Dutch Commentary on Chapter 57 (Al-Hadid — Iron) of the Holy Quran

by Dr. Basharat Ahmad

Translated into Dutch by Reza Ghafoerkhan from the English translation by Imam Kalamazad Mohammed

سَبَّحَ لِلّٰہِ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۚ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۱﴾ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۚ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ۚ وَ ہُوَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۲﴾ ہُوَ الۡاَوَّلُ وَ الۡاٰخِرُ وَ الظَّاہِرُ وَ الۡبَاطِنُ ۚ وَ ہُوَ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۳﴾ ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ثُمَّ اسۡتَوٰی عَلَی الۡعَرۡشِ ؕ یَعۡلَمُ مَا یَلِجُ فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا یَخۡرُجُ مِنۡہَا وَ مَا یَنۡزِلُ مِنَ السَّمَآءِ وَ مَا یَعۡرُجُ فِیۡہَا ؕ وَ ہُوَ مَعَکُمۡ اَیۡنَ مَا کُنۡتُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۴﴾ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ اِلَی اللّٰہِ تُرۡجَعُ الۡاُمُوۡرُ ﴿۵﴾ یُوۡلِجُ الَّیۡلَ فِی النَّہَارِ وَ یُوۡلِجُ النَّہَارَ فِی الَّیۡلِ ؕ وَ ہُوَ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۶﴾ اٰمِنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ وَ اَنۡفِقُوۡا مِمَّا جَعَلَکُمۡ مُّسۡتَخۡلَفِیۡنَ فِیۡہِ ؕ فَالَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مِنۡکُمۡ وَ اَنۡفَقُوۡا لَہُمۡ اَجۡرٌ کَبِیۡرٌ ﴿۷﴾ وَ مَا لَکُمۡ لَا تُؤۡمِنُوۡنَ بِاللّٰہِ ۚ وَ الرَّسُوۡلُ یَدۡعُوۡکُمۡ لِتُؤۡمِنُوۡا بِرَبِّکُمۡ وَ قَدۡ اَخَذَ مِیۡثَاقَکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸﴾ ہُوَ الَّذِیۡ یُنَزِّلُ عَلٰی عَبۡدِہٖۤ اٰیٰتٍۭ بَیِّنٰتٍ لِّیُخۡرِجَکُمۡ مِّنَ الظُّلُمٰتِ اِلَی النُّوۡرِ ؕ وَ اِنَّ اللّٰہَ بِکُمۡ لَرَءُوۡفٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۹﴾ وَ مَا لَکُمۡ اَلَّا تُنۡفِقُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ لِلّٰہِ مِیۡرَاثُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ لَا یَسۡتَوِیۡ مِنۡکُمۡ مَّنۡ اَنۡفَقَ مِنۡ قَبۡلِ الۡفَتۡحِ وَ قٰتَلَ ؕ اُولٰٓئِکَ اَعۡظَمُ دَرَجَۃً مِّنَ الَّذِیۡنَ اَنۡفَقُوۡا مِنۡۢ بَعۡدُ وَ قٰتَلُوۡا ؕ وَ کُلًّا وَّعَدَ اللّٰہُ الۡحُسۡنٰی ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ خَبِیۡرٌ ﴿٪۱۰﴾ مَنۡ ذَا الَّذِیۡ یُقۡرِضُ اللّٰہَ قَرۡضًا حَسَنًا فَیُضٰعِفَہٗ لَہٗ وَ لَہٗۤ اَجۡرٌ کَرِیۡمٌ ﴿ۚ۱۱﴾ یَوۡمَ تَرَی الۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ یَسۡعٰی نُوۡرُہُمۡ بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ بِاَیۡمَانِہِمۡ بُشۡرٰىکُمُ الۡیَوۡمَ جَنّٰتٌ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ﴿ۚ۱۲﴾ یَوۡمَ یَقُوۡلُ الۡمُنٰفِقُوۡنَ وَ الۡمُنٰفِقٰتُ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوا انۡظُرُوۡنَا نَقۡتَبِسۡ مِنۡ نُّوۡرِکُمۡ ۚ قِیۡلَ ارۡجِعُوۡا وَرَآءَکُمۡ فَالۡتَمِسُوۡا نُوۡرًا ؕ فَضُرِبَ بَیۡنَہُمۡ بِسُوۡرٍ لَّہٗ بَابٌ ؕ بَاطِنُہٗ فِیۡہِ الرَّحۡمَۃُ وَ ظَاہِرُہٗ مِنۡ قِبَلِہِ الۡعَذَابُ ﴿ؕ۱۳﴾ یُنَادُوۡنَہُمۡ اَلَمۡ نَکُنۡ مَّعَکُمۡ ؕ قَالُوۡا بَلٰی وَ لٰکِنَّکُمۡ فَتَنۡتُمۡ اَنۡفُسَکُمۡ وَ تَرَبَّصۡتُمۡ وَ ارۡتَبۡتُمۡ وَ غَرَّتۡکُمُ الۡاَمَانِیُّ حَتّٰی جَآءَ اَمۡرُ اللّٰہِ وَ غَرَّکُمۡ بِاللّٰہِ الۡغَرُوۡرُ ﴿۱۴﴾ فَالۡیَوۡمَ لَا یُؤۡخَذُ مِنۡکُمۡ فِدۡیَۃٌ وَّ لَا مِنَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ؕ مَاۡوٰىکُمُ النَّارُ ؕ ہِیَ مَوۡلٰىکُمۡ ؕ وَ بِئۡسَ الۡمَصِیۡرُ ﴿۱۵﴾ اَلَمۡ یَاۡنِ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنۡ تَخۡشَعَ قُلُوۡبُہُمۡ لِذِکۡرِ اللّٰہِ وَ مَا نَزَلَ مِنَ الۡحَقِّ ۙ وَ لَا یَکُوۡنُوۡا کَالَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ مِنۡ قَبۡلُ فَطَالَ عَلَیۡہِمُ الۡاَمَدُ فَقَسَتۡ قُلُوۡبُہُمۡ ؕ وَ کَثِیۡرٌ مِّنۡہُمۡ فٰسِقُوۡنَ ﴿۱۶﴾ اِعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ یُحۡیِ الۡاَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِہَا ؕ قَدۡ بَیَّنَّا لَکُمُ الۡاٰیٰتِ لَعَلَّکُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۱۷﴾ اِنَّ الۡمُصَّدِّقِیۡنَ وَ الۡمُصَّدِّقٰتِ وَ اَقۡرَضُوا اللّٰہَ قَرۡضًا حَسَنًا یُّضٰعَفُ لَہُمۡ وَ لَہُمۡ اَجۡرٌ کَرِیۡمٌ ﴿۱۸﴾ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رُسُلِہٖۤ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الصِّدِّیۡقُوۡنَ ٭ۖ وَ الشُّہَدَآءُ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ؕ لَہُمۡ اَجۡرُہُمۡ وَ نُوۡرُہُمۡ ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَاۤ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَحِیۡمِ ﴿٪۱۹﴾ اِعۡلَمُوۡۤا اَنَّمَا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا لَعِبٌ وَّ لَہۡوٌ وَّ زِیۡنَۃٌ وَّ تَفَاخُرٌۢ بَیۡنَکُمۡ وَ تَکَاثُرٌ فِی الۡاَمۡوَالِ وَ الۡاَوۡلَادِ ؕ کَمَثَلِ غَیۡثٍ اَعۡجَبَ الۡکُفَّارَ نَبَاتُہٗ ثُمَّ یَہِیۡجُ فَتَرٰىہُ مُصۡفَرًّا ثُمَّ یَکُوۡنُ حُطَامًا ؕ وَ فِی الۡاٰخِرَۃِ عَذَابٌ شَدِیۡدٌ ۙ وَّ مَغۡفِرَۃٌ مِّنَ اللّٰہِ وَ رِضۡوَانٌ ؕ وَ مَا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَاۤ اِلَّا مَتَاعُ الۡغُرُوۡرِ ﴿۲۰﴾ سَابِقُوۡۤا اِلٰی مَغۡفِرَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ جَنَّۃٍ عَرۡضُہَا کَعَرۡضِ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ ۙ اُعِدَّتۡ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رُسُلِہٖ ؕ ذٰلِکَ فَضۡلُ اللّٰہِ یُؤۡتِیۡہِ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ ذُو الۡفَضۡلِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۲۱﴾ مَاۤ اَصَابَ مِنۡ مُّصِیۡبَۃٍ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا فِیۡۤ اَنۡفُسِکُمۡ اِلَّا فِیۡ کِتٰبٍ مِّنۡ قَبۡلِ اَنۡ نَّبۡرَاَہَا ؕ اِنَّ ذٰلِکَ عَلَی اللّٰہِ یَسِیۡرٌ ﴿ۚۖ۲۲﴾ لِّکَیۡلَا تَاۡسَوۡا عَلٰی مَا فَاتَکُمۡ وَ لَا تَفۡرَحُوۡا بِمَاۤ اٰتٰىکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یُحِبُّ کُلَّ مُخۡتَالٍ فَخُوۡرِۣ ﴿ۙ۲۳﴾ الَّذِیۡنَ یَبۡخَلُوۡنَ وَ یَاۡمُرُوۡنَ النَّاسَ بِالۡبُخۡلِ ؕ وَ مَنۡ یَّتَوَلَّ فَاِنَّ اللّٰہَ ہُوَ الۡغَنِیُّ الۡحَمِیۡدُ ﴿۲۴﴾ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا رُسُلَنَا بِالۡبَیِّنٰتِ وَ اَنۡزَلۡنَا مَعَہُمُ الۡکِتٰبَ وَ الۡمِیۡزَانَ لِیَقُوۡمَ النَّاسُ بِالۡقِسۡطِ ۚ وَ اَنۡزَلۡنَا الۡحَدِیۡدَ فِیۡہِ بَاۡسٌ شَدِیۡدٌ وَّ مَنَافِعُ لِلنَّاسِ وَ لِیَعۡلَمَ اللّٰہُ مَنۡ یَّنۡصُرُہٗ وَ رُسُلَہٗ بِالۡغَیۡبِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ قَوِیٌّ عَزِیۡزٌ ﴿٪۲۵﴾ وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا وَّ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ جَعَلۡنَا فِیۡ ذُرِّیَّتِہِمَا النُّبُوَّۃَ وَ الۡکِتٰبَ فَمِنۡہُمۡ مُّہۡتَدٍ ۚ وَ کَثِیۡرٌ مِّنۡہُمۡ فٰسِقُوۡنَ ﴿۲۶﴾ ثُمَّ قَفَّیۡنَا عَلٰۤی اٰثَارِہِمۡ بِرُسُلِنَا وَ قَفَّیۡنَا بِعِیۡسَی ابۡنِ مَرۡیَمَ وَ اٰتَیۡنٰہُ الۡاِنۡجِیۡلَ ۬ۙ وَ جَعَلۡنَا فِیۡ قُلُوۡبِ الَّذِیۡنَ اتَّبَعُوۡہُ رَاۡفَۃً وَّ رَحۡمَۃً ؕ وَ رَہۡبَانِیَّۃَۨ ابۡتَدَعُوۡہَا مَا کَتَبۡنٰہَا عَلَیۡہِمۡ اِلَّا ابۡتِغَآءَ رِضۡوَانِ اللّٰہِ فَمَا رَعَوۡہَا حَقَّ رِعَایَتِہَا ۚ فَاٰتَیۡنَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مِنۡہُمۡ اَجۡرَہُمۡ ۚ وَ کَثِیۡرٌ مِّنۡہُمۡ فٰسِقُوۡنَ ﴿۲۷﴾ یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّقُوا اللّٰہَ وَ اٰمِنُوۡا بِرَسُوۡلِہٖ یُؤۡتِکُمۡ کِفۡلَیۡنِ مِنۡ رَّحۡمَتِہٖ وَ یَجۡعَلۡ لَّکُمۡ نُوۡرًا تَمۡشُوۡنَ بِہٖ وَ یَغۡفِرۡ لَکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿ۚۙ۲۸﴾ لِّئَلَّا یَعۡلَمَ اَہۡلُ الۡکِتٰبِ اَلَّا یَقۡدِرُوۡنَ عَلٰی شَیۡءٍ مِّنۡ فَضۡلِ اللّٰہِ وَ اَنَّ الۡفَضۡلَ بِیَدِ اللّٰہِ یُؤۡتِیۡہِ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ ذُو الۡفَضۡلِ الۡعَظِیۡمِ ﴿٪۲۹﴾

