wat voor leven is er dan nog, en welke verantwoording? Volgens hen bestaat er alleen deze wereld, en niets anders. Dus: doe daarom maar wat je kunt en vergaar zoveel mogelijk rijkdom, op welke manier dan ook — want met geld koop je alle luxe en zekerheid. Tegen zulke mensen spreekt de Almachtige rechtstreeks de volgende woorden:


49. Zeg: waarlijk, de eersten en de laatsten.

Qul inna-l-awwalīna wa-l-ākhirīn

50. Zullen zeker verzameld worden op de vastgestelde tijd van een bekende Dag.

La-majmūʿūna ilā mīqāti yaumin maʿlūm

De Boodschapper — hij die door Allah naar de mensheid werd gestuurd met een boodschap van leiding, wiens waarheid al is bewezen met duidelijke bewijzen en duidelijke tekenen, en die Wij hebben ondersteund met hemelse wonderen — juist die Boodschapper krijgt de opdracht aan de mensen te verkondigen dat er zeker een tijd komt dat iedereen, van vroeger en nu, bij elkaar gebracht zal worden om verantwoording af te leggen. Die tijd komt onvermijdelijk, maar alles heeft zijn eigen vastgestelde uur. Haast u zich er dus niet naar. Als u verstand hebt, vrees dan die Dag, want het zal een buitengewoon zwaar moment zijn voor degenen die slechte dingen gedaan hebben. En het leven dat voortkomt uit die daden zal vol pijn en ellende zijn. Wilt u alvast een glimp zien van dat lijden, let dan op de volgende woorden.


51. Dan zult u, o u die dwaalden en loochenden.

Thumma innakum ayyuhā-l-ḍāllūna-l-mukadhdhibūn

52. Zeker van de boom van Zaqqūm eten.

La-ākilūna min shajarin min zaqqūm

53. Dan zult u uw buiken ermee vullen.

Fa-māliʾūna minhā-l-buṭūn

54. Dan zult u kokend water (ḥamīm) drinken.

Fa-shāribūna ʿalaihi mina-l-ḥamīm

55. En zult u drinken als dorstige kamelen (hīm).

Fa-shāribūna shurba-l-hīm

56. Dit is hun onthaal op de Dag des Oordeels.

Hādhā nuzulu-hum yauma-l-dīn

Zaqqūm is een doornboom. Dit is het voedsel van de slechtdoeners in het Hiernamaals.

Ḥamīm is kokend heet water. Dit is de drank van de slechtdoeners in het volgende leven.

Hīm is een dorstige kameel. Wanneer een kameel dorstig is, dan drinkt hij gulzig, omdat hij het water voor enige dagen opslaat in zijn onderbuik. Sommigen zeggen dat hīm verwijst naar zand, omdat zand namelijk ook water “drinkt”, doordat het het zo snel en volledig opzuigt, dat er niets van overblijft

Zaqqūm, of de doornboom, werkt uit zichzelf al tegen allerlei innerlijke gifstoffen in de mens. Maulānā Nūr ud-Dīn — moge Allah hem genadig zijn — probeerde dit middel eens uit bij een patiënt die leed aan syfilis. Hij zei toen: Ik dacht bij mezelf — de Hel is eigenlijk ook een soort ziekenhuis, waar de geestelijke ziekten die door zonden zijn ontstaan behandeld worden. Als Allah dus in het hemelse ziekenhuis van de Hel een geestelijke en innerlijke vorm van een doornboom en kokend water heeft voorgeschreven om het gif van de zonde in de mens onschadelijk te maken, waarom zouden wij dan hier, in deze wereld, de lichamelijke ziekten van het lichaam niet behandelen met een gewone doornboom en kokend water?

En zo bereidde hij pillen van het sap van de thohar (een euphorbia-plant) en gaf die aan een patiënt met syfilis, en liet hem er kokend water bij drinken. Na een paar dagen gebruik was hij, door Allah´s goedgunstigheid, helemaal genezen. Dit zijn werkelijk tekenen van geloof en overtuiging. Maar we hoeven er niet aan te twijfelen, dat als de vruchten van slechte daden geen bomen zoals zaqqūm en kokend water zijn, wat zijn ze dan? Zoals deze mensen zich in dit leven vol aten met zonden en elke lust en drift bevredigden met de gulzigheid van een dorstige kameel — zo krijgen zij nu zaqqūm als hun vrucht en kokend water als hun drank. Hiermee zullen ze hun buiken moeten vullen en hun dorst lesten. Zijn dit dan niet simpelweg hun eigen daden, die nu een tastbare vorm voor hen hebben aangenomen die zij zelf kunnen ervaren?

Een persoon blijft maar slechte dingen doen op deze wereld, en ook al proeft zijn geweten de bittere smaak ervan, hij negeert dat en maakt ze tot een vast onderdeel van zijn leven. Een corrupte ambtenaar, bijvoorbeeld, neemt steekpenningen — zijn geweten berispt hem, maar hij luistert niet en denkt: “Mijn leven hangt hiervan af.” Met andere woorden, hij behandelt het alsof het voedsel is waarmee hij zijn buik moet vullen — ook al voelt zijn geweten dat het bitter en vies smaakt, hij laat dat gevoel maar gaan en denkt, het zij zo.

Op dezelfde manier blijft een losbandige, verdorven persoon zich met ontucht inlaten. Zijn geweten blijft hem krachtig berispen, maar toch vindt hij het leven niet plezierig zonder deze daden. Met andere woorden, die daad wordt zijn dagelijkse brood om te leven — ook al is zij bitter voor zijn geweten en wrang voor zijn innerlijk. Toch blijft hij de honger van zijn verdorven natuur ermee stillen.

Bovendien heeft het kwaad nog een ander kenmerk: de drang of begeerte die een mens tot een slechte daad aanzet, wordt door die daad zelf nog verder aangewakkerd. Wanneer iemand eenmaal steekpenningen heeft aangenomen, houdt daar niet mee op. Integendeel; het vuur van hebzucht laait zelfs nog heviger op, en zijn corruptie wordt met de dag stoutmoediger. Op dezelfde wijze gaat een drinker elke dag door meer en meer tot zich te nemen. Eén drank brengt geen bevrediging, en dus gaat hij door en door en vindt nog steeds geen voldoening. Dit is ook zo het geval bij een gokker. Hij gaat door met gokken en kan zichzelf niet meer inhouden, en toch kan hij daar geen bevrediging in vinden.

Wanneer deze kwaden in het Hiernamaals vruchten voortbrengen, zal de mens — zoals hij in dit leven de bitterheid van zijn geweten voelde maar toch zijn buik bleef vullen met zonden — nu verplicht worden de vruchten van zijn daden te eten in de vorm van de doornboom van de Zaqqūm. Zijn geweten zal dan een nog veel scherpere bitterheid voelen, en hij zal die met angstaanjagende hevigheid ervaren. Wanneer hij ten volle beseft hoe verdorven zijn leven was en de gevolgen voor hem duidelijk worden, zal zijn hart in diepe droefheid wegzinken. Maar op die dag zal er geen verzachting zijn, want hij zal enkel kunnen eten van het voedsel en de doornen die hij zelf in dit leven heeft gezaaid.

Op die dag zal de onverzadigbare aard van het kwaad de vorm aannemen van kokend water. Deugdzaamheid schenkt de ziel immers vrede en verkwikking, zoals koel water dat doet. Het kwaad daarentegen brengt, zoals heet water, enkel onrust en pijn voort en kan geen rust of verkoeling geven. Integendeel, de hitte en bitterheid zullen steeds verder oplaaien. De verdorvenheid, die de mens nooit werkelijke bevrediging schonk maar slechts zijn hartstochten steeds sterker aanwakkerde, zal op de Dag der Opstanding veranderen in kokend water. Het lest noch de dorst, noch brengt het kalmte. En zoals hij in dit leven, gedreven door steeds heviger verlangens, bleef toenemen in het kwade zonder ooit verzadiging te vinden, zo zal hij ook in het hiernamaals gedwongen zijn om voortdurend van dat kokende water te drinken — als een dorstige kameel of als zand dat water opzuigt. Toch zal het hem geen soelaas bieden.

Een van de meer subtiele redenen waarom zaqqūm speciaal wordt genoemd als een bittere vrucht van het kwaad, is uitgelegd door de hervormer (mujaddid) van onze tijd, Mirzā Ghulām Aḥmad — moge Allah hem genadig zijn. Hij zegt dat in soera al-Dukhān, waar zaqqūm wordt beschreven als het voedsel van de bewoners van de Hel, de Almachtige zegt:

Dhuq innaka anta-l-ʿazīzu-l-karīm

“Proef! U bent voorwaar de machtige, de eerzame.” – 44:49.

Met andere woorden: als u zich niet hoogmoedig van de waarheid had afgekeerd vanwege uw macht en aanzien, en niet aan Allah ongehoorzaam was geweest, dan hoefde u vandaag niet de bittere vrucht van zaqqūm te proeven.

Als je goed nadenkt over de woorden van het vers, dan zie je dat het woord zaqqūm zelf eigenlijk een afgekorte vorm van dit vers is. Het is namelijk opgebouwd uit zaqq en umm: zaqq komt overeen met dhuq (proef!), en umm is de afkorting van: innaka anta-l-ʿazīzu-l-karīm (u bent voorwaar de machtige, de eerzame).

In het Arabisch is het zeer gebruikelijk om zulke afkortingen te gebruiken. Zo wordt ṣallā Allāhu ʿalaihi wa sallam afgekort tot ṣalʿam, en lā ḥawla wa lā quwwata illā bi-llāh tot ḥauqala. Precies om die reden wordt de zaqqūm vermeld, want de voornaamste oorzaak van slechte daden is de hoogmoed van zulke mensen. Door de invloed van die hoogmoed dwalen ze van de waarheid af en blijven ze hardnekkig vasthouden aan hun zonden. En als er een vrucht is die zulke daden kan representeren, dan is het wel de zaqqūm — een vrucht die niet alleen bekendstaat om haar afschuwelijke smaak, maar die zelfs in haar taalkundige opbouw de lage eigenschappen weerspiegelt die haar in bestaan hebben gebracht.

In deze verzen spreekt de Almachtige Allah de mensen aan die het leven na de dood ontkennen en zegt: “O u die dwaalt en loochent!” — wat betekent dat u de waarheid niet verwerpt omdat u gelijk heeft, maar omdat u zich in dwaling bevindt en daarom de waarheid afwijst. Daarom wordt gezegd: “O u die dwaalt en ontkent — luister nu naar de beschrijving van het leven dat het gevolg zal zijn van uw slechte daden.” Dat leven houdt in: u zult uw buiken moeten vullen met zaqqūm — maar het zal u niet verzadigen; en u zult proberen uw dorst te lessen met kokend water — maar uw dorst zal niet gelest worden. Dit is uw “onthaal” op de Dag der Vergelding — neem dat goed in u op.

En wat dan hun gedachte betreft dat leven na de dood onmogelijk is — dat is een valse redenering. Luister naar de juiste uitleg.


57. Wij hebben u geschapen, waarom aanvaardt u dan niet de waarheid (van de tweede schepping)?

Naḥnu khalaqnā-kum fa-law lā tuṣaddiqūn

58. Welnu, ziet u (inderdaad) de levenskiem die u afscheidt?

A fa raʾaitum mā tumnūn

59. Bent u het die dit schept, of zijn Wij de Scheppers?

 A antum takhluqūna-hū am naḥnu-l-khāliqūn

Khalaqa betekent iets scheppen volgens een vooraf bepaald ontwerp.

Allah zegt: Omdat Wij u al één keer hebben geschapen, waarom zou het dan onmogelijk zijn om u voor een tweede keer te scheppen? Degene Die u de eerste keer kon scheppen — waarom zou Hij dat niet opnieuw kunnen doen?

Wat de eerste schepping betreft, hoeft u niet ver terug te gaan — begin slechts bij het moment toen u een druppel zaad afscheidde die zijn weg in de baarmoeder vond. Dit was uw enige rol in dit proces. Zodra de geslachtscellen van man en vrouw zich verenigen en zich hecht in de baarmoeder, hebben noch man noch vrouw nog iets meer van doen met de schepping — behalve dat de twee vloeistoffen in de baarmoeder samengebracht zijn. Wie zorgt ervoor dat er leven komt in de geslachtscellen van man en vrouw? En wie maakt bij ieder van hen apart zo´n nauwkeurige planning, dat wanneer ze samenkomen, de gemengde druppel (nuṭfah amshāj) eerst het vermogen ontwikkelt de wand van de baarmoeder binnen te dringen, zich eraan te hechten en eraan te blijven hangen (wat ʿalaqah genoemd wordt), zodat zij de nodige stoffen uit het bloed van de moeder kan onttrekken om te groeien en zich te ontwikkelen?

Daarna komen de twee samen, en in de vorm van een nuṭfah amshāj (gemengde druppel) ontstaat er een heel fijn begin van leven. Het is zo minuscuul dat je het zonder microscoop niet kunt zien, maar toch ligt er al een compleet ontwerp in klaar voor het complete menselijk lichaam. Dus: hersenen, hart, longen, lever, maag, darmen, ogen, neus, oren, handen, voeten — alles heeft al een plek in de blauwdruk, nog voordat er ook maar één deel zichtbaar gevormd is. Daarna groeien en ontwikkelen al die lichaamsdelen zich op wonderlijke wijze. Op een bepaald punt krijgt het de aanleg om zich te ontwikkelen tot een mannelijk of vrouwelijk kind. Denk daarom na over dit hele proces: het tot stand brengen van leven in de nuṭfah, het vooraf vastgelegde plan voor elk onderdeel, en de kracht waardoor de twee druppels, zodra ze zich verenigen, in staat worden zich aan de baarmoeder te hechten.

Door hun vereniging voltrekt zich dit wonder in het nieuwe wezen: het begint zich te splitsen in afzonderlijke delen, en zo start de vorming van elk onderdeel van het menselijk lichaam. Bovendien zijn al deze delen niet alleen tot wederzijds nut, maar ieder is op zijn eigen plaats onmisbaar voor het leven zelf. Kan zo’n verfijnd ontwerp en dit hele proces werkelijk voortkomen uit menselijk plannen en handelen? Of heeft de mens, die slechts een druppel zaad afgaf en zich vervolgens terugtrok, hier enig aandeel in gehad?