In naam van Allah, de Weldadige, de Genadige. 1. Al wat in de hemelen is en op aarde verheerlijkt Allah, en Hij is de Machtige, de Wijze. 2. Van Hem is het koninkrijk van de hemelen en de aarde. Hij schenkt leven en doet sterven; en Hij is de Bezitter van macht over alle dingen. 3. Hij is de Eerste en de Laatste en de Openlijke en de Verborgene, en Hij is de Weter van alle dingen. 4. Hij is het Die de hemelen en de aarde schiep in zes perioden, en Hij vestigde zich op de Troon. Hij weet wat er afdaalt in de aarde en wat eruit tevoorschijn komt, en wat uit de hemel naar beneden komt en wat ernaar opstijgt. En Hij is bij u waar u ook bent. En Allah is Degene Die ziet wat u doet. 5. Van Hem is het koninkrijk van de hemelen en de aarde; en tot Allah keren (alle) zaken terug. 6. Hij laat de nacht overgaan in de dag, en laat de dag overgaan in de nacht. En Hij is de Weter van wat er in de harten schuilt. 7. Geloof in Allah en in Zijn Boodschapper, en geef uit waar Hij u erfgenamen van heeft gemaakt. Dus degenen onder u die geloven en uitgeven — voor hen is er een grote beloning. 8. En wat is er met u aan de hand dat u niet gelooft in Allah? En de Boodschapper nodigt u uit te geloven in uw Heer. En Hij heeft inderdaad uw verbond geaccepteerd, indien u gelovigen bent. 9. Hij is het Die duidelijke bewijzen naar Zijn dienaar stuurt, opdat hij u vanuit duisternissen tot het licht mag leiden. En waarlijk is Allah vol affectie, barmhartig tegenover u. 10. En welk excuus hebt u dat u niet uitgeeft op de weg van Allah? En aan Allah behoort de erfenis van de hemelen en de aarde. Degenen onder u die uitgaven vóór de Overwinning en die streden zijn niet gelijk. Zij zijn hoger in rang dan degenen die daarna uitgaven en streden. En Allah heeft aan allen het goede beloofd. En Allah is Zich Bewust van wat u doet. 11. Wie is het die blijmoedig Allah een lening aanbiedt? Vervolgens zal Hij het voor hem vermeerderen, en voor hem is een eervolle beloning. 12. Op die dag zult u de gelovige mannen en de gelovige vrouwen zien, hun licht voor hen uitspreidend en aan hun rechterhand. Goed nieuws voor u deze dag! – Tuinen waarin rivieren stromen, om daarin te verblijven! Dat is de grootse verrichting. 13. Op de dag waarop de hypocrieten, mannen en vrouwen, tegen de gelovigen zullen zeggen: wacht op ons, zodat wij van u licht kunnen nemen. Er zal worden gezegd: keer terug en zoek licht. Dan zal er een muur met een deur erin tussen hen worden opgericht. Daarbinnen zal barmhartigheid zijn, en daarbuiten straf. 14. Zij zullen hen toeroepen: hoorden wij niet bij u? Zij zullen zeggen: ja, maar u hebt zich laten verleiden en u wachtte en twijfelde, en ijdele verlangens misleidden u, totdat het bevel van Allah kwam waarmee gedreigd werd. En de aartsmisleider misleidde u omtrent Allah. 15. Dus deze dag zal er geen losgeld van u worden aanvaard, noch van degenen die niet geloofden. Uw verblijfplaats is het vuur. Het is uw helper en het is een slechte verblijfplaats. 16. Is er voor degenen die geloven de tijd niet gekomen dat hun harten zacht worden voor de gedachtenis aan Allah en voor de waarheid die is geopenbaard, en (dat) ze niet zullen worden zoals degenen aan wie het boek eerder is ge geven? En de tijd werd verlengd voor hen, en zo werden hun harten hard. En de meesten van hen zijn overtreders. 17. Weet dat Allah de aarde na haar dood leven geeft. Wij hebben inderdaad de tekenen voor u duidelijk gemaakt, opdat u zult begrijpen. 18. De mannen die geven uit liefdadigheid en de vrouwen die geven uit liefdadigheid en die blijmoedig Allah een lening aanbieden, het zal voor hen vermeerderd worden, en voor hen is er een eervolle beloning. 19. En degenen die geloven in Allah en Zijn boodschappers, dat zijn degenen die waarheidlievend en getuigen zijn bij hun Heer. Zij hebben hun beloning en hun licht. En degenen die niet geloven en Onze boodschap afwijzen, dat zijn de bewoners van de hel. 20. Weet dat dit wereldse leven slechts een spel is en een onwerkelijkheid en een verfraaiing en onderling opscheppen en wedijveren om de vermeerdering van rijkdom en kinderen. Het is als een regen welke vegetatiegroei de boeren behaagt. Dan verdort het en u ziet het vergelen. Dan verpulvert het. En in het hiernamaals is er een zware straf, en vergeving van Allah en (Zijn) welbehagen. En dit wereldse leven is slechts een bron van bedrog. 21. Spoedt u zich naar de vergeving van jullie Heer, en naar een tuin waarvan de uitgestrektheid als de uitgestrektheid van de hemel en de aarde is. Deze is bereid voor degenen die geloven in Allah en Zijn boodschappers. Dat is de goedgunstigheid van Allah; Hij geeft het aan wie het Hem behaagt. En Allah is de Heer van geweldige goedgunstigheid. 22. Er gebeurt geen ramp op aarde of in uw levens, of het staat in een boek voordat Wij het tot stand brengen. Dat is zeker gemakkelijk voor Allah. 23. Zodat u niet zult treuren om wat aan jullie ontgaan is, noch zullen jubelen om wat Hij jullie heeft gegeven. En Allah houdt van geen enkele arrogante opschepper. 24. Degenen die gierig zijn en die de mensen gierigheid bevelen. En wie er terugkeert, dan is Allah waarlijk Degene zonder behoefte, de Geprezene. 25. Zeker stuurden Wij Onze boodschappers met duidelijke bewijsgronden, en stuurden met hen het boek en de weegschaal, opdat de mensen rechtvaardig zullen handelen. En Wij zonden ijzer neer, waarin grote kracht en voordelen voor de mens zijn, en opdat Allah zal weten wie Hem en Zijn boodschappers helpt, ongezien. Waarlijk is Allah Degene met volledige kracht, volledige overheersing. 26. En zeker stuurden Wij Noach en Abraham, en onder hun nageslacht plaatsten Wij het profeetschap en het boek. En onder hen zijn die de rechte weg gaan. En de meesten van hen zijn overtreders. 27. Toen lieten Wij Onze boodschappers volgen in hun voetsporen. En Wij lieten Jezus, zoon van Maria, na hen volgen, en Wij gaven hem het evangelie. En Wij brachten tederheid en mededogen in de harten van degenen die hem volgden. En de monnikenstand, die voerden zij in — Wij schreven het hun niet voor — slechts om Allah’s welbehagen te zoeken. Maar zij leefden het niet na zoals het nageleefd behoort te worden. Dus gaven Wij degenen onder hen die geloofden hun beloning. En de meesten van hen zijn overtreders. 28. O u die gelooft, voldoe uw plicht aan Allah en geloof in Zijn Boodschapper. Hij zal u twee delen van Zijn genade schenken, en u een licht geven waarin u zult wandelen, en Hij zal u vergeven. En Allah is Vergevensgezind, Barmhartig.29. Opdat de Mensen van het boek zullen weten dat zij geen macht hebben over de goedgunstigheid van Allah, en dat goedgunstigheid in de handen van Allah ligt. Hij schenkt het aan wie het Hem behaagt. En Allah is de Heer van geweldige goedgunstigheid.


Inleiding

Dit hoofdstuk, Al-Ḥadīd (Het IJzer), werd geopenbaard in Medina. Hoewel het een openbaring uit Medina is, is het vlak na een Mekkaans hoofdstuk, Al-Wāqi‘ah (De Gebeurtenis), geplaatst. De reden is dat in dit hoofdstuk de mensen op de dag der opstanding, naar gelang de gevolgen van hun daden, in drie groepen worden verdeeld:

  1. Zij die perfectie hebben bereikt in het doen van goede daden. Zij worden muqarrabīn genoemd: zij die Allah zeer dicht zijn genaderd.
  2. Zij die zowel goede als slechte daden doen, maar bij wie de goede daden zwaarder wegen dan de slechte Zij worden aṣḥāb-al-maimanah genoemd: degenen aan de rechterkant.
  3. Zij bij wie de slechte daden overheersen. Zij worden aṣḥāb-al-mash’amah genoemd: degenen aan de linkerkant.

De eerste twee groepen zullen het paradijs binnengaan, terwijl de derde bestemd is voor het vuur van de hel. Om tot de eerste twee groepen te behoren, krijgt de mens het bevel om de naam van zijn Heer te verheerlijken. Het woord tasbīḥ (verheerlijking) heeft echter een brede betekenis in de heilige koran. Daarom is het belangrijk om dit woord verder te verduidelijken. In het hoofdstuk Het IJzer wordt dit bevel al vroeg gegeven en meteen uitgelegd. Vervolgens wordt beschreven wat er nodig is om Allah op de juiste manier te verheerlijken. Als iemand hier geen aandacht aan besteedt, zal zijn manier van verheerlijken onvoldoende zijn en niet leiden tot het gewenste voortreffelijke spirituele resultaat.

In het vorige hoofdstuk, Al-Wāqi‘ah (De Gebeurtenis), wordt uitgelegd dat de mens de naam van zijn Heer op twee manieren kan verheerlijken.

  1. Door middel van woorden – Dit betekent dat iemand met oprechtheid in zijn hart gelooft dat Allah’s eigenschappen volmaakt zijn en vrij van fouten of gebreken. Deze overtuiging wordt niet alleen in het hart gekoesterd, maar ook mondeling bevestigd.
  2. Op praktische wijze – Dit houdt in dat een persoon leeft exact volgens de wil van zijn Schepper en zo zijn scheppingsdoel vervult. Wanneer hij dan zijn innerlijke capaciteiten volledig laat groeien en zijn morele eigenschappen op de meest voortreffelijke manier toont, wordt hij zelf een bewijs van Allah’s volmaaktheid. Zijn toonbeeld bevestigt dan dat zijn Schepper inderdaad vrij is van fouten en gebreken.

Dit hoofdstuk legt verder uit dat niet alleen de mens Allah op een praktische manier verheerlijkt, maar dat alles in de schepping dit op dezelfde manier doet. Ja, elk geschapen ding van de Almachtige in het universum heeft een specifiek doel en heeft een rol binnen de schepping te vervullen. De Schepper heeft elk wezen en elk object uitgerust met eigenschappen en vermogens die perfect geschikt zijn voor dat doel. Bovendien leidt Hij deze eigenschappen in de juiste banen, zodat alles langs die banen functioneert zoals het bedoeld is. Zo heeft Allah een volmaakt en harmonieus systeem. In feite verheerlijkt alles in de hemel en op aarde de naam van hun Heer simpelweg vanwege hun bestaan en door hun functie te vervullen. De pracht van de schepping zelf getuigt van de schoonheid en perfectie van haar Schepper. Daarom wordt hier in dit hoofdstuk direct aan het begin aandacht aan besteed.


Paragraaf 1

1. Al wat in de hemelen is en op aarde verheerlijkt Allah, en Hij is de Machtige, de Wijze.

Sabbaḥa li-llāhi mā fi-s-samāwāti wal-arḍi wa huwa-l-’azīzu-l-ḥakīm.

Hier wordt tegen de mens gezegd dat niet alleen hij de taak heeft om zijn Heer te verheerlijken, maar dat alles in de hemelen en op aarde voortdurend daarmee bezig is. Alles werkt perfect aan de verwezenlijking van zijn scheppingsdoel, gebruikt trouw de eigenschappen en vermogens die erin zijn geplaatst, en volgt nauwkeurig het pad dat ervoor is bepaald. Het menselijk verstand kan geen beter geordend systeem bedenken. Kortom, door hun bestaan alleen al verheerlijken zij voortdurend hun Schepper. In de Koran wordt dit in een ander vers ook vermeld:

“En er is niet een enkel ding of het verheerlijkt Hem met Zijn lof, maar jullie begrijpen hun verheerlijking niet. (17:44)”

Hoe prachtig wordt dit uitgedrukt! Het laat ons zien dat elk ding in het universum zo perfect is geschapen om zijn scheppingsdoel te bereiken, dat wie dit aandachtig aanschouwt, tot een overtuigende conclusie komt: de Schepper van dit alles is volmaakt en vrij van gebreken en fouten. Toch is er één obstakel: de beperkte kennis en het gebrek aan inzicht van de mens. Vaak begrijpt hij niet volledig wat het ware doel is van de schepping van een bepaald iets. Daarnaast kan hij de verborgen eigenschappen en capaciteiten van vele dingen niet op hun juiste waarde schatten. Dit kan ertoe leiden dat hij vragen of twijfels heeft over bepaalde verschijnselen in de schepping. Als de mens daarentegen over perfecte kennis zou beschikken, of als hij de eigenschappen van elk atoom en de reden voor zijn bestaan volledig zou begrijpen, dan zou hij moeiteloos de verheerlijking van Allah in alles kunnen herkennen. Zijn hart zou dan vanzelf overstromen van lofprijzing voor zijn Schepper.

Toen ik nog een medisch student was, wisten artsen nog niets over het nut van de vele klieren in het menselijk lichaam. Men dacht dat hun afwezigheid geen enkel probleem zou vormen, simpelweg omdat niemand kon zien welke functie zij vervulden. Hun rol en belang waren destijds onbekend.

Of iemand dik of dun is, lang of kort, intelligent of minder begaafd, jong of oud—al deze eigenschappen worden grotendeels bepaald door de werking van deze klieren. Met andere woorden, omdat men de verheerlijking van deze klieren niet begreep, twijfelde men aan hun belang. Nu echter, met toegenomen kennis, heeft men inzicht gekregen in hoe deze klieren functioneren en hoe zij op hun eigen manier Allah verheerlijken door de rol die zij in het lichaam vervullen. Als je hier goed over nadenkt, kun je niet anders dan je Schepper prijzen.

Het is dus het gebrek aan kennis bij de mens dat ervoor zorgt dat hij bedenkingen heeft over iets waarvan hij het nut niet begrijpt. Hoe zou het beperkte verstand van de mens dan ooit de immense schepping van het heelal volledig kunnen bevatten, laat staan de perfectie en het doel ervan doorgronden?

Het is dus vanzelfsprekend dat alles in de hemelen en op de aarde, binnen zijn eigen bestaansgebied, voortdurend de naam van zijn Heer verheerlijkt door simpelweg te bestaan. De schoonheid en uniekheid van elk schepsel laten zien dat zijn Schepper en Bestuurder Almachtig en Alwijs is. Met andere woorden, Hij heeft absolute macht en volmaakte kennis en wijsheid.

Eén aspect van Allah’s eigenschap als de Machtige is dat niets in de schepping ook maar in het kleinste opzicht kan afwijken van de wetten waaraan het is onderworpen. Van de grootste hemellichamen tot de kleinste deeltjes op aarde—alles volgt nauwkeurig vastgelegde wetten en vervult zijn functie zonder enige afwijking. Deze wetten bepalen niet alleen hoe alles functioneert, maar ook hoe het uiteindelijk ophoudt te bestaan. Stel je daarom voor hoe onvoorstelbaar machtig de Schepper van deze wetten is. Hij houdt alles in het universum in Zijn greep, en niets in de hemelen of op aarde kan zich daaraan onttrekken. Dit vormt een onweerlegbaar bewijs dat er een almachtig Wezen bestaat, dat absolute controle heeft over alles in de schepping en waar niets aan kan ontsnappen.


2. Van Hem is het koninkrijk van de hemelen en de aarde. Hij schenkt leven en doet sterven; en Hij is de Bezitter van macht over alle dingen.

Lahū mulku-s-samāwāti wa-l-arḍi yuḥyī wa yumītu wa huwa ‘alā kulli shai’in qadīr.

Dit vers maakt duidelijk dat er niets bestaat dat buiten het koningschap van dat Wezen valt, dat in vers 1 al werd beschreven als de Machtige en de Wijze. Zijn heerschappij strekt zich uit over alles wat in de hemelen en op de aarde is. Het volledige koninkrijk en alle heerschappij behoren Hem toe, en alles is Zijn schepping. Bovendien is elk ding in de schepping volledig afhankelijk van Hem voor zijn bestaan en levensonderhoud. Hij is Degene die leven schenkt en Degene die doet sterven.

Tegenwoordig heeft ook de wetenschap ontdekt dat elk atoom in het heelal voortdurend een proces van opbouw en vernietiging doormaakt, oftewel een cyclus van leven en dood. Dit geldt eveneens voor het menselijk lichaam, waarin elke seconde cellen worden aangemaakt en afsterven. Door middel van eten en ademhalen worden bepaalde elementen in de bloedbaan opgenomen, die de levende moleculen in het lichaam voorzien van energie om nieuwe cellen te vormen. Ondertussen worden dode cellen continu uit het lichaam verwijderd via uitademing, urine, ontlasting en transpiratie.

Kortom, de cyclus van leven en dood is een fundamenteel proces dat het hele universum doordringt. De macht om iets opnieuw te scheppen of te vernietigen ligt bij niemand anders dan de Almachtige. Dit zwakke en volledig van Allah afhankelijke universum, inclusief de mens, bevindt zich in de greep van deze keten van leven en dood. Hieruit blijkt duidelijk dat de ware heerschappij alleen aan Hem toebehoort, en dat niets buiten Zijn krachtige wetten en wijze regulering valt.

Aan de andere kant zijn er vele mensen met macht op aarde die, ongeacht hoe streng hun wetten ook zijn en hoe zeer ze ook wensen om bepaalde maatregelen ten uitvoer te brengen, toch niet altijd over voldoende macht beschikken om dat te doen. In tegenstelling hiertoe is Allah’s heerschappij zodanig dat Hij de macht bezit om te doen wat Hij wil. Hij kan Zijn bevel uitstellen of onmiddellijk uitvoeren, of het Hij kan het in langzame stappen tot stand brengen volgens een langere keten van oorzaak en gevolg. Hoe dan ook, het is onvermijdelijk dat het gebeurt. Daarom wordt als een glorieus teken van Zijn volmaakte heerschappij gezegd, dat welke zaak Hij ook wilt laten gebeuren, Hij heeft de macht daartoe tot Zijn beschikking.


3. Hij is de Eerste en de Laatste en de Openlijke en de Verborgene, en Hij is de Weter van alle dingen.

Huwa-l-awwalu wa-l-ākhiru wa-ẓ-ẓāhiru wa-l-bāṭinu wa huwa bi-kulli shai’in ‘alīm.

Al-Awwal – Hij is de Eerste, wat betekent dat er niets vóór Hem bestaat. Dit is een eigenschap van Allah, en dit is ook de betekenis die in de hadith wordt gegeven.

Al-Ākhir – Hij is de Laatste, wat betekent dat er niets na Hem komt. Ook dit is een eigenschap van Allah, en deze betekenis wordt eveneens in de hadith bevestigd.

Aẓ-Ẓāhir – Hij is de Openlijke, en er bestaat niets dat duidelijker of meer zichtbaar is dan Hij. De hadith voegt hieraan toe dat niets boven Hem staat.

Al-Bāṭin – Hij is de Verborgene, en er bestaat niets dat nog meer verborgen is dan Hij. De hadith geeft hieraan een extra betekenis: niets bevindt zich onder Hem. Met andere woorden, Hij omvat alle dingen.

We kunnen Allah’s eigenschappen als de Openlijke (Ẓāhir) en de Verborgene (Bāṭin) op verschillende manieren begrijpen. Ten eerste is er niets dat duidelijker zichtbaar is dan Hij. Dit betekent dat niets boven Hem staat en dat Zijn macht onovertroffen is. Daarnaast is Hij openlijk in de zin dat Zijn eigenschappen en werken zo helder in de natuur zichtbaar zijn, dat elk weldenkend persoon Hem kan herkennen in alles waarop hij zijn aandacht richt. Met andere woorden, Hij is zichtbaar door Zijn vele en uiteenlopende tekenen. Dit wordt evidente kennis genoemd.

Ten tweede is Hij van nature verborgen. Daarnaast is Hij verborgen in de zin dat personen met een speciaal inzicht in elk ding de glorieuze manifestatie van Allah kunnen waarnemen. Dit wordt kennis in realiteit genoemd. Verder is Hij meer verborgen dan welk ander ding dan ook, in de zin dat niemand buiten Hem de ware werkelijkheid ervan kent. Met andere woorden, Hij bezit volledige kennis van alles, maar niemand buiten Hem kan het geheim van de ware realiteit van de dingen doorgronden. Het is mogelijk om inzicht te verkrijgen in de realiteit van de schepping, maar de kennis en de essentie van Allah blijven voor de mens niet te begrijpen. En omdat Hij degene is die op de achtergrond als de Veroorzaker van alle oorzaken fungeert, bestaat er buiten Hem niets of niemand tot wie men zich in smeekbeden kan wenden.

Allah is ook openlijk in de zin dat Hij alle dingen omvat en volledig begrijpt. Tegelijkertijd is Hij verborgen, omdat niemand Hem kan omvatten of volledig begrijpen.

We moeten ons ook realiseren dat Allah niet gebonden is aan plaats en tijd, aangezien Hij al bestond vóór de schepping en ook daarna zal blijven bestaan. Plaats en tijd dienen slechts om de relatie tussen eindige dingen te beschrijven. Hij is echter grenzeloos en oneindig. Bovendien omvat Hij alle dingen door Zijn macht, kennis en controle.

Het vers noemt daarnaast nog een ander punt: “Hij is de Weter van alle dingen.” Dit betekent dat Zijn kennis alles omvat wat bestaat en dat niets buiten Zijn kennis valt. Verder zou deze kennis nooit compleet en perfect zijn als Allah niet de Schepper van alle dingen was. Want als hij niet de Schepper was van elk ding, dan zou Hij niet die volmaaktheid van kennis bezitten. In dat geval zou Hij afhankelijk zijn van een andere schepper en kennis bij die schepper moeten verkrijgen. Als Hij dus de volledige en volmaakte kennis van alle dingen heeft, dan kan Hij alleen de Schepper zijn van dat alles. Daarom is het nodig dat het volgende vers de eigenschap van Schepper vermeldt.


4. Hij is het Die de hemelen en de aarde schiep in zes tijdperken (ayyām), en Hij vestigde zich op de Troon (‘arsh). Hij weet wat er afdaalt in de aarde en wat eruit tevoorschijn komt, en wat uit de hemel naar beneden komt en wat ernaar opstijgt. En Hij is met u waar u ook bent. En Allah is Degene Die ziet wat u doet.

Huwa-llazī khalaqa-s-samāwāti wa-l-arḍa fī sittati ayyāmin thumma-stawā ‘ala-l-‘arshi ya‘lamu mā yaliju fi-l-arḍi wa mā yakhruju minhā wa mā yanzilu mina-s-samā’i wa mā ya’ruju fīhā wa huwa ma‘akum ainamā kuntum wa-llāhu bimā ta‘malūna baṣīr.

Ayyām is het meervoud van yaum, een woord dat doorgaans verwijst naar een dag die zich uitstrekt van zonsopkomst tot zonsondergang. Echter, yaum kan ook betrekking hebben op een tijdsperiode van willekeurige duur, of die nu zeer kort of heel lang is. Ons begrip van dag en nacht is gebaseerd op de onderlinge relatie tussen de zon en de aarde. Maar voordat de hemelen en de aarde werden geschapen, bestonden noch de zon noch de aarde. Hieruit kan men duidelijk afleiden dat het woord yaum, in de context van de schepping van de hemelen en de aarde, nooit onze dag en nacht kan betekenen.  Als er nog geen methode bestond om de tijd te meten, dan betekent het woord yaum tijd in abstracte zin, of tijd die niet aan grenzen gebonden is. De kennis van die tijdsverdeling heeft alleen Allah en niemand anders.

De wetenschap heeft ook ontdekt dat het universum, vóór de schepping van onze hemel en aarde, door verschillende stadia (tijdperken of perioden) moest gaan, waarbij elk tijdperk honderden miljoenen jaren duurde. De exacte duur van deze tijdperken is echter niet met zekerheid bekend. Het is in deze context dat de koran het woord yaum (dag) gebruikt om een dergelijk tijdperk aan te duiden. Wetenschappers hebben, op basis van hun kennis, de schepping van het universum onderverdeeld in verschillende tijdperken. Allah, daarentegen, heeft het in Zijn volmaakte kennis in zes tijdperken of perioden verdeeld. Wat deze tijdperken precies inhielden, is alleen bij Allah bekend. Het is echter mogelijk dat deze stadia overeenkomen met die welke door de wetenschap worden bevestigd, zoals de fasen van ether, galactische nevel, elektron, mineraal, flora en fauna, of andere die nog niet bekend zijn. Het enige wat de Almachtige ons hier in het kort heeft verteld, is dat Hij de hemelen en de aarde in zes dagen, oftewel zes stadia, schiep. Met andere woorden, hun schepping voltrok zich geleidelijk over verschillende tijdperken of perioden. Alleen Allah weet wat deze stadia precies waren en hoe lang ze duurden.