Kunnen we dus zeggen dat het Wezen Dat al deze wonderen der schepping doet ontstaan niet in staat is de mens voor de tweede maal te scheppen? Hij is het immers Die alles in eerste instantie heeft geschapen, dus waar ligt de moeilijkheid om dit nogmaals te doen?

Is dan Hij, die deze gehele wonderbaarlijke en buitengewone schepping heeft voortgebracht, niet in staat de mens opnieuw te scheppen? Want ook de eerste keer was Hij het alleen Die alles tot stand bracht — wat zou Hem dan verhinderen dit opnieuw te doen? In werkelijkheid vindt de mens de tekenen van de Goddelijke Macht, die hij onophoudelijk voor zijn ogen ziet, niet langer verbazingwekkend; door hun voortdurende aanwezigheid zijn zij voor hem iets gewoons geworden. Terwijl in werkelijkheid elk afzonderlijk proces van de schepping zo verbazingwekkend is, dat als iemand er alleen over zou horen zonder het met eigen ogen te zien, hij het nooit zou geloven.. Hoe prachtig heeft ´Urfi dit verwoord:

Har kas na-shinā sanda rāz ast
Wagarna īn bāhama rāz ast
Keh maʿlūm-i ʿawām ast

Niet ieder kent het geheim.
En anders — wat voor geheim zou dit zijn,
wanneer reeds bekend bij het gewone volk?

Indien men hierover nadenkt, wordt duidelijk dat de eerste schepping van de mens in elk opzicht wonderbaarlijk is. Eens keek een Europese atheïstische arts door een microscoop naar de ontwikkeling van een kuiken in een kippenei. Toen hij dit aanschouwde, werd hij zo verbaasd dat hij spontaan uitriep: “Het lijkt alsof een God dit op ieder moment aan het vormgeven is!” Hoeveel indrukwekkender is dan niet de schepping van de mens! Eerst wordt elk detail tot in de kleinste maat vooraf vastgelegd; dan worden de middelen al van tevoren klaargelegd; en vervolgens, met zo’n buitengewone wijsheid en Goddelijke Macht, ontstaat geleidelijk het geheel van de belangrijkste organen van de mens — het ene na het andere. Vervolgens worden in elk afzonderlijk onderdeel leven en vermogens geplaatst, zodat ieder orgaan, in zijn eigen werkgebied, ten behoeve van de andere organen zijn functie uitoefent, op een manier die geen enkel systeem ter wereld kan evenaren. Zou dit alles kunnen zijn zonder een Schepper? Geen wijs mens kan dat ooit aannemen. Is er in deze wereld ooit een systeem geweest zonder een instantie die haar ordent? Heeft zoiets zich ooit aan het oog vertoond? Zo niet, hoe zou dit uiterst geordende en volmaakt wijze systeem van het menselijk bestaan — waarin alles onderworpen is aan een zo machtige wet dat niets eraan kan ontsnappen, en waarin niets beter geplaatst kan zijn dan op de plaats waar het is neergezet — ooit tot stand kunnen komen zonder een Ordenaar en Schepper?

Heeft het Wezen Dat dit wonderbaarlijke, wijze en ingewikkelde systeem heeft voortgebracht, dan ook niet de macht om de mens een tweede leven te schenken? Als wij erkennen dat ditzelfde Wezen de mens zijn eerste geboorte gaf, waarom zouden wij dan twijfelen aan Zijn vermogen om hem na de dood opnieuw tot leven te wekken?

Het is waar dat alle moeilijkheden die gepaard gaan bij de oorspronkelijke schepping van een bepaald ding verborgen zijn voor onze ogen, omdat die kant en klare schepping voor onze ogen staat. Wanneer iets voor ons staat, zijn alle moeilijkheden die bestonden voordat het in bestaan werd gebracht uit ons blikveld verdwenen. Wanneer iemand voordat de radio was uitgevonden, had voorspeld dat zo’n apparaat zou worden uitgevonden, dan zou men hem voor gek verklaren. En wanneer de uitvinder van de telegraaf beweerd zou hebben dat er telegrammen verzonden konden worden zonder stroomdraden, dan zouden de mensen inderdaad denken dat hij krankzinnig was. Maar nu, in onze tijd, hebben de aanwezigheid van de telegraaf en de radio alle twijfel over hun mogelijkheid weggenomen.

Zo was dus de eerste schepping van de mens. In het begin was er energie — louter kracht. Uit die Goddelijke Macht kwam de ether voort. Uit de ether ontstond de nevel. Uit de nevel werden de elektronen gevormd, de elementaire deeltjes van elektriciteit. Hieruit kwamen de materiële atomen, waaruit de levenloze elementen ontstonden. Die levenloze elementen namen de vorm aan van aarde en water, en daaruit kwamen de planten en de dieren voort. Daaruit ontwikkelde zich tenslotte de mens. Dit was de nashʾat al-ūlā (de eerste wording).

In deze nashʾat al-ūlā zijn in elke fase van de scheppingsketen miljoenen en nog eens miljoenen jaren verlopen, totdat alle stadia van evolutie doorlopen waren en de mens ten tonele verscheen. En nu, eenmaal op dit punt aangekomen, zou het dan voor Allah, Die al die ontzaglijke en eindeloze fasen van de nashʾat al-ūlā tot stand heeft gebracht, moeilijk zijn om in de volgende fase aan de mens slechts een andere vorm van schepping te schenken — die nashʾat al-ākhirah genoemd wordt? De dood is slechts de naam voor een overgang van toestand, of voor het punt waar de nashʾat al-ūlā eindigt en de nashʾat al-ākhirah begint. Zoals wordt verkondigd:


60. Wij hebben de dood onder u verordend en Wij zullen niet overwonnen worden.

Wa laqad qaddarnā baina-kumu-l-mauta wa mā naḥnu bi-masbūqīn

61. Opdat Wij uw vorm of toestand (amthāl) veranderen en u voortbrengen in een ander bestaan waar u geen weet van heeft.

 ‘Alā an nubaddila amthāla-kum wa nunshiʾa-kum fī mā lā taʿlamūn

Amthāl is afgeleid van mathal, dat ook de betekenis draagt van een eigenschap van een ding (volgens de Mufradāt van Imām Rāghib). Dit is de betekenis in deze context — namelijk ‘toestand. Dus wanneer er gezegd wordt: “Wij hebben de dood onder u verordend,” ligt daarin een duidelijk bewijs besloten dat er een andere Wezen is die de dood heeft beschikt, want de mens verlangt van nature niet naar de dood. Als de mens zijn eigen schepper was, zou hij de dood nooit voor zichzelf hebben bestemd.

Vervolgens wordt gezegd dat de dood beschikt is opdat uw toestand veranderd wordt, en dat u in een ander bestaan gebracht zult worden — een bestaan waarvan u de aard en kwaliteit niet begrijpt — waarin uw ontwikkeling voortgezet zal worden. En Wij zijn hierin niet machteloos; integendeel, voor Ons is het zeer gemakkelijk.

In deze verzen wordt de werkelijke betekenis van de dood duidelijk gemaakt: het is niets anders dan het veranderen van de toestand en vorm van de mens. Aangezien de toekomstige ontwikkeling van de mens zo reusachtig is, kan zijn materiële lichaam dat niet dragen. Daarom is de dood aan het lichaam opgelegd, zodat de menselijke ziel ervan bevrijd kan worden. Wat in de volksmond dus dood heet, is in werkelijkheid slechts de verandering van de toestand en vorm van de mens. Door die verandering wordt de menselijke ziel losgemaakt van het stoffelijke lichaam en overgebracht in een andere toestand en vorm, zodat zijn groei en vooruitgang daarna kan doorgaan. Met andere woorden: ook de dood is een middel van inshāʾ (groei) — dat wil zeggen, vooruitgang. En het is absoluut waar dat de mens de kwaliteit en aard van die toekomstige toestand nog niet volledig kent.

Een andere betekenis de woorden ʿalā an nubaddila amthāla-kum (Opdat Wij uw toestand veranderen) vers is ook dit: door u te laten sterven, kunnen anderen zoals u uw plaats innemen. En Wij zullen u voortbrengen in een ander bestaan dat u niet kent, en daarin zal uw groei verdergaan. Zo maakt de dood in deze stoffelijke wereld plaats voor anderen, terwijl Hij u tegelijkertijd overbrengt in een andere toestand en wereld, zodat uw vooruitgang zich kan voortzetten.

Het vers lijkt ook op subtiele wijze een profetie te bevatten: namelijk dat over die ontkenners van het Hiernamaals en de verwerpers in Mekka spoedig de dood zal neerdalen, en dat de moslims hun plaats zullen innemen. En dit zal dienen als bewijs dat ook u (o dwalenden en verwerpers) na de dood weer tot leven zullen worden gebracht.

Kortom, de dood is feitelijk niets anders dan een verandering van toestand. En die verandering is nodig, omdat een wezen dat voorbestemd is om verder te groeien, zijn vooruitgang niet langer kan voortzetten binnen de huidige staat. Daarom brengt de Voorzienigheid, volgens de wetten van de evolutie — zoals we steeds weer zien in het Boek der Natuur — dat wezen over van de ene toestand naar de andere, zodat het verdere vooruitgang kan bereiken. Daarop doelt ook het volgende vers, waarin gezegd wordt:


62. En voorzeker kent u de eerste schepping; waarom slaat u (er) dan geen acht (op)?

Wa laqad ʿalimtumu-l-nashʾata-l-ūlā fa-law lā tadhakkarūn

Dit vers vestigt de aandacht op het feit dat de mens de eerste schepping kent — dat wil zeggen, hij is vertrouwd met het begin van de scheppingsketen: dat er aanvankelijk niets anders bestond dan energie. Door Allah’s macht werd de ether voortgebracht waaruit nevels ontstonden, daarna de elektronen (d.w.z. elektrische lading), en vervolgens de materiedeeltjes waaruit de mineralen ontstonden. Toen deze mineralen zich met water vermengden en aarde vormden, kwamen planten en dieren voort. Na verscheidene fasen van evolutie verscheen tenslotte de mens ten tonele. Waarom zou de menselijke ziel, overeenkomstig deze evolutiewet, dan geen hoger stadium kunnen bereiken in een toekomstig leven, waarin zij haar ontwikkeling voortzet?

Kan de mens in deze keten van schepping en evolutie niet herkennen dat, zodra iets zijn volle groei in een bepaald stadium heeft bereikt en daar niet langer kan doorgroeien, het verandert van toestand om in een nieuw stadium verder te gaan? Toen de mineralen hun hoogste punt bereikten, werden zij in een nieuwe vorm omgezet: die van planten. Toen planten hun grens bereikten, werden zij getransformeerd tot dierlijk leven. En toen ook het dierlijke stadium zijn toppunt bereikte en niet verder kon gaan, werd dit gevolgd door het stadium van de mens.

Welnu, wanneer de mens geen verdere vooruitgang meer kan maken in zijn fysieke toestand, komt de dood om de ziel te bevrijden van haar aardse banden, zodat zij kan opstijgen tot de hoogste graad van geestelijke verheffing. Dit vers vraagt daarom aan de mens: als de eerste schepping pal voor zijn ogen staat, waarom trekt hij daar dan geen lering uit, en waarom trekt hij niet de juiste en logische conclusies?

Wanneer wij nadenken over het boek der natuur, dan wordt het duidelijk dat de Schepper niet beoogt het bestaan van de mens teniet te doen. Integendeel, Hij heeft voor de mens een voortbestaan beschikt. Een argument hiervoor is de noodzaak van een evolutieketen — waarop Allah, de Allerhoogste, in de voorgaande verzen zinspeelt — wanneer Hij ons oproept na te denken over de eerste schepping. Volgens de wet der evolutie is immers het doel van verandering in toestand van een wezen dat de weg wordt geopend naar verdere vooruitgang in een hoger stadium. Daarom is de dood slechts een andere naam voor een verandering in toestand, zodat de menselijke ziel haar opmars kan voortzetten.

Een ander bewijs wordt in de latere verzen gegeven, waarin de mens wordt uitgenodigd zijn eigen natuur te onderzoeken. Heeft hij diep in zijn hart niet een natuurlijk verlangen om voort te blijven leven? Als dat zo is — en dit is het sterkste van alle verlangens in de menselijke natuur — dan is de vraag of de natuur ook middelen heeft verschaft om dit ingeboren verlangen te vervullen. Indien zulke voorzieningen aanwezig zijn, vormt dat een afdoend bewijs dat dit instinct van de mens niet zonder doel is, maar een werkelijk einddoel dient. Want als de natuur externe onderhoudende systemen voor hem beschikbaar stelt, betekent dit dat zijn Schepper Zelf voor hem een eeuwigdurend leven heeft gewild.

Ik heb vaak uiteengezet dat de reden waarom de ziel wordt verlost van haar aardse banden en tot een hoger niveau wordt verheven, is dat zij volgens de wet der evolutie die vooruitgang kan bereiken die in deze wereld niet mogelijk is. Maar de ziel kan deze vooruitgang — waarvoor zij naar een volgend leven moet overgaan — niet verkrijgen, tenzij zij in dit stoffelijke bestaan vooruitgang en volmaaktheid in morele voortreffelijkheid bereikt. Dit is afhankelijk van geloof in de beginselen van de waarheid, gevolgd door vrome daden die met dat geloof overeenstemmen. Dit zijn de twee voorwaarden (geloof en rechtschapen daden) waarvoor de menselijke ziel een stoffelijk lichaam nodig heeft, uitgerust met zintuigen, emoties, verstand en inzicht.

Het natuurlijke instinct tot voortbestaan, dat in het menselijk hart aanwezig is, uit zich allereerst in het verlangen om het fysieke lichaam te behouden. Zonder dit lichaam kan de mens immers noch de beginselen van de religie naleven, noch goede daden verrichten. Daarom moeten we, nog vóór we nadenken over de voorzieningen die de natuur in deze wereld heeft getroffen voor de ontwikkeling van hoge zeden en geestelijke volmaaktheid, ons eerst afvragen: heeft de natuur in de buitenwereld (externe omgeving) maatregelen getroffen om dit aangeboren verlangen van de mens te vervullen — namelijk het voortbestaan van het fysieke lichaam — of niet? Als het antwoord bevestigend is, bewijst dit dat de natuur zelf verlangt dat het lichamelijke leven van de mens stevig gegrondvest is. Want alleen dan kan hij in dit leven zijn ziel vervolmaken, zich geschikt maken voor het ontvangen van het eeuwige leven, en zich waardig tonen voor een voortdurende progressie in het leven na de dood.

We moeten allereerst nagaan of de natuur, om dat inherente verlangen van de mens te vervullen, voorzieningen heeft getroffen om het fysieke lichaam in stand te houden. Daarbij moeten we erkennen dat het bestaan van de mens afhankelijk is van de warmte in zijn lichaam, die wij lichaamstemperatuur noemen,en die noodzakelijk is om het lichaam in leven te houden. Zolang deze warmte in evenwicht blijft, kan men zelfs bij het stoppen van de ademhaling of het stilvallen van het hart de hoop op leven niet opgeven. Met andere woorden: het op de juiste hoogte houden van de lichaamstemperatuur is een ander woord voor het leven van het menselijke lichaam.

Om aan deze noodzakelijkheid te voldoen, heeft de natuur drie middelen verschaft. Ten eerste: warmte wordt in het menselijk lichaam zelf opgewekt, en dit gebeurt door voedsel. Ten tweede: wanneer de lichaamstemperatuur boven een bepaald maximum stijgt, wordt zij verlaagd door water. Ten derde: wanneer het lichaam warmte verliest, wordt dit tekort aangevuld door vuur.

Voedsel

Welk voedsel de mens ook eet, het wordt in maag en darmen verteerd en komt vervolgens via de bloedbaan samen met de zuurstof hij inademt. Het verteerde voedsel en de zuurstof vermengen zich en reageren krachtig — in chemische termen: zij verbranden. Zo wordt de lichaamstemperatuur in het lichaam zelf voortgebracht. Wie denkt dat warme kleding uit zichzelf warmte bevat, vergist zich. Geen enkel kledingstuk bezit warmte; warme kleding heeft slechts dit voordeel: dat zij voorkomt dat het lichaam warmte verliest. Het is dus de innerlijke warmte van het lichaam zelf die het menselijk lichaam warm houdt. Kortom: voedsel is de bron die de lichaamswarmte produceert.

Water

Water is het middel waardoor de lichaamstemperatuur op een normaal peil blijft. Wanneer voedsel de warmte te veel doet stijgen, ontstaat dorst. Vaak kiest de mens verkeerd voedsel en eet hij soorten die meer warmte voortbrengen dan nodig, waardoor hij buitengewoon veel dorst krijgt. Soms neemt de verbranding van de voedselreserves in het bloed sterk toe door zware arbeid, wat eveneens een toename van warmte veroorzaakt. Om deze overmatige warmte terug te brengen tot een gezond niveau, heeft het lichaam water nodig.

Wanneer heet voedsel, zware arbeid of koorts de lichaamstemperatuur boven het normale peil brengt, ontstaat hevige dorst. Op zulke momenten moet men water drinken om de hitte te verminderen. Daarom wordt water tegenwoordig gezien als het beste middel tegen koorts. Glorie zij Allah, dat onze heilige Profeet dit veertienhonderd jaar geleden reeds heeft gezegd: het medicijn voor koorts is water. Met andere woorden: wat Europese wetenschappers nu hebben ontdekt, werd eeuwen geleden al geopenbaard door die ongeletterde Profeet. Daarom wordt de heilige Profeet terecht een natuuronderwijzer in de ware zin genoemd, en de bron van zijn kennis was de Goddelijke wijsheid.

Vuur

Er is nog een ander middel waardoor de mens zijn lichaamstemperatuur op normaal peil kan houden, en dat is vuur. Wanneer de warmte van het lichaam zelf onvoldoende is om intense kou te weerstaan, en zelfs warme kleding tekortschiet om de lichaamstemperatuur op peil te houden, moet hij zich bij vuur verwarmen. Zo kan die externe warmtebron het tekort in lichaamstemperatuur aanvullen.

Samenvattend: om het leven van het lichaam in stand te houden, is een stabiele lichaamstemperatuur onmisbaar. Om deze warmte te creëren en te behouden heeft de natuur drie natuurlijke behoeften in de mens gelegd: honger, dorst en het gevoel van kou. Vervolgens rijst de vraag of de natuur ook externe middelen heeft geschapen om aan deze instinctieve behoeften te voldoen. Zoals eerder uiteengezet, zijn er inderdaad drie middelen aanwezig in de uiterlijke wereld: voedsel om de honger te stillen, water om de dorst te lessen en vuur om de kou te verdrijven. En deze drie middelen bestaan niet alleen — er is bovendien in de hele schepping een harmonieuze samenwerking waardoor zij voor de mens beschikbaar worden.

In de daaropvolgende verzen benadrukt de heilige koran dat de mens geen enkele rol heeft gespeeld bij het tot stand brengen van deze voorzieningen. Het is uitsluitend zijn Schepper Die, door Zijn almacht, deze middelen voor de mens heeft voortgebracht, zodat hij zijn natuurlijke verlangen naar voortbestaan kan vervullen. Deze zaken liggen zo ver buiten het bereik van het menselijk vermogen dat, als de natuur dit niet had gedaan, de mens er zelf nooit in zou zijn geslaagd. Want om zulke voorzieningen te scheppen, moeten de natuurkrachten zich met een ongekende efficiëntie verenigen en samenwerken — iets dat volstrekt onmogelijk is voor een zwak en hulpeloos mens.

Het staat dus buiten kijf dat, nu de mens enerzijds het natuurlijke verlangen bezit om zijn fysieke leven te behouden en de natuur daartoe drie behoeften in hem heeft gelegd — honger, dorst en gevoel van kou — de natuur anderzijds ook externe middelen heeft gegeven om deze behoeften te vervullen: voedsel, water en vuur. Bovendien werkt de gehele fysieke wereld mee aan het verschaffen van deze noodzakelijke middelen. Hieruit volgt dat de ingeboren verlangens van de mens geen loze impulsen zijn, maar een werkelijk en dieper doel dienen.

Wanneer er in de mens een natuurlijk instinct schuilt om voort te blijven leven, en het eerste stadium daarvan het behoud van zijn stoffelijke lichaam betreft, zien we dat de natuur dit eerste stadium op de best mogelijke wijze vervult. En als de natuur met overvloedige macht, glorie en majesteit voorzieningen heeft getroffen om dit eerste stadium van zijn aangeboren verlangen te bevredigen, dan ligt daarin het bewijs dat zij hetzelfde heeft gedaan voor het tweede stadium van de mens: het voortbestaan van de ziel en haar oneindige vooruitgang.

Wanneer de natuur daarnaast externe middelen heeft gegeven om beide aangeboren verlangens naar een voortdurend leven te vervullen, dan volgt daaruit dat zij ook voor de mens een eeuwigdurend leven heeft beschikt. De dood betekent dan geen vernietiging, maar is eerder een verandering van toestand, waardoor de mens zich kan losmaken van het stoffelijke bestaan en in aanmerking komt voor toekomstige vooruitgang. Met andere woorden: de overgang die plaatsvindt bij de dood dient om een voortdurend leven te bevorderen, zodat de mens in het volgende stadium een volmaaktheid kan bereiken die in het aardse bestaan onmogelijk is.

Het is ook waar dat het eeuwigdurende leven alleen een gave van de natuur is — anders gezegd: het hangt enkel en alleen af van de goedgunstigheid van de Almachtige — want bij elke stap naar dat eeuwige leven heeft de mens de helpende hand van de natuur nodig. Uit zichzelf kan de mens niets tot stand brengen dat ook maar enigszins lijkt op een voortdurend bestaan. Alles wat bestaat, komt tot stand door de goedgunstigheid van Allah, de Meest Hoge, en berust voor zijn totstandkoming op de natuur.

Ik heb hierboven uitgelegd dat de sterke drang van de mens om zijn lichamelijk welzijn te bewaken het eerste stadium vormt van zijn aangeboren verlangen naar een voortdurend leven. Het tweede stadium blijkt uit het diepe, sluimerende verlangen van de ziel naar volmaaktheid, waardoor de mens het ware doel van zijn bestaan kan vervullen. Dit bereikt hij door te handelen naar de leiding en lering die zijn Schepper heeft neergezonden. Dit tweede stadium wordt, volgens de opbouw van dit hoofdstuk, behandeld in de derde paragraaf. Het eerste stadium wordt toegelicht in de verzen die direct hierna volgen.

Zie hoe mooi de rangschikking is waarin de aandacht wordt gevestigd op de externe voorzieningen die de natuur heeft gemaakt om de drie instinctieve verlangens van de mens te bevredigen — honger, dorst en gevoel van kou — om de fysieke stabiliteit van zijn lichaam te garanderen.


63. Hebt u beschouwd wat u zaait?

A fa raʾaitum mā taḥruthūn

64. Bent u het die het doet groeien, of zijn Wij de Veroorzakers van de groei?

A antum tazraʿūna-hū am naḥnu-l-zāriʿūn

65. Als het Ons had behaagd, zouden Wij er kaf van maken, dan zou u klagen.

Law nashāʾu la-jaʿalnā-hu ḥuṭāman fa-ẓaltum tafakkahūn

66. Waarlijk zijn wij met verlies beladen.

Innā la-mughramūn

67. Nee, wij zijn beroofd.

Bal naḥnu maḥrūmūn

Tafakkahūn is afgeleid van fakiha wat verbaasd zijn betekent. Het betekent ook spijt voelen.

Eerst wordt stilgestaan bij voedsel, omdat dit het allereerste is wat nodig is voor het voortbestaan van de mens. De heilige koran benadrukt dat als de mens denkt dat hij zelf voedsel schept, hij zich vergist. Hij weet zelfs niet waar het graan dat hij zaait oorspronkelijk vandaan komt. Hierop volgt een reeks vragen aan hem: wie ontwierp de unieke eigenschappen van het graan, waardoor het in de aarde kan ontkiemen? Wie plaatste alle eigenschappen in de aarde die het zaad opneemt, waarna er jonge scheuten uit de grond ontspringen? Wie voorziet in regen en water als voeding voor hen? Wie schiep de zon en de maan om ze te laten rijpen? Wie maakte de zeeën die door waterdamp voor regen zorgen? Wie doet de winden waaien?

Het enige wat de mens kan claimen is dat hij het zaad in de grond heeft gestopt. Hij heeft het zaad zelf niet gemaakt, en hij heef aan de aarde niet die stoffen gegeven die de plant opneemt om te groeien. Hij laat de regen niet vallen, noch heeft hij de zon en de maan geschapen. Hij kan de winden niet laten waaien. Kortom, van begin tot eind is al het graan — en daarom ook, elke andere vorm van voedsel — alleen door zijn Schepper aan hem gegeven. En de machteloosheid van de mens hierin blijkt wel uit het feit dat als Allah, de Almachtige, zijn graanoogst zou willen laten vergaan, hij daar niets aan zou kunnen doen. Wormen kunnen in de planten verschijnen en de oogst vernietigen. Muizen kunnen aan de gewassen knagen en ze vernielen. Soms zwermen sprinkhanen massaal neer en vreten alles kaal. Ook regenstormen en overstromingen richten verwoesting aan en vernielen oogsten. Kortom, met al deze vijandige elementen in het achterhoofd, als Allah, de Meest Hoge, deze oogsten niet zou redden via Zijn almacht, dan zou de mens niets te oogsten hebben, en blijft er voor hem niets anders over dan in tranen uit te barsten, vol spijt en verbazing, over de verwoesting van zijn gewas en uit te roepen: “Wij zijn met verlies beladen; wij zijn beroofd.” Verlies komt vaak omdat iemand eerst nog een lening moet afsluiten om het zaad te kunnen kopen. Daarna ploegt hij en zwoegt hij hard. En toch waren al die inspanningen voor niets — het enige resultaat is verlies en armoede zodat er niets meer overblijft voor de toekomst.

Het levensonderhoud van de mens ligt dus helemaal buiten zijn handen. Het is de Almachtige Die op wonderschone wijze de hemelse en aardse middelen heeft samengebracht, waardoor er voedsel voor de mens wordt voortgebracht. Verder beschermt Hij, vanuit Zijn genade, continu zijn oogsten tegen allerlei rampen en moeilijkheden. Pas dan kan de mens een stukje brood in zijn mond stoppen.

Zo wordt deze natuurlijke eis van de mens tot het behoud van het leven uitsluitend vervuld door de hand van Allah’s voorzienigheid. En dit betekent dat het eveneens de wil van Allah’s voorzienigheid is dat de mens niet in het niets vergaat, maar juist een voortdurend bestaan van leven ontvangt. En is het dan niet noodzakelijk dat Allah op gelijke wijze ook geestelijk voedsel heeft geschapen? En dit geestelijk voedsel zijn de juiste geloofsbeginselen en rechtschapen daden, waardoor de menselijke ziel wordt vervolmaakt en waardoor haar werkelijke leven tevoorschijn komt, wat de bron vormt van haar eeuwige voortbestaan.


68. Heeft u het water beschouwd dat u drinkt?

A fa-raʾaitumu-l-māʾa-llaḏhī tashrabūn

69. Bent u het die het naar beneden brengt uit de wolken, of zijn Wij het die het naar beneden brengen?

A antum anzaltumū-hu mina-l-muzni am naḥnu-l-munzilūn

70. Als het Ons had behaagd, hadden Wij het zilt gemaakt; waarom zegt u dan geen dank?

Law nashāʾu jaʿalnā-hu ujājan fa-law lā tashkurūn

Muzn betekent een heldere wolk, een witte wolk – dat wil zeggen – een wolk die op het punt staat regen neer te storten.