Door wetenschappelijke boeken te lezen, weten we in ieder geval dat er tijdens deze tijdperken talloze wonderen van de schepping hebben plaatsgevonden – wonderen die het menselijke bevattingsvermogen te boven gaan. Iedere verstandige persoon zou zich daarom bewust moeten zijn van de enorme beperkingen van zijn kennis, om deze wonderen te kunnen erkennen.

‘Arsh: dit betekent letterlijk een troon waarop een koning zit. Volgens imam Raghib duidt het ook eer, macht, heerschappij en koningschap aan. Hij legt verder uit: “Allah’s ‘arsh (troon) is zodanig dat geen mens weet wat het werkelijk is. En het betekent niet wat de gewone mensen zich ervan voorstellen (dat wil zeggen, dat het lijkt op de troon van een wereldse koning), want in dat geval zou Allah’s troon rondgedragen moeten worden, terwijl Allah ver verwijderd staat van zoiets.”

Een van Zijn eigenschappen is Al-Qayyūm, wat betekent dat Hij de Zelfbestaande is, Degene door Wie alle dingen bestaan en voortbestaan. De woorden “Hij vestigde zich op de Troon” kunnen daarom niet betekenen dat Allah zichzelf letterlijk op een troon plaatste, zoals een mens dat zou doen. Het gebruik van het woord ‘arsh (troon) mag ons niet misleiden tot een letterlijke interpretatie. We moeten namelijk niet vergeten dat dezelfde woorden die voor de mens worden gebruikt, ook voor Allah worden toegepast. Maar er is een hemelsbreed verschil in wat het gebruik van zo’n woord in werkelijkheid uitdrukt. Allah heeft bijvoorbeeld ook handen, en Hij hoort en ziet ook. Maar men vergist zich deerlijk als men denkt dat Hij net zulke handen heeft als een mens of dat Hij hoort en ziet net zoals de mens.

Ook in de wereldse context wordt het gezag van een koning symbolisch uitgebeeld door zijn troon. Maar Allah’s heerschappij is verheven boven zulke begrenzingen en beperkingen. Zelfs wanneer we in het dagelijks taalgebruik zeggen dat een koning op zijn troon zit, bedoelen we niet dat hij daar dag en nacht fysiek op zit zonder ooit ervan af te komen. Wat hiermee wordt bedoeld, is dat zijn macht en autoriteit zijn gevestigd. Ditzelfde principe geldt voor het koranvers “Hij vestigde zich op de Troon.” Hiermee wordt bedoeld dat Allah’s macht en gezag alles doordringt en over alles regeert. Het kan nooit betekenen dat Allah letterlijk op een troon zit, zoals een wereldse koning.

Het is een algemene regel dat wanneer er in de heilige koran bepaalde woorden worden gebruikt met betrekking tot Allah’s eigenschappen of handelingen, men de hulpmiddelen of instrumenten die normaal gesproken daarmee gepaard gaan, nooit aan Allah kan toeschrijven. In plaats daarvan verwijzen deze woorden uitsluitend naar het uiteindelijke resultaat in de keten van acties. Wanneer we bijvoorbeeld zeggen dat Allah ziet, en hoewel het woord ‘zien’ ook voor de mens wordt gebruikt, heeft Allah geen ogen en geen licht nodig, wat voor de mens noodzakelijke hulpmiddelen zijn om te kunnen zien. Wat hiermee slechts wordt bedoeld, is dat het uiteindelijke resultaat van het zien Hem bereikt. Ditzelfde geldt ook voor Allah’s handeling van horen. Evenzo heeft de mens handen en materialen nodig om iets te bouwen, maar wanneer Allah iets maakt of schept, heeft Hij dergelijke middelen niet nodig.

Op een vergelijkbare manier betekent de zin “hij vestigde zich op de troon,” wanneer deze op een mens wordt toegepast, dat hij plaatsnam op de troon om zo zijn macht en heerschappij af te kondigen. In het geval van Allah kan het echter nooit deze betekenis hebben. Het houdt uitsluitend in dat Hij Zijn macht en volledige controle over alles heeft gevestigd en uitoefent.

De heilige koran maakt zelf duidelijk dat dit de bedoelde betekenis is als we bijvoorbeeld in 10:3 lezen: “Hij vestigde zich op de Troon en regelt de Zaak.” De woorden “Hij vestigde zich op de Troon,” worden hier dus uitgelegd als ‘Hij regelt de zaak’.

En in vers 7:54 komen de woorden “Die de hemelen en de aarde schiep in zes perioden, en Hij vestigde zich op de Troon” voor. Het vers eindigt vervolgens met de woorden: “De schepping en het bevel behoren aan Hem.” Met andere woorden, zowel “scheppen” als “Zijn gebod instellen” behoort tot Zijn daden. Hieruit wordt duidelijk dat met de woorden “Die de hemelen en de aarde schiep in zes perioden” Allah’s eigenschap als Schepper op de voorgrond wordt geplaatst, terwijl met de woorden “Hij vestigde zich op de Troon” de afkondiging van Zijn gebod wordt bedoeld. Deze overgang is zeer toepasselijk, want scheppen vormt één aspect van Zijn werk, terwijl de vestiging van Zijn gezag een ander aspect daarvan is. Zijn macht wordt dus door deze twee werken van Hem compleet gemaakt, namelijk door te scheppen en door Zijn gebod uit te oefenen.

Alles in de schepping heeft twee aspecten. Ten eerste de schepping ervan, en ten tweede het in werking stellen ervan zodat het de functie kan vervullen waarvoor het is gemaakt. Laten we de zon als voorbeeld nemen. Eerst kijken we naar haar schepping. Voordat zij werd geschapen, bracht Allah vele middelen samen — hoeveel precies, weet alleen Hij — om haar in bestaan te brengen. Nadat haar schepping was voltooid, stelde Allah haar in werking in overeenstemming met haar scheppingsdoel.

Niet alleen voor de zon, maar voor alles bestaan Allah’s werken uit twee stadia. Ten eerste is er schepping en vervolgens wordt het onder Zijn bevel en macht in werking gesteld, zodat het zijn vastgestelde bestaansdoel kan vervullen.

In de eerste plaats is er khalq (scheppen), en daarna volgt het uitoefenen van het bevel (amr), of zoals de heilige koran zegt: istawā ‘alal-’arsh (Hij vestigde zich op de Troon). Het woord istawā betekent iets op de juiste manier in orde maken. Dit duidt erop dat Allah’s heerschappij en de uitoefening van Zijn macht volmaakt en ordelijk zijn ingericht. Ze zijn perfect, en niets valt buiten Zijn gezag, noch kan iets daar ook maar enigszins van afwijken.

Hier moet ik een punt verduidelijken over dromen en visioenen. Deze zijn allegorisch van aard en moeten als gelijkenissen worden opgevat. Wanneer iemand Allah in een droom of visioen ziet, dan verschijnt Hij in een symbolische vorm. Als men in zo’n visioen waarneemt dat Allah ogen en oren heeft zoals een mens, betekent dit niet dat Hij daadwerkelijk fysieke ogen en oren bezit. Evenzo, als men Hem ziet zitten op een koninklijke troon, betekent dit niet dat Hij een fysiek lichaam heeft dat op een houten troon rust. Wat hiermee wordt bedoeld, is dat de volledige heerschappij aan Hem toebehoort.

Hierna wordt er gewag gemaakt van de kennis van Allah in de woorden: “Hij weet wat er afdaalt in de aarde en wat eruit tevoorschijn komt, en wat uit de hemel naar beneden komt en wat ernaar opstijgt.” Zonder kennis is heerschappij namelijk onvolmaakt. Als een koning geen enkele kennis heeft van zijn onderdanen, wat voor zin heeft dan zijn koningschap? Allah noemt daarom, samen met de volmaakte ordening van Zijn macht en heerschappij, ook Zijn perfecte kennis. Het voorafgaande vers (3) eindigde met: “Hij is de Weter van alle dingen.” Dit benadrukt dat de schepping van de hemelen en de aarde het resultaat is van Zijn volmaakte en alomvattende kennis. Die kennis impliceert namelijk dat Hij in staat is elk ding te scheppen.

Nu, in dit vers, achtte Allah het passend om, naast Zijn volmaakte macht om Zijn gezag uit te oefenen, ook te benadrukken dat Zijn kennis van de bewegingen en handelingen van Zijn schepping perfect en alomvattend is. Het vers “Hij is de Weter van alle dingen” wijst erop dat Hij niet alleen de aard en essentie van de hele schepping kent, maar dat Hij hier specifiek melding maakt van Zijn volmaakte kennis van haar bewegingen en handelingen.

Het vers zegt dat Allah zich volledig bewust is van wat de aarde binnengaat en wat eruit tevoorschijn komt, evenals wat uit de hemel neerdaalt en wat daarnaar opstijgt. Deze woorden hebben betrekking op de bewegingen en handelingen van alles in de schepping, met uitzondering van de mens. De mens wordt apart vermeld, omdat hij het vermogen heeft gekregen om binnen bepaalde grenzen te handelen. Hij kan ervoor kiezen om te handelen volgens de wetten die Allah voor hem heeft bepaald, maar hij heeft ook de mogelijkheid om daarvan af te wijken. Vanwege dit unieke onderscheidingsvermogen was het noodzakelijk om hem afzonderlijk te vermelden en hier bijzondere nadruk op te leggen.

De logica hierachter is dat het toekomstige leven van de mens gebaseerd is op zijn daden in deze wereld. Het is daarom van groot belang dat hij hierin zorgvuldigheid betracht. Het vers waarschuwt dan ook: “En Hij is bij jullie, waar jullie ook zijn.” Met andere woorden, de mens wordt erop gewezen dat hij de gave van vrije keuze heeft gekregen, waardoor hij kan besluiten om de bevelen van Allah te gehoorzamen of naast zich neer te leggen. Echter, voordat hij de wetten van de Almachtige Heer van de Troon overtreedt, moet hij zich bewust zijn van het feit dat, waar hij zich ook bevindt, zijn Heer bij hem is en dat, wat hij ook doet, hij altijd wordt gezien door de Alziende.

Hier wordt een krachtige les in geloof onderwezen: als iemand werkelijk geloof bezit, zal hij nooit de wetten van de Almachtige kunnen overtreden. Zal iemand stelen in de aanwezigheid van een rechter of openlijk ontucht plegen terwijl hij zichtbaar is voor hem? Zeker niet! Dit is de reden waarom de hadith stelt dat op het moment dat iemand bezig is met stelen of ontucht pleegt, hij op dat moment geen geloof heeft.


5. Van Hem is het koninkrijk van de hemelen en de aarde; en tot Allah keren (alle) zaken terug.

Lahū mulku-s-samāwāti wa-l-arḍi wa ila-llāhi turja’u-l-umūr.

Nadat Allah de mens eraan heeft herinnerd dat Hij al zijn daden ziet, verklaart Hij ook dat aan Hem het koninkrijk van de hemelen en de aarde toebehoort. Dit betekent dat als de mens ongehoorzaam aan Hem is, er voor hem geen plek is om te vluchten, noch in de hemelen, noch op aarde. Als hij daarentegen gehoorzaam is, zal hij volop genieten van de gunsten van de aarde en overvloedig de zegeningen van de hemel ontvangen. Wanneer een volk de geboden van de Heer van de hemelen en de aarde naleeft, zullen zij zowel de aardse als de hemelse zegeningen ervaren. Met andere woorden, zij zullen gezegend worden, zowel in materieel als in spiritueel opzicht.

Dit wordt duidelijk geïllustreerd door de voorbeelden van de nobele metgezellen van profeet Mohammed. Zij vervulden hun plichten tegenover Allah naar hun beste vermogen, en daarom vervulde Hij op Zijn beurt Zijn belofte aan hen op een manier die de wereld nog nooit eerder had gezien. Hij zegende hen met twee koninkrijken: een materieel en een spiritueel koninkrijk, oftewel een aards en een hemels koninkrijk. Dit principe geldt ook op individueel niveau. Als een persoon zich volmaakt dienstbaar opstelt tegenover de Almachtige, zal hij als een afspiegeling van Allah’s glorie iets van die glorie ontvangen, zowel in deze wereld als in het hiernamaals.

Het vers eindigt met: “En tot Allah keren (alle) zaken terug.” Dit betekent dat alle werken naar Allah terugkeren. In dit wereldse leven is de realiteit dat achter alle materiële zaken steekt zo sterk verborgen voor de mens, dat hij de hand van Allah daarachter en Zijn macht daarover niet kan zien. Integendeel, hij begint die materiële zaken te aanbidden. En door plezier te zoeken bij die zaken, in plaats van bij zijn Heer, verspeelt hij het welbehagen van de Almachtige. Om deze reden wordt de mens geadviseerd om niet in deze fout te vervallen.