Het tweede dat nodig is voor het behoud van het menselijk leven is zoet drinkwater. De zee, waaruit waterdamp opstijgt en als regen op het land neervalt, is buitengewoon zout, zodat de mens er zelfs geen druppel van op zijn tong kan verdragen; het snijdt als zuur en als het in de ogen komt, veroorzaakt het een branderig gevoel. Om deze reden is zoet drinkwater het meest belangrijke dat aan boord van schepen op zee wordt opgeslagen. Het is wel eens voorgekomen dat zeilschepen die in stormen terechtkwamen hun voorraad drinkwater opgebruikten, waarna de bemanning kronkelde van de dorst en stierf – want niemand kan zout zeewater drinken. Als dat water op het land valt, maakt het de grond zelfs zout. Kortom, al het zoete water op aarde is afkomstig van regen: dit is het water dat de mens drinkt en waaruit alle graan, gewassen en boomgaarden voortkomen.

Als dit zoete water niet zou bestaan, of als het brak zou zijn, dan zouden zowel het menselijk leven als zijn levensonderhoud geheel ophouden. Daarom vraagt Allah, de Almachtige, aan de mens: Zeg mij, is dit zoete water, dat zo essentieel is voor uw leven – de lichtstralen van de zon, de opstijgende dampen uit de zeeën, het waaien van de wind, het ontstaan van wolken en hun neerslag in de vorm van regen, en vervolgens hun ophoping in de aarde in de vorm van bronnen, rivieren, sneeuw en putten – is dit alles uw werk?

Als u hier helemaal geen rol in speelt, hoe groot is dan uw ondankbaarheid – dat u, terwijl u getuige bent van deze machtige daad van Allah´s voorzienigheid, die Hij heeft verricht om uw fysieke leven in stand te houden, toch Zijn leringen verwerpt die Hij u in de vorm van spirituele regen heeft gezonden om het werkelijke leven van uw ziel in stand te houden. Dezelfde God die zulke maatregelen heeft getroffen voor het voortbestaan van uw fysieke leven – waarom zou Hij dan niet ook voorzieningen hebben getroffen voor het voortbestaan van het ware en spirituele leven van de ziel? Hoe ondankbaarheid bent u dan dat u deze realiteit verwerpt?


71. Heeft u het vuur gezien dat u ontsteekt?

A fa-raʾaitumu-l-nāra-llatī tūrūn

72. Heeft u de bomen daarvan geschapen, of zijn Wij de Schepper?

A antum anshaʾtum shajarata-hā am naḥnu-l-munshiʾūn

73. Wij hebben het (d.i., het vuur) tot een vermaning gemaakt en tot een voorziening voor de reizigers.

Naḥnu jaʿalnā-hā tadhkiratan wa matāʿan li-l-muqwīn

Matā` betekent voorzieningen of nuttige zaken.

Muqwīn komt van aqwā wat de woestijn ingaan betekent. Vandaar dat muqwīn reizigers betekent.

Het derde wat de mens nodig heeft voor het behoud van zijn leven is vuur. Het was de heilige koran die als eerste verklaarde dat vuur van bomen afkomstig is. Toen steenkool werd ontdekt, maakten critici grote ophef tegen deze bewering. Geologisch onderzoek heeft echter uiteindelijk bevestigd dat steenkool in feite afkomstig is van bomen. Deze bomen groeiden honderdduizenden jaren geleden op aarde, en door aardverschuivingen en aardbevingen werden zij onder de aarde begraven en vormden zo steenkool. Kortom, welke steenkoolvoorraden er zich ook in de aarde bevinden, ze zijn allemaal ontstaan uit bomen. En brandhout verkrijgt men, zoals men weet, ook van bomen.

Het vers legt de nadruk op de relatie tussen vuur en bomen. Dit lijkt hoogstwaarschijnlijk op het volgende te berusten: vuur lijkt latent in bomen aanwezig is. Want het zijn de lichtstralen van de zon die de groene boom absorbeert en opslaat in zichzelf. De heilige koran verwijst elders hierop:

“Hij is het, Allah, Die voor u vuur voortbrengt uit de groene boom. En zie, daaruit ontsteekt u.” (36:80).

Dat wil zeggen dat het de groene bomen zijn die het middel zijn om vuur te produceren. Groene bomen hebben de bijzondere eigenschap dat ze zonlicht absorberen en ze in zichzelf opslaan. Wanneer ze droog worden en brandhout worden, en je er vuur mee aansteekt, dan manifesteert dat opgeslagen zonlicht zich, in combinatie met zuurstof, als vuur. Kortom, de voorzieningen die de Schepper heeft gemaakt om vuur te produceren, komen in de vorm van bomen. Daarom vraagt Allah, de Meest Hoge, aan de mens: Zijn deze bomen, die zorgen voor het bestaan van vuur, door u geschapen, of door Ons? U bestond nog niet eens toen deze bomen al bestonden. Wie heeft dan de middelen voor hun schepping verschaft – de aarde met daarin zaden, en om die zaden te laten groeien, de noodzakelijke elementen in de aarde, en de zon, en de regen? En wie heeft die vervolgens de eigenschap gegeven om te branden en vuur te produceren? Wie heeft die het vermogen gegeven om zonlicht te absorberen en dat in zichzelf op te slaan – op zo subtiele wijze, dat men niet kan waarnemen waar het is opgeslagen? Het is duidelijk dat de mens hier absoluut geen aandeel in heeft.

Het is uitsluitend Allah die, door Zijn almacht, de natuurlijke behoefte van de mens voor zijn levensbehoud heeft vervuld. Maar dat niet alleen – Hij verklaart ook dat er in de schepping van vuur een vermaning en een voorziening voor reizigers schuilt. Zie hoe ondoorgrondelijk Allah’s kennis van het ongeziene is. Wie had veertien eeuwen geleden kunnen weten dat dit vuur op een dag een uiterst nuttige voorziening voor reizigers zou worden – dat treinen erdoor zouden worden aangedreven, stoomschepen erdoor zouden varen, vliegtuigen erdoor zouden vliegen, auto’s erdoor zouden rijden, en dat een reis van maanden in dagen zouden worden afgelegd, en een reis van dagen in uren? Hoe groot is dus deze matāʿ – dat wil zeggen, deze nuttige voorziening – voor mensen die reizen!

Dan volgt er ook een vermaning: vuur is hem slechts dan van groot nut, wanneer het met gepaste behoedzaamheid en voorzichtigheid wordt gebruikt, want het moet onder controle worden gehouden en moet volgens strenge regels en wetten gebruikt worden. Bij de minste onvoorzichtigheid, wanneer vuur buiten zijn grenzen treedt, wordt juist dit vuur – dat het mogelijk maakt om in een oogwenk reizen af te leggen – de oorzaak van de ondergang en vernietiging van de reiziger. Vliegtuigen, locomotieven, stoomschepen en auto´s worden onbruikbaar en zelfs vernietigd, omdat hun motoren oververhit raken en in brand vliegen.

Op dezelfde wijze is de mens ook een reiziger op deze wereld. Ook hij moet stadia van geestelijke vooruitgang doorlopen, waar zijn toekomstig leven van afhangt. Om hem in staat te stellen dit te doen, is hij uitgerust met het vuur van emoties. Net zoals lichaamstemperatuur noodzakelijk is om zijn fysieke leven te laten voortbestaan, zo is ook het vuur van emoties een eerste vereiste voor het laten voortleven van zijn ziel. Natuurlijk moet ook dit innerlijke vuur, net als het uiterlijke, met gepaste behoedzaamheid toegepast worden, volgens strikte regels en wetten. Dit vuur van emoties maakt snelle vooruitgang op het pad van spirituele ontwikkeling mogelijk. Net zoals fysiek vuur treinen of motoren aandrijft en reizigers rap over grote afstanden vervoert, zo brengt ook het innerlijke vuur van menselijke emoties hem snel door de stadia van het spirituele. Alleen is het noodzakelijk dat dit vuur binnen de grenzen wordt gehouden en met gepaste mate wordt gebruikt, want als dat vuur uit de hand loopt, dan veroorzaakt het zijn verwoesting in deze stoffelijke wereld en stuurt het hem in het volgende leven naar de hel.

Aan het begin van dit hoofdstuk heb ik al naar voren gebracht dat alle emoties van de mens in twee categorieën kunnen worden verdeeld: enerzijds liefde en anderzijds boosheid. Men kan nog verdere onderverdelingen maken, maar om het eenvoudig te houden, beperken we ons tot deze twee categorieën. Men moet ook bedenken dat de islam niet tot doel heeft de menselijke emoties te elimineren, zoals het monnikendom dat voorstaat. Als het elimineren van deze emoties een deugd zou zijn, waarom zou de Schepper ze dan überhaupt hebben geschapen?

Stel dat de mens geen liefdesgevoelens zou hebben: dan wordt hij zo koud als steen en verliest zijn leven uiteindelijk zijn waarde. Het is juist de emotie van liefde die ons motiveert om hard te werken voor rijkdom, om eer te verwerven, om te trouwen en om onze verantwoordelijkheden tegenover vrouw en kinderen na te komen. Het is ook liefde die ons aanspoort onze plichten te vervullen jegens ouders, vrienden, kennissen en buren. Bovendien is het diezelfde emotie van liefde die ons aanzet om onze Schepper lief te hebben en Zijn welbehagen en liefde boven alles te stellen.

Wanneer iemand het rechte pad volgt bij het gebruik van zijn emoties, dan bereikt hij menselijke waardigheid en eer. Maar wanneer deze emoties van het rechte pad afwijken, dan worden ze uiteindelijk de oorzaak van zijn ondergang. Wanneer bijvoorbeeld bij het werken voor je inkomen hebzucht overheerst, dan zal dit misdaden voortbrengen als bedrog, oneerlijkheid, verduistering, verraad, diefstal, roof, en omkoping. Een buitensporige liefde voor vrouwen kan ervoor zorgen dat een man zijn wettige vrouw negeert en zichzelf te gronde richt door zich over te geven aan ontucht en losbandigheid. En wanneer hij zichzelf verliest in zijn liefde voor wereldse zaken, kan hij zijn Schepper volledig vergeten.

Zo ook kan het gevoel van boosheid, wanneer het op het juiste moment en binnen de juiste grenzen wordt gebruikt, de mens helpen geestelijke verheffing te bereiken en verheven zeden te ontwikkelen. Het juiste gebruik leidt dan tot hoge morele eigenschappen zoals standvastigheid, moed, eer en een toenemende inzet voor groei en vooruitgang. Wordt het daarentegen ongepast of verkeerd aangewend, dan mondt het uit in razernij, afgunst, geweld, onheil, moord en bloedvergieten.

Kortom: hetzelfde vuur van emoties dat, wanneer het volgens regels en wetten wordt gebruikt, dient als middel om de stadia van het spirituele pad snel te doorlopen en deugdzame zeden te ontwikkelen, vernietigt door misbruik en overdaad juist de morele zeden van de mens en wordt de oorzaak van de hel in het hiernamaals.


74. Verheerlijk dus de naam van uw Heer, de Grote.

Fa-sabbiḥ bi-smi rabbi-ka-l-ʿaẓīm

Ik heb meerdere malen geschreven dat tasbīḥ betekent dat we de eigenschappen van Allah, de Meest Hoge, beschouwen en verklaren als vrij van onvolmaaktheden en gebreken. En tasbīḥ bestaat uit twee soorten: de ene is verbaal, namelijk, dat we in ons hart ervan overtuigd zijn dat Allah, de Verhevene, vrij is van onvolmaaktheden en dit ook met onze mond verklaren. De tweede is praktisch, namelijk, dat we ernaar streven om het doel te vervullen waarvoor onze Schepper ons heeft geschapen. Dit doen we door te leven in overeenstemming met de wetten die Hij heeft vastgesteld. Daardoor ontwikkelen onze innerlijke vermogens zich en komen onze goede morele eigenschappen naar buiten. Een verstandig mens die dit ziet, zal erkennen dat onze Schepper werkelijk subḥān is — vrij van fouten en volmaakt in Zijn eigenschappen — omdat hij dat in die persoon herkent. De tasbīḥ van een mens is dus pas compleet als hij zijn Heer in beide vormen verheerlijkt, zowel in woord als in daad.

Er wordt tot hem gezegd: O mens, er zit in u verlangen om voort te blijven leven. Om dit te vervullen heeft uw Heer — Degene Die uw groei en ontwikkeling bevordert, Die u uit het niets tot leven heeft gewekt, Die u door de stadia van vooruitgang heeft geleid en u tot mens heeft gemaakt — talloze voorzieningen voor u samengebracht. En ook nu nog heeft diezelfde Heer voor uw voortbestaan en vooruitgang zulke machtige middelen van de natuur verzameld, waarover u niet alleen geen controle heeft, maar waarvan u zich zelfs de omvang niet kunt voorstellen. Hoe groot is daarom de grootsheid van uw Heer, en hoe immens Zijn weldadigheid, dat Hij, puur uit Zijn goedgunstigheid, al deze middelen heeft geschonken om uw diepste verlangen — namelijk voort te bestaan — te vervullen.

Verheerlijk daarom Zijn naam: dat wil zeggen, breng uw daden in overeenstemming met Zijn wil, opdat uit de schoonheid van de schepping de volmaaktheid — oftewel de subḥān — van de Schepper, kan worden herkend. Hierin ligt uw voordeel: dat u op deze wijze voort zult blijven leven. Verheerlijk daarom ook met een oprecht hart de naam van uw Heer, en maak anderen bewust van Zijn ware erkenning, zodat ook zij het eeuwige voortbestaan kunnen bereiken. Subḥāna rabbīya-l-ʿaẓīm! (Verheerlijkt zij mijn Heer, de Allergrootste).


Paragraaf 3

Het werkelijke doel van het voorafgaande was duidelijk te maken dat de dood niet het einde betekent, maar slechts een verandering van toestand. Het verlangen van de mens om voort te bestaan is geen loze wens, maar een werkelijkheid. Allah’s voorzienigheid heeft in de stoffelijke wereld immers voorzieningen getroffen om in deze behoefte te voorzien, en het hele universum werkt samen aan de vervulling van dit ene doel. Hoewel de mens op zichzelf sterfelijk is, heeft Allah, de Meest Hoge, puur uit Zijn goedgunstigheid, de middelen voor zijn voortbestaan geschonken. Precies daarom heeft Hij in de menselijke natuur het verlangen en de behoefte naar voortbestaan geplaatst.