Op deze wereld kan macht schijnbaar aan de mens of aan iets anders toebehoren, maar de ware heerschappij behoort toe aan de Heer van de hele schepping. Het lijkt alsof de mens gezag uitoefent en dat zijn kracht en macht toenemen, maar in werkelijkheid hoeft men geen enkel mens te vrezen, want de teugels van alle zaken liggen in de handen van de Heer van het koninkrijk. Zonder een gebod vanuit de hemel vindt er niets op aarde plaats. Het is dus de Meester van het koninkrijk die wij moeten vrezen, en elke andere vorm van vrees is verwaarloosbaar in vergelijking daarmee. Met Zijn welbehagen in gedachten hoeft men niets of niemand met gezag te vrezen. Hij schenkt het koninkrijk of gezag aan wie Hij wil en neemt het af van wie Hij wil. Met andere woorden, zoals het volgende vers zegt, Hij laat de nacht overgaan in de dag en laat de dag overgaan in de nacht.


6. Hij laat de nacht overgaan in de dag, en laat de dag overgaan in de nacht. En Hij is de Weter van wat er in de harten schuilt.

Yūliju-l-laila fi-n-nahāri wa yūliju-n-nahāra fi-l-laili wa huwa ‘alīmun bizāti-ṣ-ṣudūr.

‘Alīmun bizāti-ṣ-ṣudūr, betekent dat Allah de Weter is van de geheimen van het hart. Dit is een figuurlijke uitdrukking, omdat de mens in zijn hart al zijn verborgen gevoelens en gedachten ervaart. Vanwege dit innerlijke gevoel wordt deze beeldspraak gebruikt. Het vers vertelt ons dat het Allah is die de dag in de nacht verandert en de nacht in de dag. Dit dient als een troostende belofte voor de gelovigen: hoe arm en hulpeloos zij zich op een bepaald moment in hun leven ook mogen voelen, als zij zich overgeven aan Allah’s heerschappij en in hun manier van leven gehoorzaam blijven aan Zijn wetten, dan zal de nacht van zwakte en onmacht die hen omringt veranderen in de dag van Allah’s succes en overwinning.

Aan de andere kant zal het heldere daglicht van de ongelovigen, dat gebaseerd is op hun macht en overheersing, veranderen in de duisternis van de nacht. Met andere woorden, zij zullen nederlaag en schande ondervinden. De nobele metgezellen van profeet Mohammed accepteerden de heerschappij van Allah en Zijn wetten, zoals geopenbaard in de heilige koran, met een diepgewortelde overtuiging. Zij gehoorzaamden met zo’n oprechtheid en onwrikbare toewijding, dat uiteindelijk hun nacht van zwakte veranderde in de dag van overwinning. Voor de ongelovigen daarentegen veranderde de dag van hun macht en overheersing in de duisternis van de nacht.

De woorden “Weter van wat er in de harten schuilt” hebben nog een diepere betekenis. Ze benadrukken dat intenties een cruciale rol spelen bij het verrichten van daden. Als iemand geen oprechte intentie heeft en geen vastberadenheid toont om puur omwille van Allah te handelen, maar in plaats daarvan zijn daden verricht uit uiterlijk vertoon of hebzucht naar werelds gewin, dan zullen zulke daden nooit tot succes leiden. In plaats daarvan verliezen ze hun waarde en worden ze betekenisloos. Om deze reden heeft profeet Mohammed gezegd: “Daden berusten op intenties.”

De juiste betekenis van de uitdrukking “Weter van wat er in de harten schuilt” is dat we bij al onze zaken erop bedacht moeten zijn dat de Alwetende Allah volledig op de hoogte is van de geheimen in ons hart. Zelfs de meest intelligente of vrome mensen kunnen misleid worden door uiterlijk vertoon, maar Allah niet. Pas wanneer Hij tevreden over ons is en onze intenties oprecht zijn, zullen onze handelingen goede vruchten afwerpen, zoals de heilige koran in een ander vers zegt.

“Zij zullen u zweren, opdat u een welbehagen in hen zult hebben. Maar indien u een welbehagen in hen hebt, heeft Allah toch waarlijk geen welbehagen in het overtredende volk.” (9:96)

Dit verwijst naar de hypocrieten die probeerden in de gunst van de moslims te komen door te doen alsof ze tevreden met hen waren. Hun harten en intenties waren echter niet oprecht. Daarom bestempelt Allah hen als overtreders en maakt Hij Zijn ongenoegen over hen openlijk kenbaar.

Hoe vroom een handeling oppervlakkig ook mag lijken, als de intentie van degene die haar verricht niet zuiver is, zal die daad geen goede gevolgen hebben. Dit geldt bijvoorbeeld voor iemand die giften schenkt, niet om Allah’s welbehagen te winnen, maar om zijn reputatie te verhogen. Het kan zijn dat mensen hem daarvoor prijzen en bedanken, maar in Allah’s ogen heeft zijn daad van vrijgevigheid geen enkele waarde.

De nobele metgezellen oogstten succes, omdat hun intenties zeer nobel en vroom waren. Als zij daden verrichtten, dan was het alleen met het welbehagen van Allah voor ogen. Dit is de reden waarom hun Heer, Die de geheimen in hun hart kende, hen overwinningen gaf in dit leven en in het volgende. Zo schonk Allah hun twee koninkrijken: een materieel en een spiritueel koninkrijk.

Neem het voorbeeld van Abū Bakr en ʿUmar (moge Allah tevreden met hen zijn). Hoewel zij de heersers waren over Arabië, Iran, Rome, Syrië en Egypte, gaven zij een buitengewoon voorbeeld van een eenvoudig en onbaatzuchtig leven. Iedere verstandig mens die leest over hun onwrikbare toewijding aan Allah, kan niet anders dan in bewondering en eerbied zijn hoofd voor hen buigen.

Toen Abū Bakr kalief werd, zette hij aanvankelijk zijn handelsactiviteiten voort. De mensen wezen hem er echter op dat het besturen van de staat zo tijdrovend en veeleisend was, dat hij nauwelijks tijd overhield om zijn handel voort te zetten. Ze stelden voor dat hij een bescheiden uitkering uit de schatkist zou ontvangen en zijn handel zou opgeven. Hij stemde hiermee in, gaf zijn handel op en aanvaardde een zeer klein bedrag als dagvergoeding. Met deze bescheiden toelage leidde hij een zeer krap en sober leven.

Na een tijdje zo te hebben geleefd, zag hij op een dag dat zijn vrouw een prachtige nieuwe hoofddoek droeg. Hij vroeg haar hoe ze eraan was gekomen. Ze antwoordde dat ze telkens twee munten van hun kleine dagvergoeding opzij had gelegd, totdat ze genoeg had gespaard om de hoofddoek te kopen. Abū Bakr nam de hoofddoek onmiddellijk van haar af en deponeerde deze in de schatkist. Vervolgens vroeg hij de schatkistbewaarders om voortaan twee munten af te trekken van zijn dagvergoeding, omdat hij had vastgesteld dat hij ook met minder kon leven.

Zo zag zijn toewijding aan de zaak van Allah eruit. Hij beschouwde het als ḥarām (verboden) om meer van de rijkdommen van deze wereld aan zichzelf of zijn familie te besteden dan strikt noodzakelijk was. En wat hij ook aanvaardde, het was slechts voldoende om een leven van uiterste eenvoud en soberheid te leiden. En stel je voor! Hij was de koning van het islamitisch rijk!

De tweede kalief, ʿUmar, had eenzelfde bescheiden karakter. Hij was de heerser over Arabië, Iran, Rome, Syrië en Egypte, maar hij droeg een mantel die op maar liefst vijftig plaatsen was gelapt.

Toen de moslimstrijders de koninkrijken van Iran, Egypte en Syrië tijdens veldslagen hadden onderworpen, stuurde de Romeinse keizer zijn gezant om zijn respect te betuigen aan kalief ʿUmar. Deze gezant had vele prachtige paleizen gezien en verwachtte daarom dat het hof van de machtige moslimheerser vol buitengewone pracht en praal zou zijn. Maar toen hij in Medina aankwam, trof hij geen paleis of koninklijke residentie aan. Hij informeerde daarom waar de kalief zich bevond. Men vertelde hem dat ʿUmar kort daarvoor op een mat in de moskee had gezeten, maar dat hij, zoals gebruikelijk, waarschijnlijk naar buiten was gegaan om een koerier op te wachten.

De gezant ging hem daar zoeken, maar kreeg te horen dat hij die plek net had verlaten. Uiteindelijk wees iemand hem op een man die onder een acaciaboom lag te slapen en liet hem weten dat dit de kalief van de moslims was. Toen de gezant dichterbij kwam, zag hij een man met vijftig lappen op zijn kleding, die met de kale grond als zijn bed ongedwongen lag te slapen. Hij was met verbijstering geslagen. Zijn hart werd vervuld met een zó groot ontzag dat hij begon te beven. Maar het was een ontzag ingegeven door de waarheid, niet een ontzag voor een man die gehuld in gehavende kleren op de grond lag te slapen.

Het is niet de aanblik van een mens die dit indrukwekkende gevoel opwekt, maar Allah Zelf die dit gevoel in het hart van Zijn rechtschapen dienaren opwekt. Dit was ook het geval bij de metgezellen van profeet Mohammed. Ondanks dat zij macht en een overvloed aan rijkdom genoten, lieten ze nooit toe dat hun omstandigheden ook maar een smet wierpen op hun doorzettingsvermogen en hun diepgewortelde vertrouwen in Allah als hun enige toeverlaat. Zo gaf ʿĀ’ishah (moge Allah tevreden met haar zijn) vrijwel al het geld dat zij als toelage ontving weg aan de armen en behoeftigen.


7. Geloof in Allah en in Zijn Boodschapper, en geef uit waar Hij u erfgenamen (mustakhlafīna) van heeft gemaakt. Dus degenen onder u die gelooft en uitgeeft — voor hen is er een grote beloning.

Āminū bi-llāhi wa rasūlihī wa anfiqū mimmā ja’alakum mustakhlafīna fīhi fa-llazīna āmanū minkum wa anfaqū lahum ajrun kabīr.

Mustakhlafīna betekent: degenen die door Allah tot Zijn plaatsvervangers zijn gemaakt. Het betekent ook: degenen die tot erfgenamen van andere mensen zijn gemaakt.

Hier wordt uiteengezet dat, net zoals alles in de hemelen en op aarde de glorie van hun Schepper en Meester verheerlijkt, ook de mens dit in praktijk moet brengen door zijn geloof in Allah en door uit te geven op Zijn weg. De voorgaande verzen beschrijven de verheven eigenschappen van de Almachtige om te benadrukken hoe glorierijk Hij is. Zo kunnen wij, ter wille van Zijn welbehagen, alles wat wij van Hem hebben ontvangen besteden op Zijn weg — of het nu gaat om onze rijkdom en bezittingen, onze kennis, energie of talenten. Het is een feit dat de glorierijke eigenschappen van Allah, zoals in de vorige verzen beschreven, zó verheven zijn, dat als een dienaar alles wat hij bezit zou teruggeven aan de Bezitter van zulke eigenschappen, het nog steeds te weinig zou zijn. Maar hoe moet een dienaar dit teruggeven?

Wat een gelovige ook besteedt omwille van zijn Meester, het is uiteindelijk allemaal in zijn eigen voordeel. Wanneer hij al zijn krachten, handelingen, rijkdom en energie aanwendt in dienst van Allah, zal hij een volmaakt individu worden. Zijn hele persoonlijkheid zal doordrenkt raken met de verheerlijking van Allah. Deze praktische of tastbare verheerlijking komt niet ten goede aan de Almachtige — het is de mens zelf die hiervan profiteert. Dit is namelijk het proces waardoor hij zuiver en volmaakt kan worden.

Als we hier iets dieper over nadenken, dan zien we dat zelfs de praktische verheerlijking van de rest van de schepping ook werkt in het voordeel van de mens. Het doel van de schepping van alles in de hemelen en de aarde is namelijk om de mens te dienen.

Het bevel om in Allah en Zijn Boodschapper te geloven wordt hier in algemene zin gegeven, wat betekent dat het op alle mensen van toepassing is. Door de verheven eigenschappen van Allah uiteen te zetten, wordt de mens geïnformeerd dat het Allah was die profeet Mohammed naar de wereld zond. Hij riep de hele mensheid op tot de weg van de Almachtige. Verder is het juist vanwege deze glorierijke en schitterende eigenschappen, die eerder zijn beschreven, dat deze Boodschapper tot ons is gekomen. Daarom zou de mens moeten geloven in zo’n God en zo’n Boodschapper. Een louter mondelinge belijdenis heeft echter geen waarde, net zoals het niets betekent om alleen te geloven dat er water bestaat waarmee je je dorst kunt lessen. Pas wanneer men daadwerkelijk van dat water drinkt, wordt de dorst gelest. En op dezelfde manier heeft het geloof in het bestaan van Allah, of in het feit dat Hij profeet Mohammed heeft gezonden geen enkele waarde als men niet alles wat Allah heeft gegeven — zoals onze ogen, oren, spraak, handen en voeten, hart en verstand, geld, eer en leven — inzet om Zijn welbehagen te verkrijgen. Wanneer iemand deze middelen uitsluitend gebruikt om Allah’s tevredenheid te winnen, zonder enig eigenbelang, dan worden zulke daden beschouwd als ware onbaatzuchtigheid en opoffering. Dit zijn de daden die Allah accepteert.

Hoe meer geloof in iemands hart is, hoe groter zijn geest van opoffering en onbaatzuchtigheid zal zijn. Het komt namelijk door zijn sterke geloof dat hij zijn leven, bezittingen en alles wat hij heeft inzet op het pad van Allah. Hij weet met zekerheid dat niets van wat hij opgeeft verloren zal gaan, omdat het in de handen terechtkomt van Degene die altijd bereid is om de mens steeds meer en betere beloningen te schenken. Zoals we lezen in het volgende vers:

“De parabel van degenen die hun rijkdom uitgeven op de weg van Allah is als de parabel van een graankorrel waaruit zeven aren groeien, in iedere aar honderd graankorrels. En Allah vermeerdert voor wie het Hem behaagt. En Allah is Ruimgevend, Wetend.” (2:261)

Dit vers geeft de garantie dat de beloning zevenhonderd keer vermeerderd wordt. Maar de beloning van Allah is niet beperkt tot deze hoeveelheid, want Hij kan zelfs meer geven aan wie Hij wil. Allah, de Kenner van alle zaken, houdt namelijk altijd rekening met de intentie en oprechtheid van Zijn dienaar. Het is dus niet vreemd als Hij Zijn beloning nog meer laat toenemen.

Eens werd Medina getroffen door een ernstige hongersnood. In die tijd was ʿUthmān (moge Allah tevreden met hem zijn) de kalief. Uit eigen middelen had hij een grote hoeveelheid graan uit Syrië laten invoeren. Toen het graan in Medina aankwam, benaderde een handelaar hem met de bedoeling zaken te doen en bood de kalief elke winst aan die hij maar wilde noemen. ʿUthmān antwoordde dat er al een handelaar was die een winst van zevenhonderd procent bood. Hij zei verder dat als er een koopman was die bereid was meer te betalen, hij het aan hem zou verkopen.

Toen hij dit hoorde, was de handelaar zeer verbaasd en wilde weten wie die handelaar was die zo’n hoge prijs betaalde. De kalief las het hierboven aangehaalde vers (2:261) en verdeelde al het koren onder de armen. Het is dus geloof dat een persoon motiveert om onbaatzuchtig en opofferingsgezind te zijn. Zo een gelovige weet namelijk dat zijn inspanningen niet verloren zullen gaan, maar hem in het volgende leven tot voordeel zullen zijn.

Eens had profeet Mohammed een schaap geslacht en vroeg zijn vrouw ʿĀ’ishah om het vlees onder de armen te verdelen. Ze voldeed aan zijn verzoek, maar hield een schouderstuk achter voor eigen gebruik. Toen de Profeet vroeg of ze het vlees had verdeeld, antwoordde ze dat ze dat had gedaan, behalve het schouderstuk dat ze thuis had gehouden. Daarop zei de Profeet: “Alles wat je hebt weggegeven is van ons geworden, behalve het schouderstuk dat wij voor onze eigen consumptie hebben gehouden.” Hieruit blijkt dat de mate van ons geloof bepaalt hoe groot onze onbaatzuchtigheid en bereidheid tot opoffering is.

Bij een andere gelegenheid, toen een veldslag op handen was, vroeg profeet Mohammed zijn metgezellen om financiële steun voor de zaak van Allah. In reactie daarop bracht ʿUmar de helft van zijn rijkdom en bezittingen als bijdrage, terwijl Abū Bakr alles gaf wat hij bezat. De Profeet vroeg ʿUmar wat hij had achtergelaten, waarop hij antwoordde dat hij de helft van zijn bezittingen had achtergelaten. Toen Abū Bakr dezelfde vraag kreeg, antwoordde hij: “Ik heb (voor mijn familie) Allah en Zijn Boodschapper achtergelaten.” Dat wil zeggen, hij had niets achtergelaten en alles wat hij bezat bijgedragen voor de zaak. Dit antwoord bracht profeet Mohammed tot de opmerking dat ‘Umars geloof de helft was van dat van Aboe Bakr. Met andere woorden, opofferingsgezindheid werd tot de toetssteen gemaakt waarmee de mate van iemands geloof werd gemeten, net zoals temperatuur wordt gemeten door een thermometer en luchtdruk door een barometer.

De eerste betekenis van het woord mustakhlafīna (plaatsvervanger) houdt dus is dat al onze levens en bezittingen en al het andere dat wij gekregen hebben in werkelijkheid het bezit en de gift van Allah zijn. Wij zijn slechts tijdelijk als eigenaar daarvan gemaakt als plaatsvervanger van de werkelijke Eigenaar. Wanneer wij dan de wereld verlaten, gezegend is dan degene die iets van dat alles naar zijn volgende verblijfplaats meeneemt. Dat is de persoon die alles wat hij bezat inzette op de weg van Allah.

De tweede betekenis van mustakhlafīna (erfgenamen van andere mensen worden) is ook toepasselijk, want we worden erfgenamen van anderen en bezitters van hun eigendom. Met andere woorden, net zoals de mensen die heen zijn gegaan hun rijkdom en bezit uiteindelijk moesten achterlaten en wij hun erfgenamen werden, zo zullen ook wij deze wereld moeten verlaten en alles moeten achterlaten. Hier zullen anderen op hun beurt van profiteren. Wijs is dus degene die zijn rijkdom nuttig aanwendt en het niet alleen voor anderen achterlaat om te erven.

Eens merkte de Profeet op dat er bepaalde mensen zijn die met grotere ijver over de eigendommen van hun erfgenamen waken dan over hun eigen bezit. De metgezellen vroegen zich af wie zo iemand zou kunnen zijn. Hij legde uit dat dit betrekking heeft op iemand die nalaat zijn geld en bezit te besteden op de weg van Allah. In werkelijkheid, zo vervolgde hij, waakt zo’n persoon slechts over wat hij uiteindelijk zal moeten achterlaten voor zijn erfgenamen, die er na hem eigenaar van zullen worden. Daarentegen waakt hij niet over zijn eigen bezit. Want het werkelijke bezit is datgene wat men besteedt op de weg van Allah, en dat zal men in het volgende leven in honderdvoud terugkrijgen. Het werkelijke eigendom van een mens bestaat dus alleen uit wat hij uitgeeft op het pad van de Almachtige, want dat is wat hij met zich meeneemt. Wat hij achterlaat, behoort niet meer tot zijn bezit, maar tot dat van zijn erfgenamen.

Samenvattend is het eerste gebod in dit vers van algemene aard en geldt het voor alle mensen. Het tweede gebod richt zich specifiek tot de gelovigen. In dit geval betekent het bevel om in Allah en Zijn Boodschapper te geloven dat wij ons geloof door daden moeten bewijzen. Met andere woorden, geloof houdt hier in dat wij onze bewering gelovigen te zijn staven met tastbare daden. Dit kunnen we doen door onbaatzuchtige opofferingen te brengen op de weg van de Almachtige. Daarom vermeldt het laatste gedeelte van het vers dat degenen onder ons die geloven en hun geloof ondersteunen met daden door onzelfzuchtige opofferingen op het pad van Allah, een grote beloning zullen ontvangen.

Men is het erover eens dat hoe hoger de status van een persoon is, hoe hoger de maatstaf is waarmee hij wordt beoordeeld ten opzichte van anderen met betrekking tot een bepaald iets. Voor een arme is bijvoorbeeld een bedrag van honderd euro een fortuin, terwijl het voor een miljonair slechts een klein bedrag is. Hieruit kunnen we opmaken dat de status en glorie van Allah zo onmetelijk groot zijn dat wij ons daar geen voorstelling van kunnen maken. Wanneer de Almachtige dus zegt dat een bepaalde beloning groot zal zijn, is het duidelijk dat deze in verhouding tot Zijn grootheid onmetelijk zal zijn – zo onmetelijk, dat wij ons de omvang ervan niet kunnen voorstellen.


8. En wat is er met u aan de hand dat u niet gelooft in Allah? En de Boodschapper nodigt u uit te geloven in uw Heer. En Hij heeft inderdaad uw verbond (mithāq) geaccepteerd, indien u gelovigen bent.

Wa mā lakum lā tu’minūna bi-llāhi wa-r-rasūlu yad’ūkum li-tu’minū bi-rabbikum wa qad akhaza mīthāqakum in kuntum mu’minīn.

Korangeleerden leggen uit dat dit vers verwijst naar de ongelovigen. Zij zeggen dat het woord mīthāq hier betekent het oorspronkelijke verbond dat Allah met het nageslacht van Adam sloot. Dit wordt duidelijk in het volgende vers:

“En toen uw Heer uit de kinderen van Adam, uit hun lendenen, hun nageslacht voortbracht, en hen getuigenis deed afleggen tegen hun eigen zielen: Ben Ik niet uw Heer? zeiden zij: Ja! wij getuigen..” (7:172)

Met andere woorden, de natuur (fiṭrah) van de mens getuigt van en erkent het feit dat er een Heer (Rabb) bestaat Die hem heeft geschapen en voor zijn bestaan zorgt. Dit vers dient dus als een waarschuwing voor de ongelovigen. Het vraagt hen wat er met hen aan de hand is dat zij niet geloven in de Almachtige, Die Zijn boodschapper heeft gezonden om hen te herinneren aan de band tussen hun innerlijk en hun Heer — een band die diep verankerd ligt in het hart van alle mensen. Om die reden is de leer van profeet Mohammed volledig in overeenstemming met de menselijke natuur.

De woorden “indien u gelovigen bent” maken echter duidelijk dat hier in het bijzonder de gelovigen worden aangesproken. De woorden “dat u niet gelooft in Allah” vormen een waarschuwing aan de mens: waarom bewijst hij de roep van de Almachtige om te geloven niet met daden — namelijk door uit te geven voor de zaak van Allah en gehoor te geven aan de roep van profeet Mohammed om in zijn Heer (Rabb) te geloven.

Met andere woorden, de Profeet doet de realiteit uit de doeken en informeert de mens dat zijn groei en verheffing van het laagste naar het hoogste niveau het gevolg zijn van het onderhoud van zijn Heer (Rabb). Geld, goederen en rijkdom — deze zaken nemen niet de plaats in van onze Rabb. Zij zijn slechts de middelen van ons bestaan, waarmee Hij ons voorziet voor een bepaalde tijd, zolang het Hem behaagt. Het werkelijke geheim om voordeel te halen uit deze voorziening ligt in het besteden van je bezittingen op de weg van de Almachtige. Wanneer we ons geld voor onszelf uitgeven en in zekere mate voorzien in ons fysieke welzijn, mogen we niet vergeten dat ons lichaam uiteindelijk zal sterven en tot stof zal vergaan. De werkelijke essentie ligt in de voeding van de menselijke ziel, die voortkomt uit het uitgeven voor de zaak van Allah. Dit is waar het werkelijk om draait en wat voor altijd blijft voortbestaan.

Wanneer het woord mīthāq (verbond) in dit geval verwijst naar de mondelinge bevestiging van de gelovigen op het moment dat zij de islam accepteren, dan vraagt dit vers hen: als jullie oprecht in Allah en Zijn Boodschapper geloven, waarom bewijzen jullie dit geloof dan niet door de daden waartoe de Profeet jullie oproept? De nobele metgezellen van profeet Mohammed aanvaardden zijn uitnodiging met zoveel oprechtheid dat zij niet alleen hun bezittingen, maar zelfs hun levens opofferden omwille van Allah. De heilige koran maakt hiervan gewag in het volgende vers:

“Onder de gelovigen zijn mensen die zich houden aan het verbond dat zij sloten met Allah. En onder hen is degene die zijn gelofte is nagekomen, en onder hen is degene die nog wacht — en zij zijn geenszins veranderd.” (33:23)

Dat wil zeggen, sommigen waren hun beloften al nagekomen door hun levens te geven als martelaren op de weg van Allah. En anderen wachtten gretig de gelegenheid af om hetzelfde te doen. Geen van beide groepen liet iets ertussen komen wat hun beloften zou kunnen schaden. We zien daarom geen gebrek in hun geloof tijdens het leven van profeet Mohammed, behalve in het geval van de huichelaars. Tegenwoordig zien we echter talloze moslims die verbaal beweren oprecht te zijn in hun geloof en er zelfs over opscheppen, maar als het gaat om het bewijzen van hun geloof door middel van goede daden en opofferingen schieten ze volledig tekort.