Het is een feit dat, zolang iets niet in de uiterlijke wereld bestaat, er ook geen behoefte naar in de mens kan ontstaan. Bestond er geen voedsel, dan zou de mens geen honger voelen; bestond er geen water, dan zou hij geen dorst kennen. Als er dus geen voortbestaan voor de mens was weggelegd, dan zou dit natuurlijke verlangen en deze behoefte niet in hem aanwezig zijn.

In de voorgaande paragraaf werd verwezen naar het eerste aspect van deze natuurlijke behoefte: namelijk dat Allah’s voorzienigheid, om het voortbestaan van het menselijk leven te waarborgen, alle noodzakelijke voorzieningen heeft getroffen om daaraan te voldoen. En als dit waar is, dan volgt daaruit dat ook de leringen en principes, door het volgen waarvan de mens het voortbestaan van zijn ziel en haar volmaakte vooruitgang kan bereiken, hem zeker door de Schepper van de natuur zelf moeten worden onderwezen, door middel van Zijn eigen kennis. Dit wordt de openbaring van een profeet genoemd, en de verzameling van al deze openbaringen wordt een ‘Boek’ genoemd. De grootsheid van Allah openbaarde dit systeem van instructies overal ter wereld aan de mens, zoals de heilige koran verklaart: “Voor elk volk hebben Wij een gids gezonden” (13:7). Ten slotte zijn, naast de leringen die beperkt waren tot een bepaald volk of een bepaalde tijd, alle eeuwige waarheden, Goddelijke leringen en richtlijnen samengebracht in de heilige koran. Deze zijn in elk opzicht voltooid en aan de mens geschonken, opdat hij daardoor het doel van zijn schepping zou kunnen erkennen en, om dat te bereiken, zou handelen naar die leringen. Dit zijn de leringen waar de ware voortbestaan en vooruitgang van zijn ziel van afhangen. Op deze manier kan de mens, door zijn morele kwaliteiten te ontwikkelen en te vervolmaken, worden voorbereid op zijn vooruitgang in het Hiernamaals. Vandaar dat in de volgende verzen de koran zelf wordt aangedragen als de voorziening voor de vervulling van deze natuurlijke behoefte van de menselijke ziel: het verlangen om te blijven voortbestaan. Daarbij worden argumenten aangevoerd voor de waarheid en de grootsheid van dit Boek.

Er wordt verkondigd: O onwetende en gehaaste mens! Wees niet overhaast, maar reciteer deze heilige koran met overdenking en bedachtzaamheid. Wanneer u ernaar handelt, zult u groeien in zuiverheid en rechtschapenheid. En naarmate u hierin verder vordert, zal de grootsheid en majesteit van de koran steeds duidelijker voor u worden. Dan zult u inzien dat dit Boek inderdaad is neergezonden voor de rubūbiyyat van de gehele mensheid. Dat wil zeggen: voor de ontwikkeling en vervolmaking van hun morele eigenschappen. Dit is dus het Boek waardoor de natuurlijke behoefte van de menselijke ziel — om werkelijk voort te blijven leven — vervuld kan worden. Er wordt verkondigd:


75. (Zo is het) niet! Ik zweer bij de posities van de sterren.

Fa-lā uqsimu bi-mawāqiʿi-l-nujūm

76. En dit zeker een zeer grote eed, indien u kennis bezit.

Wa innahū la-qasamun law taʿlamūna ʿaẓīm

77. Waarlijk, dit is een grootse (of voordeel brengende) koran.

Innahū la-qurʾānun karīm

78. In een beschermd boek.

Fī kitābin maknūn

79. Dat niemand aanraakt behalve de gezuiverden.

Lā yamassuhū illā-l-muṭahharūn

Nujūm betekent sterren. Volgens Ibn ʿAbbās, Mujāhid en Ikrimah verwijst dit naar de delen van de heilige koran die in één keer aan de heilige Profeet (vrede en zegeningen zij met hem) werden geopenbaard.

Lā: dit woord geeft soms aan dat een bepaalde zin die weggelaten is wordt ontkend. Ook hier, in lā uqsimu, wordt het in die betekenis gebruikt en wordt bedoelt te zeggen: “O mens, beschouw deze koran niet een onbelangrijk ding. Dat is niet zo. Ik zweer bij de posities van de sterren dat dit een zeer glorierijk Boek is.”

Wat betreft eden heb ik in soera Al-Dhāriyāt en soera Al-Ṭūr al toegelicht dat het hier slechts om getuigenissen gaat. Met andere woorden: het gaat om bewijzen die met nadruk worden aangevoerd. De betekenis van fa-lā uqsimu bi-mawāqiʿi-l-nujūm is dus: “O mens, denk niet dat deze koran onbelangrijk is. Dat is niet zo; Ik presenteer de posities van de sterren als getuigenis.” En die getuigenis houdt het volgende in. De sterren aan de hemel lijken voor ons aardbewoners buitengewoon klein. Dat komt door hun ver verwijderde positie in de ruimte. Maar de sterren zijn op zichzelf juist grote en indrukwekkende hemellichamen. Vele daarvan zijn veel groter dan onze aarde. In deze hemellichamen liggen talloze wonderen en onbekende werelden verborgen, maar de mens kent ze niet, omdat ze op zo’n grote afstand liggen. Daarom is degene die denkt dat deze sterren niets voorstellen dwaas. Dat ze zo klein lijken, komt enkel omdat ze voor de mens zo ver wegliggen, terwijl zij in werkelijkheid immense en machtige werelden vormen.

Op dezelfde manier zijn de delen van de heilige koran die aan de heilige Profeet werden geopenbaard, verlicht door hemels licht. Dat wil zeggen: zij zijn vervuld van spirituele en Goddelijke kennis, net zoals de sterren aan de hemel licht afgeven. En zoals de sterren aan de hemel klein en onbeduidend lijken voor de mensen op aarde omdat ze op zo´n grote afstand staan, zo lijkt ook de koran eenvoudig en gewoon in de ogen van aardse mensen. Dit komt doordat zij zeer ver afstaan zijn die hemelse kennis en geen band hebben met de waarheden en inzichten die daarin schuilen.

Maar zij die, dankzij hun rechtschapenheid en zuiverheid, steeds meer spirituele kennis vergaren, ervaren iets bijzonders. Naarmate zij deze figuurlijke sterren, of delen van de koran, steeds dichter naderen, wordt de grootsheid van zijn verzen steeds duidelijker voor hen. Het is te vergelijken met iemand die de werkelijke sterren nadert: hoe dichterbij hij komt, hoe meer hun immense grootsheid en pracht zichtbaar worden. Zo geldt het ook voor degenen die deze hemelse sterren van spiritualiteit — namelijk de verzen en hoofdstukken van de koran — van nabij aanschouwen. Door hun vooruitgang in kennis, hogere inzichten, rechtschapenheid en zuiverheid openen hele werelden zich voor hen. In die werelden vinden zij alle noodzakelijke leiding voor de ontwikkeling en vervolmaking van de menselijke morele eigenschappen. En toen hij dit inzag, dichtte de hervormer (mujaddid) van deze tijd, Mirza Ghulam Ahmad, in lof van de koran:

Yā ilāhī, terā qurʾān hai ke ek ʿālam hai
Jo ḍarūrī thā woh sab is meṅ muhaiyyā niklā
Pahle samjhe the ke mūsā kā ʿaṣā hai furqān
Phir jo sochā, sochā to har ek lafẓ masīḥā niklā

O mijn God, Uw koran is een wereld op zich.
Alles wat nodig was, bleek daarin aanwezig.
Eerst dachten wij dat het de staf van Mozes was, een furqān.
Maar toen wij dieper nadachten, bleek ieder woord een Messias te zijn.

“En dit zeker een zeer grote eed, indien u kennis bezit.”

De woorden betekenen dat het naar voren brengen van de verheven posities van de sterren als bewijs een zeer belangrijke zaak is. Hierin ligt namelijk een machtige uitdaging voor de hele wereld: kijk niet neer op de heilige koran. Want net als de sterren aan de hemel bevat hij hele werelden van kennis en spiritueel inzicht.

Door een getuigenis in de vorm van een eed, met extra nadruk daarop, naar voren te brengen, zegt Allah, de Meest Hoge, tegen ons: Wij verklaren met grote ernst dat u diep zou moeten nadenken over deze koran. En hoe meer u dat doet, hoe duidelijker u erachter zult komen hoe groots hij inderdaad is. En dit is geen loze bewering, maar integendeel, zij is buitengewoon krachtig.

Glorie zij aan Allah! Zelfs vijandige geleerden die het heilige Boek hebben bestudeerd, zijn onder de indruk geraakt van zijn grootsheid. De beroemde Duitse filosoof Goethe schreef over de koran: “Dit is het boek dat een mens kan gaan zitten lezen met gevoelens van vijandigheid en afkeer, maar voordat hij het uit heeft gelezen, staat hij op vol liefde en eerbied voor het boek.” Dit is de verklaring van een niet-moslimfilosoof. Wat betreft degenen die, volgens de leer ervan, rechtvaardig en zuiver leven en door dat pad te volgen dichter bij de koran geraken, aan hen wordt de grootsheid van de koran op een onbeschrijfelijke manier onthuld. De waarheden en spirituele inzichten die aan zulke mensen worden geopenbaard, vormen een oceaan van kennis, waar de gewone, kleingeestige aardbewoner van buitengesloten is. De hervormer van deze tijd, Mirza Ghulam Ahmad, die deze staat ook ervoer, sprak als volgt zijn lof uit over de koran:

Az nūr-i pāk-i qurʾān ṣubḥ-i ṣafā mīdah.
Bar ghuncha-hā-yi īn dilhā bād-i ṣabā u rawshanī.

Wa-lamʿān-i shams al-ḍuḥā dīn-i dilbarī.
Az qadd u ḥusn-i kas darzīdah nadārad.

Qamar nadīdah mashriq-i maʿānī.
Ṣad-hā daqāʾiq āward hilāl-i nāzuk.

Zān nāz kih khamīdah.
Kayfiyyat-i ʿulūmash dānī chih shān dārad.

Shahdīst āsmānī kaz ū fī ḥaqq chakīdah.
Rū-yi yaqīn nabīnad hargiz kasī bi-dunyā.

Illā kay kih bā rūyash ārāmīdah.
Ānkis kih ʿālamash shud, shud makhzan-i maʿārif-i ʿālam.

Kīn ʿālamī nadīdah.
U-ān bī-khabar az ī kān-i dilrubāʾī.

Dānam kih az kujāʾī.
Tū nūr-i ān khudāʾī kīn khalq āfarīdah.

Uit het zuivere licht van de koran breekt de dageraad van zuiverheid aan,
en de bries van de ochtend schenkt de knoppen van deze harten glans en leven.

De schittering van de zon van al-ḍuḥā straalt,
geen schoonheid van gestalte of sierlijkheid heeft ooit haar gelijke gevonden.

De maan heeft nooit zo’n opkomst van betekenissen aanschouwd;
honderden fijnzinnigheden brengt de tere sikkel voort.

Door die bevalligheid boog zij zich neer —
weet u wel welke majesteit in haar kennis besloten ligt?

Het is hemelse honing, waaruit in waarheid is gedruppeld
het gelaat van zekerheid.

Niemand kan haar in deze wereld aanschouwen,
behalve hij die rust vindt in haar aanschijn.

Wie haar tot zijn wereld maakt,
wordt de schatkamer van geestelijke inzichten van het heelal,
zoals geen enkel ander wereldlijk wezen ooit heeft gezien.

Maar hij die onwetend blijft van deze mijn van lieflijkheid —
ik weet vanwaar hij komt:
u bent het licht van die God,
Die deze schepping heeft voortgebracht.

“Waarlijk, dit is een grootse (of voordeel brengende) koran.”

Dit is een antwoord op de eed die stelt, dat deze heilige koran werkelijk een wonderbaarlijk boek is. Dat wil zeggen dat hoe meer een persoon erover nadenkt en hoe dichter hij ertoe geraakt, hoe meer zijn schittering en grootsheid duidelijk voor hem worden. Het woord qur’ān betekent datgene wat wordt gelezen, en wat veelvuldig gelezen wordt. Het woord qur’ān voor dit Boek houdt ook een profetie in, namelijk, dat het vaker gelezen zal worden dan elk ander boek op de wereld. En zie! de koran wordt zo vaak gereciteerd tijdens de reguliere gebeden (ṣalāh) en recitaties, dat geen elk ander boek, religieus of werelds, zo vaak gelezen wordt als dit boek. Wereldse boeken worden namelijk een- of tweemaal gelezen en dan terzijde gelegd.

Ook andere heilige boeken zou men zijn hele leven lang moeten lezen. Maar vrijwel niemand reciteert de Veda’s of de Zend Avesta en ze zijn in hun fysieke boekvorm zelfs nauwelijks nog te zien. Dan hebben we de bijbel, waarvan het aantal versies en revisies verbazingwekkend is. Maar hoe vreemd is het dat, ondanks die brede verspreiding, zij toch niet frequent gelezen wordt. De bijbel wordt zondags in de kerk gelezen en daar blijft het bij.

Aan de andere kant wordt de heilige koran tijdens de voorgeschreven gebeden (ṣalāh) vijfmaal per dag gereciteerd, tijdens de vrijwillige gebeden (tarāwīḥ) in de maand Ramadan en bij vele andere gelegenheden. Ook wordt hij uit het hoofd geleerd. Kortom, de koran wordt op uiteenlopende manieren en met zo’n intensiteit gelezen, en moslims beschouwen het reciteren ervan als een zo bindende plicht, dat men nergens ter wereld iets vergelijkbaars aantreft.

Karīm betekent ‘groots’ en ook ‘datgene wat voordeel brengt in de vorm van vriendelijkheid en gunst’. Beide betekenissen zijn hier van toepassing. Zijn grootsheid is zó immens dat iedereen die er diep over nadenkt, niet anders kan dan die grootsheid erkennen — in de mate waarin hij daarover reflecteert. Dit is zonder twijfel een verheven zaak. Die moslims die een rechtschapen en zuiver leven leidden en daardoor nabijheid tot Hem bereikten, bogen zich voor zijn grootsheid en majesteit, zijn kennis en zijn waarheden. Maar er ligt ook een boodschap in besloten: ook niet-moslimvolken zullen, zodra zij deze kennis op de juiste wijze verwerven, ertoe gebracht worden om Hem te eren.