9. Hij is het Die duidelijke bewijzen (of tekenen) naar Zijn dienaar stuurt, opdat hij u vanuit duisternissen (ẓulumāt) tot het licht (nūr) mag leiden. En waarlijk is Allah vol affectie, barmhartig tegenover jullie.

Huwa-llazī yunazzilu ‘alā ‘abdihī āyātin bayyinātin li-yukhrijakum mina-ẓ-ẓulumāti ila-l-nūri wa inna-llāha bikum la-ra’ūfu–raḥīm.

Het is een algemene regel dat, wanneer iets werkelijk de waarheid is, er steeds nieuwe bewijzen voor blijven opkomen. Op deze manier begint de duisternis van twijfels en vermoedens geleidelijk aan te verdwijnen, terwijl het licht van kennis de plaats inneemt van de duisternis van onwetendheid.

Laten we bijvoorbeeld een specifiek geval beschouwen: de dood van profeet Jezus (vrede zij met hem). In het begin was het in onze tijd voor velen moeilijk om dit te aanvaarden. Maar aangezien zijn dood een waargebeurd en vaststaand feit is, werd er met de tijd steeds meer licht geworpen op dit controversiële punt, en kwamen er steeds meer nieuwe bewijzen naar voren. Het gevolg hiervan is dat er tegenwoordig geen intelligent persoon meer is die nog gelooft dat profeet Jezus in leven is.

Hier wordt het woord duisternis (ẓulmah) in de meervoudsvorm ẓulumāt gebruikt, omdat er verschillende soorten duisternis bestaan. Dit omvat onder andere polytheïsme, het introduceren van nieuwigheden in de godsdienst, familietradities en volksgebruiken, het blind volgen van religieuze leiders, het najagen van je dierlijke driften en lichamelijke verlangens, evenals twijfels en vermoedens die voortkomen uit onwetendheid. Dit zijn allemaal voorbeelden van de vele vormen van duisternis. De mens kan hier alleen van verlost worden door het licht van Allah’s openbaring, oftewel door ware kennis. Afhankelijk van de mate van zijn geloof in Allah’s openbaring begint hij geleidelijk aan uit deze verschillende vormen van duisternis te geraken.

In dit verband betekent het woord licht (nūr) het fenomeen van de Allah’s openbaring dat een persoon wat betreft zijn geloof en zijn goede daden leidt naar het rechte pad. Wanneer hij dat pad volgt, dan stelt dat hem in staat het doel van zijn bestaan te bereiken en het welbehagen van zijn Heer te winnen. Het wordt een ‘licht’ genoemd, omdat het een vonk is van Allah’s schittering. Door deze vonk wordt de mens ervoor behoed dat hij verkeerde paden opgaat en wordt hij geholpen bij het bewandelen van het rechte pad dat hem naar de gewenste bestemming leidt (dat wil zeggen, naar Allah, de Allerhoogste).


10. En welk excuus hebt u dat u niet uitgeeft op de weg van Allah? En aan Allah behoort de erfenis van de hemelen en de aarde. Degenen onder u die uitgaven vóór de Overwinning en die streden zijn niet gelijk (aan degenen die daarna kwamen). Zij zijn hoger in rang dan degenen die daarna uitgaven en streden. En Allah heeft aan allen het goede beloofd. En Allah is Zich Bewust van wat jullie doen.

Wa mā lakum allā tunfiqū fī sabīli-llāhi wa li-llāhi mīrāthu-s-samāwāti wa-l-arḍi; lā yastawī minkum man anfaqa min qabli-l-fatḥi wa qātala; ulā’ika a‘ẓamu darajatan mina-llazīna anfaqū min ba‘du wa qātalū; wa kullan wa‘ada-llāhu-l-ḥusnā; wa-llāhu bimā ta’malūna khabīr.

In dit vers wordt ons verteld dat Allah voortdurend duidelijke bewijzen en tekenen blijft zenden ter bevestiging dat de heilige koran werkelijk door Hem is geopenbaard en dat profeet Mohammed daadwerkelijk Zijn boodschapper is. Hierdoor begint het licht van geloof steeds sterker in ons te stralen en wakkert het bij ons de geestdrift aan om goede en onbaatzuchtige daden van opoffering te verrichten.

Wij hebben daarom, na al deze gratis giften, geen enkel excuus meer om onze bezittingen niet uit te geven op de weg van de Almachtige. Goed beschouwd is Allah immers de werkelijke Bezitter van alles wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt. Wij krijgen deze bezittingen slechts tijdelijk in ons beheer, totdat wij sterven en alles moeten achterlaten. Hoe ironisch! De Almachtige schenkt ons geld en goederen, en toch aarzelen wij om die op Zijn weg uit te geven. Dit is inderdaad het toppunt van ondankbaarheid.

Volgens sommigen verwijst de “overwinning” naar de verovering van Mekka, terwijl anderen van mening zijn dat het slaat op het verdrag van “Hoedaibiyya”, dat Allah zelf “een duidelijke overwinning” noemt in vers 48:1. Het is inderdaad waar dat de islam pas na dit verdrag aan invloed begon te winnen. Wanneer we de gebeurtenissen uit die tijd beschouwen, blijkt deze uitleg dan ook volkomen correct te zijn.

Als we het woord “overwinning” echter in bredere zin beschouwen, kan het ook verwijzen naar de overwinning van de islam, oftewel de overheersende invloed ervan, zoals de heilige koran zegt:

“Wanneer Allah’s hulp en de overwinning komt. En u ziet de mensen de religie van Allah in groepen binnengaan.” (110:1-2)

Met andere woorden, alle obstakels die de oproep tot en de verkondiging van de islam belemmerden, werden weggenomen, waarna de islam de harten van de mensen overwon.

Deze verzen betekenen dus dat de islam door een periode van erbarmelijke en benarde omstandigheden heen moest. Voor de verdediging en verspreiding ervan was zowel materieel als mankracht nodig. Wanneer mensen in zulke wanhopige tijden hun levens en bezittingen inzetten voor de verspreiding van de religie en tegen vijanden strijden om hun geloof te verdedigen, dan is de beloning voor hun inzet aanzienlijk groter dan op andere momenten, wanneer de islam, door Allah’s goedgunstigheid, de harten van de mensen al heeft veroverd. Het is een feit dat hulp en opoffering in tijden van ernstige nood veel waardevoller zijn en aanzienlijk meer worden beloond dan wanneer die noodzaak er niet is.

Dit is waar de Profeet op doelde in een preek die hij hield in Medina. Hij zei: “Degene die vandaag een handvol gerst geeft op de weg van Allah, zal een grotere beloning ontvangen dan iemand die later een hoop goud schenkt, hoger dan de berg Uhud.” Hij zei dit omdat de islam in die dagen onder erbarmelijke, benarde en zware omstandigheden verkeerde. De belofte van de Almachtige — een belofte die het geloof van de mensen zou versterken — was toen nog verborgen voor hun ogen. Het geloof en de opofferingen van de moslims werden in die tijd zwaar op de proef gesteld.

Beschouw dit tafereel: een handjevol moslims aan de ene kant, omringd door torenhoge vlammen van het vuur van vijandschap en oppositie. Een vluchtige blik zou tot geen andere conclusie leiden dan dat hun zaak hopeloos was en tot mislukken gedoemd. Wat een geweldig toonbeeld van geloof waren hun opofferingen van geld en bezittingen! Kan een dergelijke mate van opofferingsgezindheid in die moeilijke tijden ooit in een later tijdperk worden geëvenaard?

Het is inderdaad zo dat in elk tijdperk waarin de islam wordt geconfronteerd met gebrek, ontberingen, moeilijkheden of beproevingen, degene die op dat moment zijn bezittingen en leven wijdt aan de zaak van de islam beloond zal worden in verhouding tot de moeilijkheden die de islam ondergaat. Hij zal bovendien meer recht hebben op beloningen dan degenen die de religie later hun dienst bewijzen, wanneer de moeilijkheden voorbij zijn en de islam zegeviert en in gunstige omstandigheden verkeert.

In onze tijd bijvoorbeeld (dit werd geschreven in het begin van de 20e eeuw) wordt de islam aangevallen door aanhangers van bepaalde religies met vijandige bedoelingen. Deze volgelingen, die verkeerde overtuigingen verspreiden, hebben zich tegen de islam gekeerd met één doel: deze religie van de aardbodem vegen. Vandaag de dag is Europa, met al zijn troepen onder zijn bevel, eropuit om de islam uit te roeien. Degenen die in deze omstandigheden alle soorten van opofferingen brengen — zowel van hun bezittingen als van hun levens — in de verdediging en verspreiding van de islam, zullen een enorme beloning ontvangen. Deze zal groter zijn in vergelijking met een gemeenschap die dit later doet, op een moment waarop de dodelijke greep van de vijand is verbroken. Tegen die tijd zullen de harten van de mensen zijn veroverd en zal het succes van de islam voor iedereen duidelijk zichtbaar zijn.

Daarom zegt Allah: “En Allah heeft aan allen het goede beloofd.” Dit betekent dat wanneer een dienaar zijn bezittingen en leven toewijdt aan deze zaak, hij zeker een uitstekende beloning van zijn Heer zal ontvangen. Natuurlijk zijn er verschillen in gradaties. Toch staat vast dat op elk moment waarop iemand een oprecht offer brengt, zijn beloning gegarandeerd is. Deze beloning zal nooit verloren gaan, want geen enkele daad blijft verborgen voor de ogen van de Alwetende. Zoals Allah zegt: “En Allah is Zich Bewust van wat u doet.”

Met andere woorden, men hoeft zich nooit zorgen te maken over de vraag of Allah kennis draagt van iemands opofferingen. Soms komt het voor dat regeerders niet op de hoogte zijn van degenen die werkelijk offers voor hen brengen. In zulke gevallen maken gewiekste mensen misbruik van de onwetendheid van die regeerders en trekken zij een beloning naar zich toe die zij niet verdienen. Zo kan het gebeuren dat een bepaalde persoon een bepaald goed werk verricht, terwijl anderen de beloning daarvoor opstrijken. Daarom zegt Allah dat Hij zich bewust is van elke goede daad die Zijn dienaar verricht. We moeten dus doorgaan met het brengen van persoonlijke offers, en we zullen zien dat de beloningen daarvoor onvermijdelijk tot ons zullen komen.

De woorden ‘Allah is Zich Bewust van wat jullie doen,’ zijn bedoeld om in het hart van de dienaar het gevoel van opoffering aan te wakkeren. Het is namelijk een feit dat wanneer een gelovige er zeker van is dat zijn Meester voortdurend op de hoogte is van zijn vroomheid en van zijn oprechte opofferingen, hij steeds meer vreugde vindt in zijn opofferingsgezindheid.


Paragraaf 2

In deze paragraaf ontvangen allen die offers brengen en hun bezittingen uitgeven op de weg van Allah een blijde boodschap. Wanneer de Almachtige hen om een bepaald goed vraagt, is dat als het ware als een lening aan Hem, ook al was het Allah Die dit goed hen in de eerste plaats gaf. Deze lening zal zowel in dit leven als in het Hiernamaals als beloning gigantisch voor hen worden vermenigvuldigd. Wanneer deze beloning concreet wordt, zullen de huichelaars — die hun zelfverklaarde geloof niet konden bewijzen door middel van goede daden en het brengen van offers op de weg van Allah — intense spijt voelen en extreem leed en verlies ervaren.

Bovendien draagt het uitgeven van bezittingen op de weg van Allah, naast persoonlijke beloningen en zegeningen, ook bij aan het algemeen welzijn van de gemeenschap. Op deze manier komt zij tot leven. En wanneer Allah besluit de aarde tot leven te wekken, dan zal dat zeker gebeuren. Het is uiteraard vanuit de goedheid van de Almachtige dat de gelovigen de kans krijgen om royale beloningen te verdienen door hun uitgaven op Zijn weg. Daarnaast bereiken zij in Zijn ogen de verheven status van martelaren en waarheidlievenden. Maar daar blijft het niet bij — zij helpen hiermee ook hun leven in eigen volk te blazen.