Vele jaren geleden vroegen kranten in Engeland aan niet-moslimgeleerden en denkers om de boeken te noemen die zij het meest waardeerden vanwege hun leiding, rechtschapenheid, kennis en spirituele inzicht. Nadat alle antwoorden waren verzameld en samengebracht in een ranglijst naar waardigheid en betekenis, werd de koran op de zesde plaats geplaatst. Slechts enkele jaren geleden verscheen in de kranten opnieuw hetzelfde verzoek. Toen de meningen van niet-moslimgeleerden waren verzameld en de resultaten in een ranglijst werden gepubliceerd, stond de heilige koran op de tweede plaats. De eerste plaats werd toegekend aan de bijbel. Wie echter zowel de koran als de bijbel heeft gelezen, begrijpt dat dit niets anders was dan het gevolg van behoudzucht en vooroordeel. Want welke vergelijking kan de bijbel werkelijk doorstaan met de koran? Toch mag men hopen dat, nu vertalingen van de heilige koran in steeds meer talen verschijnen — zoals door onze Beweging en andere vrienden wordt gedaan — en de islamitische literatuur zich steeds verder verspreidt, de dag nabij is, zo Allah het wil, waarop juist deze niet-moslims de koran op de eerste plaats zullen zetten. Dan zullen zij, één stem wordend met Europa’s beroemde filosoof Goethe, verklaren dat zelfs iemand die de koran leest met gevoelens van minachting en haat, uiteindelijk opstaat met eerbied, en hem uitleest met gevoelens van liefde.

In het woord karīm lag ook een duidelijke uitdaging aan de ongelovigen van die tijd: hoezeer zij zich ook zouden inspannen om de heilige koran uit te wissen, dit Boek zou toch blijvend geëerd worden en zijn majesteit zou voortduren. En de betekenis van ‘voordeel schenken’ is eveneens zeer waar, want geen enkel ander boek ter wereld heeft de mensheid zulke weldaden gebracht als de koran. Het Arabische volk, dat eens wild en afgodisch was en verzonken in zonde en losbandigheid, veranderde daardoor niet alleen in een beschaafd en rechtschapen volk, maar ook in oprechte vereerders van de Ene God. Zij werden vaandeldragers van kennis, zowel op wereldlijk gebied als in geestelijk inzicht, en zij verspreidden het licht van Gods Eenheid over de wereld. Via dit volk bereikten beschaving, religieuze vernieuwing, dorst naar kennis en de zoektocht naar waarheid uiteindelijk ook Europa. Hoe prachtig heeft de dichter Hali dit uitgedrukt:

Bahār ab jo dunyā meṅ āʾī hai
Ye sab pūr un hī kī lagāʾī huʾī hai

De lente die nu over de wereld is gekomen,
is geheel ontsproten uit het zaadje dat zij eens hebben geplant.

Maar dit is nog niet alles. Hoewel de trotse landen van Europa de waarheden van de heilige koran misschien niet openlijk erkennen, nemen ze in hun dagelijks leven één voor één de principes ervan over en maken ze die tot een vast onderdeel van hun samenleving. Om problemen zoals drankmisbruik, gokken en overspel tegen te gaan, stellen intelligente Europeanen precies die oplossingen voor die de heilige koran eeuwen geleden al aanbeval. De weerstand tegen het kapitalisme is in feite precies wat de islam voorstelt. Veel hooggeplaatste Europese geleerden moesten toegeven dat als de Europese beschaving niet in contact was gekomen met de islamitische spiritualiteit en daarvan iets had overgenomen, hun beschaving niet had kunnen overleven. Kortom, er is geen enkel boek ter wereld dat zo respectabel en heilzaam is als de heilige koran. Wie de tijd neemt om de heilige koran zorgvuldig te bestuderen, zal de waarheid over zijn verhevenheid en voordeel moeten accepteren. Daarna staat er:

“In een beschermd boek.”

Dit boek is niet alleen majestueus en weldadig, maar wordt ook beschermd tegen de aanvallen en listen van degenen die het vijandig gezind zijn. Niemand kan het vernietigen; noch de woorden, noch de betekenis ervan kunnen teniet worden gedaan. Wat de woorden betreft, Allah heeft ze bewaard via personen die ze uit het hoofd leerden, door geschriften en door de drukkunst. Dit gebeurde op zo’n buitengewone manier dat geen enkel ander boek ter wereld met dezelfde kracht en zekerheid kan claimen dat zijn woorden zo perfect bewaard zijn gebleven als die van de koran.

Wat de betekenis betreft, is die zo goed bewaard gebleven dat de principes van de heilige koran eeuwige waarheden zijn. Geen enkele filosoof ter wereld is er ooit in geslaagd de waarheid en grootsheid ervan te ontkrachten. Dit zijn Goddelijke wetten met onveranderlijke gevolgen. Het zijn fundamentele principes en geen mens kan door ze te overtreden werkelijk geluk en tevredenheid vinden. Daarnaast zijn de ongeziene zaken en profetieën die in de koran worden genoemd – omdat ze gebaseerd zijn op Goddelijke kennis en op de meest beveiligde wijze door openbaring aan de heilige Profeet (vrede en zegeningen zij met hem) zijn geopenbaard – altijd uitgekomen en zullen ze ook in de toekomst blijven uitkomen.

“Dat niemand aanraakt behalve de gezuiverden.”

Dit betekent dat alleen mensen die zuiver zijn werkelijk toegang hebben tot de koran. Een persoon met vijandige bedoelingen die het Boek wil benaderen om schade aan te richten, zal er geen vat op krijgen en kan het niet aantasten. Zelfs een vriend die het met goede intenties wil benaderen, heeft alleen toegang als hij zuiver is. Dat wil zeggen: uiterlijk gezien moet een moslim het met lichamelijke reinheid aanraken, en innerlijk gezien is spirituele zuiverheid nodig om de diepere inzichten en waarheden van de koran te begrijpen. Zoals de hervormer van deze tijd, Mirza Ghulam Ahmad, heeft gezegd:

“Voor het onthullen van kennis van de koran is taqwā een voorwaarde. Er is een groot verschil tussen het verwerven van wereldse kennis en het verwerven van kennis van de koran. Voor wereldse en conventionele kennis is taqwā geen voorwaarde. Om grammatica, natuurfilosofie, astronomie of geneeskunde te studeren, is het niet vereist dat een mens zich aan vasten en gebed houdt en dat hij te allen tijde de geboden en verboden van God in acht neemt, waarbij hij elk woord en elke daad onderwerpt aan de Goddelijke voorschriften. Integendeel, het is vaak waargenomen – sterker nog, het is algemeen bekend – dat deskundigen en zoekers van wereldse wetenschappen, die materialistisch van aard worden, zich overgeven aan allerlei zonden en ondeugden. ….

Maar de poort naar Goddelijke kennis en de geheimen van de koran is taqwā. Hiervoor is oprecht en volledig berouw nodig. Voor iemand die niet met volledige nederigheid en zachtmoedigheid de geboden van God omarmt, beeft voor Zijn majesteit en macht, en zich tot Hem wendt in smeekbeden, blijft de poort naar korankennis gesloten. Evenmin kan hij uit de heilige koran de middelen verkrijgen om de vermogens en krachten van de ziel te voeden – die welke de geest vreugde en rust brengen. De koran is het Boek van God en de kennis daarvan ligt in Zijn hand. Daarom is taqwā de ladder daar naartoe.” (Al-Ḥakam, 13 maart 1901)

Volgens de woorden van de hervormer van onze tijd is taqwā – dat wil zeggen innerlijke zuiverheid – de ladder waarmee de mens dichter bij die hemelse sterren komt, namelijk de verzen van de koran. Zo wordt hun grootsheid en schittering hem duidelijk, en raakt hij vertrouwd met de waarheden en inzichten die zij bevatten. De betekenis van het Goddelijke gebod is dus: O mens, omdat u, in beslag genomen door wereldse twisten, ver verwijderd bent geraakt van de hemelen en onderdrukt wordt door uw dierlijke begeerten, kruipt u over de aarde, en worden de grootsheid en schittering van de koranverzen daarom niet aan u gemanifesteerd. Stijg daarom op via de ladder van taqwā en zuiverheid naar de hemelen. En hoe dichter u nadert, hoe duidelijker de grootsheid van deze koran voor u zal worden. Uw blik zal zich verruimen voor de waarheden, inzichten, kennis en wijsheid daarin. Zoals elders wordt gezegd: wa-ttaqū-llāha wa yuʿallimu-kumu-llāh (2:282) – hoe meer taqwā u ontwikkelt naar Allah toe, hoe meer Allah u zal onderwijzen.

Dit is de kennis die als een hemels licht van Allah uitgaat en het hart en de geest verlicht. Volgens dit criterium van de koran kan ieder die oprecht op zoek is naar de waarheid zelf beoordelen of de hervormer van deze tijd, Mirza Ghulam Ahmad, werkelijk taqwā bezat en zuiver was. In Barāhīn-i Aḥmadiyya, Āʾīnah Kamālāt-i Islām, Iʿjāz-i Masīḥ, Islām and Its Philosophy (de lezing gehouden bij de Dharma Mahotsav), en in vele andere boeken vloeide uit zijn pen een stroom van koranische waarheden en inzichten. De weldadige spirituele invloed die hij uitstraalde en waarmee hij zijn volgelingen inspireerde om steeds opnieuw de koran met hun pen te dienen, laat duidelijk zien hoe diep zijn toewijding aan de heilige koran was, hoe nauw zijn ziel ermee verbonden was en hoe dicht hij gekomen was bij het aanschouwen van die hemelse ster van kennis en inzicht.

Shukr khudāʾe Raḥmān jis ne diyā hai Qurʾān.
Ghunche the sāre pahle ab gul khilā yahī hai.
Dīkhī haiṅ sab kitābeṅ mujmal haiṅ jaise khwāhaiṅ.
Khālī haiṅ un kī qābeṅ, khwān-i hudā yahī hai.
Kaḥte haiṅ ḥusn-e Yūsuf dilkash bahut thā lekin.
Khūbī o dilbarī meṅ sab se sawā yahī hai.
Us ne nishān dikhāʾe ṭālib kabhī bulāʾe.
Sote huʾe jagāʾe, bas ḥaqq-numā yahī hai.
Yār us se pāyā, us ne khudā milāyā who.
Rāteṅ thīṅ jitnī guzrīṅ, ab din chaṛhā yahī hai.
Dil meṅ yahī hai har dam terā ṣaḥīfa chūmūṅ.
Qurʾān ke gird ghoomūṅ, Kaʿbah merā yahī hai.

Geprezen zij God, de Barmhartige, die ons de koran heeft geschonken.
Eens waren alle dingen slechts knoppen, nu is de bloem ontloken — dit is het.
Ik heb alle andere boeken gezien; zij zijn slechts samenvattingen, enkel wensen.
Hun schalen zijn leeg; de tafel van leiding is dit alleen.
Men zegt dat de schoonheid van Jozef buitengewoon bekoorlijk was, maar —
In voortreffelijkheid en aantrekkingskracht overschrijdt dit alles.
Hij heeft tekenen getoond en soms de zoekers geroepen.
Hen zelfs in hun slaap gewekt; de ware Gids is dit alleen.
Door dit werd de Vriend gevonden, daardoor werd men met God verenigd.
Alle nachten die voorbijgingen hebben nu plaatsgemaakt voor de rijzende dag — dit is het.
Altijd in mijn hart leeft dit verlangen: Uw Schrift te kussen,
Rond de koran te cirkelen — want dit is mijn Kaʿba.


80. Neergezonden door de Heer der werelden.

Tanzīlun min rabbi-l-ʿālamīn

Er wordt gezegd: deze koran is neergezonden door de Heer, oftewel de Onderhouder, van alle werelden. De Schepper van het universum Die, om de mensheid in stand te houden, duizenden rijken heeft voortgebracht en Die vanuit zijn eigenschap van Onderhouder door Zijn energie, oftewel Zijn macht, het niet-bestaande in bestaan heeft gebracht. Door middel van de ether ontwikkelde Hij geleidelijk aan uiteenlopende en diverse rijken en bracht Hij uiteindelijk de mens tot bestaan. Het was een direct gevolg van de onderhoudende eigenschap van de Schepper, dat Hij voor de toekomstige groei en vooruitgang van de mensheid een volmaakt Boek zoals de koran openbaarde. Zo zou de mens, door ernaar te handelen, voorbereid zijn op zijn toekomstige bestaan. Hierdoor zouden er geen belemmeringen ontstaan in zijn ontwikkeling, maar zou hij ook in de toekomst ononderbroken vooruitgang kunnen blijven boeken.

Tevens wordt in dit vers verklaard dat met dit Boek het onderhoud voor alle werelden wordt beoogd. Dit betekent dat in elk tijdperk, voor alle volkeren, de volmaakte leer en de eeuwige waarheden van de koran hun bron van onderhoud zal zijn. Zij vervolmaken de morele zegen en de ziel van de mens en stellen hem in staat vooruitgang en volmaaktheid te bereiken in zijn toekomstige bestaan. Zelfs een volk dat tot de laagste staat is gezonken, zal door de zegen van dit onderhoud in staat zijn de hoogste posities te bereiken.

Daarom werd de heilige koran in eerste instantie geopenbaard aan een volk dat, op het gebied van beschaving en cultuur, morele zegen en religie, tot het dieptepunt was gezonken. Andere volkeren, die tot het Volk van het Boek behoorden, waren er niet in geslaagd om ook maar een minimale invloed op hen uit te oefenen – geen indruk dieper dan de kortstondige rimpeling van een steen die in het water wordt gegooid. Datzelfde volk maakte door de leer van de koran zo’n vooruitgang dat het, van een barbaars en onwetend volk, niet alleen veranderde in een beschaafd en moreel volk, maar ook in een monotheïstisch en Godbewust volk. In hun handen werden de fundamenten gelegd voor toekomstige beschaving, moraliteit, en hervorming van de samenleving en sociale orde wereldwijd. Deze transformerende invloed van de koran op het Arabische volk bewees voor ieder met inzicht dat de koran het meest verheven en doeltreffende voorschrift is voor het welzijn van de mensheid. Het toonde eveneens aan dat de Schepper van de mens Zelf het voortbestaan van de mensheid wenst. Anders zou Hij niet hebben voorzien in het behoud van het menselijk leven. Met andere woorden: Hij zou het systeem van openbaring en profeetschap niet hebben ingesteld, noch een boek hebben geopenbaard dat zo volmaakt en alomvattend is als de koran.

Maar zelfs nadat zoveel waarheden aan het licht zijn gekomen, blijft de mens, door onachtzaamheid en halsstarrigheid, door afkeer en koppigheid, de waarheid en de werkelijkheid ontkennen. Daarom verklaart het Goddelijke Woord:


81. Loochent u dan (ook) deze aankondiging?

A fa-bi-hādhā-l-ḥadīthi antum mudhinūn

82. En hebt u het tot uw deel gemaakt dat u blijft loochenen?

Wa tajʿalūna rizqa-kum annakum tukadhdhibūn

Rizq betekent deel, aandeel of portie.

Mudhinūn is afgeleid van duhn, wat olie betekent. Mudāhanah betekent dat iets wat in strijd is met wat er in het hart leeft naar buiten toe wordt getoond; of dat iemand zacht en laks wordt in zijn geloof; of het betekent ook loochenen.

Er wordt tegen hen gezegd: gezien de overvloed aan bewijzen voor de waarheid van de koran, hadden jullie geen enkele nalatigheid mogen tonen in jullie geloof. Maar zelfs nu jullie die nalatigheid tonen en tot ontkenning overgaan, is het duidelijk dat jullie de afwijzing van de waarheid tot een deel van jullie identiteit hebben gemaakt — met andere woorden: jullie lijken het als een kenmerk van jezelf te beschouwen dat, ongeacht wat de waarheid is, jullie haar zullen verwerpen.

We zien deze kwaal vandaag de dag overal om ons heen, vooral bij mensen die in het Westen zijn opgeleid. In hun denken is vaak zoveel trots en arrogantie aanwezig over hun gebrekkige wereldse kennis, dat — hoe waar een kwestie ook is wanneer deze namens religie wordt gepresenteerd — zij erom lachen en haar afwijzen. Dit getuigt niet alleen van een tekort aan kennis, maar ook van een arrogante houding tegenover de waarheid.

Evenzo zijn mensen die volgens ouderwetse opvattingen zijn gevormd, niet bereid iets te accepteren dat indruist tegen hun traditionele gewoonten. Beide houdingen zijn echter verkeerd. Het hart van de mens zou altijd open moeten staan voor de waarheid. Wie, door trots op zijn beperkte kennis of door blinde navolging van oude tradities, voortdurend iets afwijst zonder de waarheid ervan te onderzoeken, handelt niet als iemand die oprecht de waarheid zoekt. Dit is precies wat de koran hier verwijt.


83. Waarom is het dan niet, wanneer het de keel bereikt.

Fa-law lā idhā balaghata-l-ḥulqūm

84. En u op dat ogenblik toekijkt.

Wa antum ḥīnaʾidhin tanẓurūn

85. En Wij zijn hem naderbij dan u, maar u ziet het niet.

Wa naḥnu aqrabu ilaihi minkum wa-lākin lā tubṣirūn

86. Waarom dan — indien u niet aan enig gezag onderworpen bent —
Fa-law lā in kuntum ghaira madīnīn

87. Doet u haar niet terugkeren, indien u waarheidlievend bent?

Tarjiʿūna-hā in kuntum ṣādiqīn

Madīnīn is afgeleid van dāna. Dāna-l-nās betekent ‘hij bracht de mensen onder zijn gezag of ‘hij onderwierp hen’. Madīn betekent dus iemand die onder gezag staat, en madīnīn is het meervoud daarvan.

Balaghata-l-ḥulqūm betekent niet dat de ziel uit het lichaam de keel in wordt getrokken. Integendeel, hier wordt een levendig beeld geschetst van de stervensfase van de mens. Wanneer de dood het menselijk lichaam begint te overmeesteren, ebt het leven geleidelijk weg. Uiteindelijk bereikt de stervende een toestand waarin tijdens het ademen alleen de keel nog beweegt, terwijl het hele lichaam verder bewegingloos is — alsof de levenskracht zich enkel nog in de keel bevindt. De reden hiervoor is dat door lichamelijke zwakte de ademhaling moeizaam verloopt. Om deze toch gaande te houden, moet het ademhalingscentrum met grote inspanning werken. Omdat de spieren van de borstkas al stil zijn gevallen, bewegen alleen de keelspieren, en dat doen ze krachtig. Voor iemand die toekijkt lijkt het alsof de keel en de onderkaak bewegen, terwijl de rest van het lichaam bewegingsloos is. Dit is het definitieve stadium van het stervensproces. Als arts heb ik honderden sterfgevallen meegemaakt, maar ik heb nog nooit iemand dit stadium zien overleven. Daarom verklaart het vers uit de koran: “Breng haar dan terug, indien u waarheidlievend bent.”

Het verband tussen deze verzen en het voorgaande vers is dat de ware oorzaak van het voortdurend ontkennen van de waarheid ligt in het feit dat men niet stilstaat bij de dood. Men is onverschillig en onachtzaam over het moment dat de ziel voor Allah moet verschijnen en rekenschap aan Hem moet afleggen. Daarom sluit de mens zijn ogen voor waarheid en rechtvaardigheid, en hoe zwak of ongegrond een zaak ook mag zijn, hij blijft haar ontkennen.

Er wordt gezegd dat de dood uiteindelijk komt en dat u voor onze aanwezigheid zult verschijnen. Er komt een moment in iemands leven waarop het einde nadert en alleen de ademhaling vanuit de keel nog overblijft. Dan ziet u uw meest geliefde familielid voor uw ogen sterven, terwijl u niets kunt doen. Op dat moment zijn Wij dichter bij de stervende dan u, maar dat kunt u niet zien. Als u dus niet onder het gezag van een God staat, en als u werkelijk denkt uw eigen schepper en onderhouder te zijn, herstel dan die stervende persoon – of houd uw ziel tegen uw lichaam te verlaten. Kunt u dat niet, dan is het duidelijk dat de mens onder het gezag van een ander Wezen staat. Want als hij niet onder iemands gezag zou staan en zelf macht had over zijn eigen leven, waarom kan hij zichzelf dan nu niet redden van de dood? Zoals elders wordt gezegd: “Wend dan de dood af van uw zielen, indien u waarheidlievend bent” (3:168).

De betekenis van: “En Wij zijn hem naderbij dan u, maar u ziet het niet,” beperkt zich niet alleen tot het sterfbed. In werkelijkheid zijn Wij dichter bij elk mens dan wie dan ook. Maar uw ogen kunnen dit niet waarnemen. Verstandig is daarom degene die Allah dichterbij voelt dan mensen. Dat wil zeggen: degene die Allah meer vreest dan mensen en die zich niets aantrekt van de mening van anderen wanneer hij het welbehagen van Allah zoekt. Want wanneer een beproeving of de dood van Allah komt, kan geen mens iets uitrichten. Alleen Hij kan werkelijk van nut zijn. Alle anderen laten je in de steek, maar de Heer is Degene die u nooit verlaat – zelfs niet op het moment van de dood, wanneer de mens deze wereld verlaat en niemand hem kan bijstaan. En ook in het Hiernamaals is Hij het die hem zal ondersteunen.

Het is dan ook een ernstige vergissing om ons volledig te laten meeslepen door dit wereldse leven, Allah te vergeten omwille van anderen, de leiding die Hij ons heeft gegeven te negeren, of Hem ongehoorzaam te zijn. Alle trots en hoogmoed van de mens worden betekenisloos wanneer de dood hem overvalt. Op dat moment kan hij zelf niets meer doen, en ook niemand anders kan iets voor hem betekenen. Mensen zien hun dierbaarste geliefde voor hun ogen sterven en staan machteloos. Er rest dan niet anders dan het hoofd te buigen in onderwerping aan de macht van Degene die de dood stuurt. Of men het nu wil of niet, elk verzet tegen Zijn oppermacht is volstrekt onmogelijk. Op dat moment worden de hulpeloosheid en machteloosheid van de mens blootgelegd. Gelukkig is daarom degene die tijdens zijn leven vrijwillig zijn hoofd buigt in onderwerping aan die Macht, die Allah dichterbij voelt dan enig schepsel, die Zijn greep sterker acht dan die van welk mens ook, en die Zijn bescherming verkiest boven alle menselijke bescherming. Want Allah staat werkelijk dichter bij de mens dan wie dan ook. Hij is het die hem bijstaat op het moment van de dood, en Hij is het die hem ook in het Hiernamaals te hulp zal komen.


88. Dan, als hij tot degenen behoort die nabij gebracht zijn.

Fa-ammā in kāna mina-l-muqarrabīn

89. Dan is er rust en een onderhoud en een tuin van gelukzaligheid.

Fa-rauḥun wa raiḥānun wa jannatu naʿīm

Rauḥ betekent genade, comfort, gemak, bevrijding van verdriet, vergeving en vreugde.

Raiḥān betekent eeuwigdurend onderhoud en geur.

De heilige koran wordt gekenmerkt door een bijzondere stijl: het onderwerp waarmee een hoofdstuk (soera) begint, is ook het onderwerp waarmee het eindigt. In feite loopt één centraal thema als een rode draad door de hele soera. In het midden worden weliswaar verschillende argumenten, bewijzen aangevoerd, en komen onderwerpen aan bod die met het hoofdthema samenhangen en daar noodzakelijkerwijs uit voortvloeien, maar aan het einde keert de tekst met een natuurlijke cadans en ordening zo vloeiend terug naar het oorspronkelijke thema, dat de lezer deze overgang nauwelijks opmerkt en als vanzelf weer in het hoofdthema wordt meegenomen. Aan het begin van dit hoofdstuk werd de mensheid — in het licht van de gevolgen van hun daden op de Dag der Opstanding — verdeeld in drie groepen. In het middengedeelte was het noodzakelijk om ook bewijzen en argumenten voor het leven na de dood uiteen te zetten. Dit weerspiegelt een bijzonder kenmerk van de heilige koran: hij doet nooit een bewering zonder deze te onderbouwen met heldere bewijzen.

Dit is inderdaad de voortreffelijkheid van de heilige koran waarop de hervormer van onze tijd, Mirza Ghulam Ahmad, in dit tijdperk grote nadruk legde. Toen hij bijvoorbeeld in Amritsar een debat voerde met pater Abdullah Atham over de islam en het christendom, bracht hij precies dit principe naar voren: “Een boek dat beweringen doet, maar voor bewijzen verwijst naar de monden van zijn volgelingen, is gebrekkig. Een perfect boek is een boek dat, als het een bewering doet, zelf het bewijs daarvoor levert. Daarom zullen alle beweringen die wij doen uit de koran komen, en het bewijs daarvoor zal ook uit de koran komen. Ook u moet alle beweringen die u doet uit het Evangelie halen en het bewijs daarvoor ook uit het Evangelie halen.” Overeenkomstig dit principe hield hij zich tijdens het gehele debat strikt aan deze regel: elk argument over de islam dat hij naar voren bracht, ontleende hij rechtstreeks aan de koran, en elk bewijs dat hij aanvoerde, was afkomstig uit de koran zelf. Pater Abdullah Atham daarentegen was geheel niet in staat om hetzelfde te doen: een enkel punt uit het Evangelie naar voren brengen en, wanneer hij dat al deed, kon hij daar geen overtuigend bewijs uit het Evangelie zelf voor aandragen. Zoals het spreekwoord luidt: ‘Een armband om de hand is op zichzelf al een spiegel’ – zo is dat debat, gepubliceerd onder de titel Jang-i Muqaddas (De Heilige Strijd), een helder bewijs van deze waarheid. Door dit verslag te bestuderen, kan iedere waarheidszoeker tot een onwrikbare zekerheid komen in deze kwestie. Deze gebeurtenis was een grote overwinning voor de koran en de eerste schitterende prestatie in het ‘breken van het kruis’, die tot stand kwam door toedoen van de hervormer van deze tijd.

Kortom, toen de mensheid werd ingedeeld in drie groepen voor de Dag der Opstanding, gebaseerd op de gevolgen van hun daden, was het essentieel om ook de bewijzen voor het leven na de dood te presenteren. Vervolgens werd het betoog als volgt voortgezet: Bedenk dat de dood een onontkoombare realiteit is die de volstrekte hulpeloosheid van de mens blootlegt. Ieder mens moet door deze poort heen. Op dat beslissende moment kan geen enkel schepsel soelaas bieden; alleen het Goddelijke wezen zelf is tot hulp in staat. Hoe gelukzalig is daarom degene die zijn blik richt op het hiernamaals en het welbehagen van zijn Heer boven alle wereldse belangen stelt. Want wie hierin volmaaktheid bereikt, verkrijgt de nabijheid van de Goddelijke aanwezigheid – en welke grotere rust, gemak, voorzieningen en zegeningen zou er kunnen bestaan dan dit?

Hier in deze wereld zien we het als een grote zegen om dicht bij machthebbers te verkeren, ook al zijn de voordelen daarvan beperkt en tijdelijk. Wat moeten we dan zeggen over de nabijheid tot de Allerhoogste van alle heersers? Als je die positie bereikt, komen er zegeningen voort die het menselijke voorstellingsvermogen te boven gaan. Die plek moet inderdaad gezien worden als een tuin vol zegeningen, waarin een mens eeuwigdurende gemoedsrust en voortdurende voorzieningen geniet.

Het woord rizq verwijst hier naar elke vorm van aandeel in welke zegening dan ook. Gelukkig is degene die behoort tot de gezegende groep van hen die nabij tot Allah zijn gebracht. En als deze hoogste staat niet haalbaar is, dient men er op zijn minst naar te streven om tot de gezellen ter rechterzijde te behoren, want ook zij zullen gevrijwaard blijven van pijn en leed – zoals hierna wordt aangegeven:


90. En indien hij behoort tot de gezegenden (of, gezellen ter rechterzijde).

Wa ammā in kāna min aṣḥābi-l-yamīn

91. Vrede is er dan voor u; uit het midden van de gezegenden.

Fa-salāmun laka min aṣḥābi-l-yamīn

Dat wil zeggen: hoewel de positie van de gezellen ter rechterzijde niet zo verheven zal zijn als die van degenen die dicht bij Allah verkeren, zullen ook zij in vrede en veiligheid leven. Zij zullen vrij zijn van pijn en verdriet, en zullen delen in de zegeningen van Allah, de Allerhoogste. De details van de zegeningen en gunsten van zowel degenen die nabij zijn gebracht als van de gezellen ter rechterzijde zijn al in het vorige hoofdstuk uiteengezet.


92. En indien hij behoort tot de degenen die loochenen, de dwalenden.

Wa ammā in kāna mina-l-mukadhdhibīna-l-ḍāllīn

93. Dan is zijn onthaal kokend water.

Fa-nuzulun min ḥamīm

94. En het branden in de hel.

Wa taṣliyatu jaḥīm

Dit is de beschrijving van de toestand van de gezellen ter linkerzijde. Als iemand in het leven van deze wereld de waarheid bleef afwijzen, waardoor hij het rechte pad niet kon vinden en bleef afdwalen, en als hij zijn hele leven lang het vuur van zijn trots, zijn lichamelijke begeerten en dierlijke driften bleef aanwakkeren – zonder ooit verkoeling of bevrediging te vinden voor de dorst van deze hartstochten, maar er juist met iedere dag die voorbijging steeds dieper in wegzonk – dan, als in het Hiernamaals zijn verdorven verlangens zich manifesteren als kokend water dat de dorst daarnaar nooit voldoening of verkoeling kon brengen, en het vuur van de hartstochten waar hij zijn hele leven in doorbracht hem verbrandt in de vorm van het vuur van de hel – is dit dan niet een manifestatie van zijn eigen daden die nu naar buiten treedt?

Dit is het kenmerkende aspect van de heilige koran: dat zij een zo duidelijk en gedetailleerd beeld van de Opstanding schetst. Geen enkel ander religieus boek spreek zo uitgebreid over het Hiernamaals. Het doel hiervan is dat wanneer er een gedetailleerd beeld van de gevolgen van iemands daden duidelijk en levendig wordt geschetst, het in de menselijke aard ligt dat hij aangezet wordt om na te denken over de oorzaken van die gevolgen, en hij voorzichtig wordt. Wanneer wij kinderen – die zich nog niet bewust zijn van wat schadelijk is – willen waarschuwen, leggen wij hun eveneens de gevolgen uit. Wanneer een kind met een scherp mes speelt, zeggen we tegen hem: “Kijk uit, je kunt je ermee snijden. Er zal bloed komen en het zal erg pijn doen.” Als het kind ook maar enig begrip heeft, zal het het mes onmiddellijk neerleggen.

Op vergelijkbare wijze wordt de mens, die vaak onoplettend of onverschillig is voor de gevolgen van zijn daden, uitvoerig hierover voorgelicht. Het doel is dat hij bewust wordt van handelingen die zulke schadelijke gevolgen kunnen hebben. Als hij zijn ogen aanvankelijk gesloten hield voor de uitkomsten van zijn gedrag, kunnen ze zo enigszins geopend worden. Bovendien onthult de gedetailleerde beschrijving van de hel en het paradijs een schat aan kennis, waardoor mensen die willen nadenken een subtiel verband kunnen zien tussen daden en hun gevolgen.

In het leven hiernamaals zal deze kennis nog volmaakter worden en zal de wijsheid van deze verzen uit de koran nog helderder aan het licht komen. De koran heeft de mens dus niet alleen een schat aan kennis geschonken met betrekking tot deze wereld, maar zelfs nog een grotere kennis over het hiernamaals. En dit is een grote gunst van het Goddelijke Wezen – dat Hij door middel van de koran Zijn dienaren heeft laten delen in Zijn kennis, zowel met betrekking tot deze wereld als het hiernamaals.


95. Waarlijk, dit is een zekere waarheid.

Inna hādhā la-huwa ḥaqqu-l-yaqīn

Ḥaqq al-yaqīn is de hoogste graad van zekerheid. De heilige koran noemt drie graden van zekerheid.

  1. ʿilm al-yaqīn: de zekerheid die voortkomt uit bewijzen en tekenen.
  2. ʿain al-yaqīn: de zekerheid die voortkomt uit directe waarneming.
  3. ḥaqq al-yaqīn: de zekerheid die zowel bewijzen als waarneming overstijgt.

Deze laatste kan twee vormen aannemen: ofwel die werkelijkheid openbaart zich in een bepaalde toestand aan de mens zelf, ofwel de mens brengt zelf die werkelijkheid voort.

Dit kan het best worden begrepen met een voorbeeld. Wanneer we rook zien opstijgen, weten we zeker dat er ergens een brand is, ook al hebben we het vuur zelf niet gezien. Aangezien rook het bewijs is van het bestaan van vuur, accepteren we het bestaan van vuur op basis van de rook. Dit wordt ʿilm al-yaqīn genoemd. Een hogere graad van zekerheid is wanneer we het vuur met eigen ogen aanschouwen. Dit heet ʿain al-yaqīn. De hoogste mate van zekerheid treedt op wanneer we zelf in het vuur stappen en de hitte aan den lijve voelen; dit is ḥaqq al-yaqīn. Er is ook sprake van ḥaqq al-yaqīn wanneer we het vuur zelf aansteken. Voor de Schepper van het vuur is dus niet alleen vuur, maar álles van de aard van ḥaqq al-yaqīn, want Hij is de Maker van alle dingen.

Wat het Hiernamaals betreft: alle kennis die de Almachtige hierover heeft geopenbaard is een absolute zekerheid. Dit alles is immers afkomstig is van de Schepper van het Hiernamaals – wat kan er dan zekerder (ḥaqq al-yaqīn) zijn dan dit? Daarom wordt de mens, nadat er gewag is gemaakt van het leven Hiernamaals, gewaarschuwd: O mens, al deze zaken zijn ḥaqq al-yaqīn –ofwel, zij zijn zo zeker dat niets zekerder kan zijn dan dit. Er zal een tijd komen dat al deze dingen ook voor u ḥaqq al-yaqīn zullen worden, dat wil zeggen: u zult ze zelf ervaren als een levende realiteit. Maar op dat moment zal de gelegenheid om nog daden te verrichten voorgoed voorbij zijn. Gezegend is daarom hij die, nadat de Schepper al deze zaken heeft verkondigd, ze aanvaardt als ḥaqq al-yaqīn en gehoorzaamheid aan zijn Heer tot zijn levenswijze maakt. Dit is Allah’s eigen getuigenis over het leven Hiernamaals, en er kan geen getuigenis zijn zekerder dan deze. Wa kafā bi-llāhi shahīd – en Allah is voldoende als Getuige.


96. Verheerlijk dus de naam van uw Heer, de Grote.

Fa-sabbiḥ bi-smi rabbika-l-ʿaẓīm

Allah, de Allerhoogste, draagt ons op: O u die in de koran gelooft! Nu deze werkelijkheden onomstotelijk vaststaan, sta op en verkondig de grootheid van uw Heer aan de wereld. Streef er zoveel mogelijk naar om de mensheid te bevrijden van zonde en de schadelijke gevolgen daarvan, zodat zij gered worden en bewoners van het Paradijs kunnen zijn. Wanneer u uw Heer verheerlijkt door te verkondigen en te erkennen dat Zijn eigenschappen volmaakt zijn en vrij van iedere tekortkoming, dan zult u zelf steeds zuiverder en zuiverder worden. Dit komt doordat wereldse belangen soms botsen met de geboden van de sharīʿah (Wet), en omdat de mens in gehoorzaamheid daaraan een bedreiging ziet voor zijn tijdelijke, aardse voordelen.

Maar als die dienaar iemand is die Allah verheerlijkt – oftewel, met een oprecht hart nooit een fout of gebrek aan zijn Heer toeschrijft – dan zal hij vanzelfsprekend Allah’s bevelen gehoorzamen. In die gehoorzaamheid zal hij zijn wereldse belangen zonder aarzelen opofferen en bereid zijn om wereldse verliezen te aanvaarden. Dit is immers de ware betekenis van tasbīḥ: dat hij zuivere en gezonde opvattingen over Allah koestert en inziet dat zijn echte voordeel ligt in het navolgen van de geboden van zijn Heer. Geen enkel gebod van Hem is immers gebrekkig; het ware welzijn van de dienaar ligt juist in wat hij door gehoorzaamheid kan verkrijgen, zelfs als dat gepaard gaat met wereldse verliezen.

Evenzo, wanneer Allah iets beschikt in het lot van Zijn dienaar dat tegen diens wens ingaat, en hem een bepaald leed of verlies treft, blijft hij toch tevreden met het besluit van zijn Heer. Want hij verheerlijkt Allah met een oprecht hart, wat ook betekent dat hij zuivere gedachten over zijn Heer koestert. Met grote zekerheid begrijpt hij dat alles wat van Allah komt – of het nu pijn is of vreugde – uiteindelijke ten goede is voor de dienaar.

Dit is precies de betekenis van het edele vers: Lā ilāha illā anta. Subḥānaka! Innī kuntu mina-l-ẓālimīn — “Er is geen god behalve U. Glorie zij U! Ik behoor zeker tot de onrechtvaardigen,” (21:87). Dat wil zeggen: als mij enig leed treft, dan is dat, o mijn Heer, vanwege een tekortkoming of fout van mijzelf. O mijn Heer, U staat er ver boven om iemand onterecht leed of verlies aan te doen. Het is de eigen fout van de dienaar die leed veroorzaakt, of zijn eigen tekortkoming waardoor het Goddelijke Wezen hem aan een beproeving onderwerpt. Dus, o mijn Heer, U bent heilig. U alleen bent mijn God, U alleen bent mijn Geliefde, U alleen bent mijn Doel en mijn Bestemming. Waar anders zou ik heengaan, als ik Uw deur verlaat?

Precies deze betekenis van tasbīḥ heeft ʿAlī (moge Allah tevreden over hem zijn) in een van zijn gedichten als volgt uitgedrukt:

Mā lī siwā qarʿī li-bābika ḥīlah.
Wa laʾin rudidtu bi-ayyī bābin aqraʿu.

Ik heb geen andere keuze dan aan Uw deur te blijven kloppen.
En als ik van deze deur wordt weggestuurd, bij welke andere deur kan ik dan nog aankloppen?

Er bestaat een spreekwoord in het Urdu: wanneer een moeder haar kind slaat, roept het kind toch nog: “Mama, mama!” Als de moeder hem straft, komt het dan ooit bij het kind op dat zijn moeder zijn vijand is geworden? Integendeel, zelfs terwijl hij geslagen wordt, roept hij alleen zijn moeder aan. Dat komt omdat hij van nature weet dat er buiten zijn moeder niemand is die meer van hem houdt en hem veiligheid kan bieden.

Wanneer de dienaar deze zelfde opvatting heeft over het Goddelijke Wezen, bereikt zijn tasbīḥ haar volmaaktheid. In een edele overlevering wordt ook vermeld dat Allah, de Verhevene, zegt: Ana ʿinda ẓanna ʿabdī bī – “Ik behandel Mijn dienaar volgens de gedachte die hij over Mij heeft,” (Bukhari, ḥadīth 7505). Gezegend is daarom hij die goede gedachten over zijn Heer koestert en Hem niet alleen met zijn tong, maar ook met een oprecht hart verheerlijkt. Dit is precies het stadium waarin de mens volledige tevredenheid vindt in zijn Heer en, in zijn streven om Hem tevreden te stellen, volmaaktheid in gehoorzaamheid bereikt. Hij wordt de bezitter van die spirituele en morele voortreffelijkheden en vooruitgang waardoor de waardigheid van de mensheid zichtbaar wordt. Dit is de praktische tasbīḥ van de dienaar, want alleen door een volmaakt mens te worden, openbaart zich de schoonheid van de mensheid. Net zoals de schoonheid van elk geschapen ding op zichzelf een bewijs is van de volmaaktheid van zijn Schepper, zo wordt iedere toeschouwer bij het zien van het voorbeeld van de volmaakte mens gedwongen uit te roepen: Subḥān Allāh! – “Glorie aan Allah, hoe volmaakt is Hij, die God, Die de mens met zulke verheven eigenschappen heeft geschapen!”

Hier verdient een subtiel punt aandacht: aan het einde van het tweede deel van deze soera werd ook geboden: fa-sabbiḥ bi-smi rabbika-l-ʿaẓīm (“Verheerlijk dus de naam van uw Heer, de Grote”), en aan het einde van dit derde deel wordt hetzelfde gebod herhaald. Het verschil tussen beide is, dat daar de voorzieningen voor het onderhoud van het stoffelijke leven van de mens werden genoemd. Er werd uitgelegd: O mens, om uw fysieke bestaan in stand te houden, hebben Wij dit hele stoffelijke universum geschapen, dat de wereld wordt genoemd. Beschouw de grootsheid en wijsheid van deze wereld, en verheerlijk – dat wil zeggen: erken de grootsheid en zuiverheid van uw Heer – op basis van zo’n grote en wijze zegen.

En hier, in het derde deel, worden de voorzieningen genoemd voor het voortbestaan van de ziel van de mens, en wordt zijn leven beschreven dat het Hiernamaals wordt genoemd. En dat is inderdaad het leven waar het voortbestaan van de mens aan verbonden is. Zo wordt de mens hier gewezen op de andere middelen voor zijn ware voortbestaan en toekomstige leven, en wordt er gezegd: O mens, houd de grootsheid en wijsheid van de wereld van het Hiernamaals voor ogen en verheerlijk de naam van uw Heer – dat wil zeggen: erken Zijn grootsheid en heiligheid, buig uw hoofd voor Hem en zeg: Subḥāna rabbiya-l-ʿaẓīm – “Heilig is mijn Heer, de Grote.”

Evenzo wordt in het gebed, tijdens de buiging (rukūʿ), wanneer de gelovige subḥāna rabbiya-l-ʿaẓīm uitspreekt, precies deze zelfde gemoedstoestand beoogd: dat de dienaar, met het oog op de ontelbare materiële en geestelijke zegeningen en voorzieningen van deze wereld en van het Hiernamaals die zijn Heer hem geschonken heeft, met diepe nederigheid voor Hem buigt en Hem verheerlijkt.