11. Wie is het die blijmoedig (ḥasan-an) Allah een lening (qarḍ) aanbiedt? Vervolgens zal Hij het voor hem vermeerderen, en voor hem is een eervolle beloning.

Man za-llazī yuqriḍu-llāha qarḍan ḥasanan fa-yuḍā‘ifahū lahū wa lahū ajrun karīm.

De betekenis van qarḍ is iets afsnijden of scheiden van. Met yuqriḍu-llāha (Allah een lening aanbieden) wordt dus bedoeld het opzijzetten van je bezittingen om die te besteden op de weg van Allah, of je daarvan scheiden omwille van Allah.

Qarḍ betekent ook: elke daad waarvoor in de toekomst een beloning zal worden gegeven. Met andere woorden, het is een lening die uiteindelijk aan de gever wordt terugbetaald. Dit houdt in dat Allah alle offers die wij voor Hem brengen als een lening beschouwt die Hij aan ons zal terugbetalen. Echter, met het verschil dat Allah het ons in veelvoud zal teruggeven.

Ḥasan (mooi) betekent met een blij en zuiver hart. Met andere woorden, hoe oprechter en blijmoediger een persoon offers brengt en goede daden verricht op de weg van Allah, des te meer zal zijn Schepper de beloning voor zijn daden vermenigvuldigen. Wanneer de mens deze beloning ontvangt — ofwel in dit leven of in het Hiernamaals — zal die groots en eervol zijn. Dit betekent niet alleen dat zijn goede daden meervoudig worden beloond, maar ook dat deze beloning gepaard gaat met pracht, eer en waardigheid. Zo verkrijgt deze dienaar een verheven positie in het hof van de Almachtige in het volgende leven. Maar ook in dit leven is hij verzekerd van een positie van waardigheid en hoog aanzien.

Als bewijs hiervan hebben we het voorbeeld van de metgezellen van profeet Mohammed. Abu Bakr was zo toegewijd en onbaatzuchtig dat de Profeet tegenover zijn vrouw A’isha erkende: “De bezittingen van uw vader hebben mij (oftewel de religie) het meeste voordeel gebracht.” Om deze reden werd hij na onze Profeet als eerste tot kalief aangesteld. Hij werd de bezitter van twee koninkrijken: het koninkrijk van deze wereld en het koninkrijk van de religie van de islam. Hij gaf zo overvloedig uit op de weg van Allah dat hij duizendvoudig werd beloond in dit leven. En wat te zeggen van de immense eer die hij zowel in werelds als godsdienstig opzicht ontving? Kan men zich voorstellen welke beloningen hem in het volgende leven ten deel zijn gevallen?

Laten we vervolgens nagaan welke offers de kalief ‘Oemar na hem bracht voor de religie. Na Aboe Bakr ontving hij de scepter van het wereldse en godsdienstige rijk en bekleedde een eervolle positie in dit leven. En wat betreft zijn beloning in het Hiernamaals — die is ongetwijfeld groots en onvoorstelbaar.

En als we op dezelfde wijze de omvang van de beloning van de verschillende andere metgezellen voor hun onbaatzuchtige offers beoordelen, zien we dat in dit wereldse leven de rijken van Rome, Iran, Egypte en Afrika één voor één onder hun heerschappij vielen. De aarde opende haar schatten voor hen. Zij ontstaken het licht van kennis en wijsheid en droegen beschaving en cultuur met zich mee, waar zij ook gingen. Maar bovenal, kan men inschatten welke ontelbare beloningen hen in het Hiernamaals te wachten zullen staan?


12. Op die dag zult u de gelovige mannen en de gelovige vrouwen zien, hun licht voor hen uitspreidend en aan hun rechterhand. Goed nieuws voor u deze dag! – Tuinen waarin rivieren stromen, om daarin te verblijven! Dat is de grootse verrichting.

Yauma tara-l-mu’minīna wa-l-mu’mināti yas‘ā nūruhum baina aidīhim wa bi-aimānihim bushrākumu-l-yauma jan-nātun tajrī min taḥtiha-l-anhāru khālidīna fīhā; zālika huwa-l-fauzu-l-‘aẓīm.

Dit is een beschrijving van de toestand in het hiernamaals van degenen die al hun krachten, bezittingen en levens inzetten op het pad van Allah. Het bijzondere kenmerk van de gelovige mannen en vrouwen op die dag is dat hun licht zich voor hen en aan hun rechterkant zal uitspreiden. Dit is het licht van Allah’s openbaring, dat in dit leven tot de mens kwam om hem te helpen het doel van zijn bestaan te bereiken. Het eerste middel om dit te verwezenlijken is geloof in de geopenbaarde woorden van Allah. Door de kennis die het heilige boek bevat, leidt het de mens voortdurend op het rechte pad dat hem naar zijn gekoesterde levensdoel brengt. Met andere woorden, het is een licht dat zich voor de mens uitstrekt en het rechte pad voor hem verlicht.

Het tweede middel is dat de gelovige de geopenbaarde woorden van Allah in praktijk brengt. Met andere woorden, hij houdt zich door middel van zijn daden stevig vast aan de leer van het heilige boek. Over het algemeen is de greep van de rechterhand sterker dan die van de linkerhand. Dit verklaart de figuurlijke uitdrukking van “het boek van Allah met de rechterhand vasthouden.” Het illustreert de vastberaden en onwankelbare naleving van de bevelen van zijn Schepper. Dit is dus het licht dat de mens in dit leven met zijn rechterhand vasthield, waardoor hij bij al zijn activiteiten op het rechte pad bleef. Daarom zal datzelfde licht in het Hiernamaals aan zijn rechterhand schijnen.

Door een vast geloof in de openbaring van Allah worden de wegen van leiding voor de mens verlicht, en dat licht spreidt zich ook uit aan zijn linkerkant. Tegelijkertijd, door zich ferm vast te houden aan de zuivere en heilige leringen van Allah’s leiding, ontvangt hij licht aan zijn rechterkant, dat zich eveneens naar achteren verspreidt. Zo wordt hij uiteindelijk van alle vier kanten omringd door licht. Met andere woorden, Allah’s licht omvat hem volledig.

Het goede nieuws voor de mens is dat er geen groter succes bestaat dan het rechte pad te bewandelen met behulp van dit licht. Met andere woorden, hij zal de tevredenheid van zijn Heer verkrijgen, waardoor hij het paradijs zal binnengaan, waar — figuurlijk gesproken — tuinen zijn waarin rivieren stromen. Dit betekent dat geloof de vorm aanneemt van bloeiende tuinen en goede daden de vorm van stromende rivieren. Niemand kan eraan twijfelen dat het uiteindelijke doel van een oprechte gelovige is om het welbehagen van zijn Heer te verwerven, zoals de heilige koran zegt in 48:29:

“U ziet hoe zij zich neerbuigen, zich ter aarde werpen, op zoek naar Allah’s goedgunstigheid en welbehagen.”

Zij streven dus niet direct naar het paradijs zelf. Het paradijs is namelijk niets anders dan de mate van gastvrijheid die de Almachtige Zelf heeft bereid voor Zijn gelovige dienaren, zoals Hij zegt in de heilige koran:

“Wat betreft degenen die geloven en goede daden doen, voor hen zijn de tuinen van het paradijs, een gastvrijheid (nuzul-an).” (18:109).

Het hart van de ware dienaar brandt niet uit verlangen naar het paradijs, maar om het welbehagen van zijn Heer te winnen. Dit wordt weerspiegeld in de geloofsformule lā ilāha illa-llāh: Er is geen enkel object waardig van liefde, aanbidding en dienst behalve Allah.

Abu Bakr Shibli was een uiterst eerzame en vrome gelovige uit vroegere tijden, bekend om zijn diepe ascese. Op een dag werd hij rennend gezien, met in elke hand een brandend stuk houtskool. Iemand vroeg hem waar hij heen ging. Hij antwoordde: “Met de ene houtskool ga ik de hel verbranden en met de andere steek ik de hemel in brand. Dit doe ik voor de mensen die alleen goede daden verrichten uit angst voor de hel of uit hunkering naar het paradijs. Zij denken er nooit aan om rechtschapen te handelen louter omwille van Allah’s welbehagen.”

Dit is de hoogste vorm van geloof in het een-zijn van Allah (ṭauḥīd), zoals de heilige koran die van de mens verlangt. Hel en hemel zijn namen die verwijzen naar respectievelijk een leven van verdriet en een leven van geluk — ervaringen die we in het volgende leven zullen ondergaan, afhankelijk van onze individuele verrichtingen. De hemel zal het resultaat zijn van die handelingen die we uitsluitend hebben verricht om het welbehagen van onze Heer te verdienen. Het uiteindelijke doel van de oprechte gelovige is daarom niet per se het paradijs, maar veeleer het verwerven van Allah’s tevredenheid.

Dit is de ware betekenis van de geloofsverklaring lā ilāha illa-llāh. Deze geloofsformule schakelt elke vorm van liefde, behalve de liefde voor de Almachtige uit. De heilige koran beschrijft de gelovigen nooit als mensen die enkel streven naar het paradijs. Integendeel, het omschrijft hen als: “(zij) zoeken Allah’s goedgunstigheid en welbehagen,” (48:29). De waarheid is dat het verkrijgen van Allah’s welbehagen het werkelijke paradijs vormt, en dat de zegeningen van het paradijs daaruit voortvloeien.


13. Op de dag waarop de hypocrieten, mannen en vrouwen, tegen de gelovigen zullen zeggen: Wacht op ons, zodat wij van u (wat) licht kunnen nemen. Er zal worden gezegd: Keer terug en zoek licht. Dan zal er een muur met een deur erin tussen hen worden opgericht. Daarbinnen zal barmhartigheid zijn, en daarbuiten straf.

Yauma yaqūlu-l-munāfiqūna wa-l-munāfiqātu li-llazīna āmanu-nẓurūnā naqtabis min nūrikum; qīla-rji’ū warā’akum fal-tamisū nūran; fa-ḍuriba bainahum bi-sūrin lahū bābun; bāṭinuhū fīhi-r-raḥmatu wa ẓāhiruhū min qibalihi-l-‘azāb.

Dit vers schetst de toestand in het Hiernamaals van twee soorten hypocrieten. Ten eerste zijn er degenen die hun geloof mondeling belijden, maar in wiens hart geen spoor van oprechte overtuiging te vinden is. Dit zijn hypocrieten in termen van geloof.

Ten tweede zijn er mensen die weliswaar hun geloof betuigen, maar bij wie dit geloof zo weinig invloed heeft op hun innerlijk, dat zij er niet in slagen hun daden in overeenstemming te brengen met hun overtuiging. Zij worden beschouwd als hypocrieten in termen van praktijk. Deze mensen zullen in het volgende leven in duisternis verkeren, omdat zij geen baat vonden bij het licht van Allah’s openbaring. Ze geloofden er niet in, of ze modelleerden hun levens er niet naar. Zelfs als iemand zijn geloof mondeling verklaart, maar dit niet in praktijk brengt, heeft zo’n verbale verklaring geen enkele waarde. Daarom zal er geen licht voor hen zijn, noch aan hun rechterzijde. In plaats daarvan zullen zij worden overspoeld door totale duisternis.

In de hadith staat geschreven dat degenen die wel geloof in hun hart hadden, maar wiens geloof zo zwak was dat het niet werd bevestigd door hun daden, in het Hiernamaals aanvankelijk licht zullen ontvangen. Maar wanneer zij de brug bereiken die zich uitstrekt over de hel, zal dat licht doven. Dit komt volledig overeen met de woorden in de heilige koran (78:26): “een overeenkomstige vergelding.” In het begin hadden zij enig geloof, maar toen het moment daar was om naar het rechte pad te handelen, schoten zij tekort en handelden zij niet op de juiste wijze. Zo ontvingen zij slechts het licht dat hun geloof waard was. En net zoals hun licht in dit leven doofde wanneer het om goede daden vroeg, zal het ook in het volgende leven uitdoven op het moment dat zij de smalle en rechte brug proberen over te steken.

Dit is hetzelfde rechte pad (ṣirāṭ al-mustaqīm) dat Allah in de heilige koran vermeldt en de mens aanwijst om te bewandelen. Op de dag der opstanding zal dit pad fijner zijn dan een haarspriet en scherper dan het blad van een zwaard, met de hel onder deze brug. Deze brug symboliseert de hoge morele eigenschappen van de mens en zijn stevige beheersing van zijn begeerten. Als hij ook maar enigszins van het pad van gematigdheid wegglijdt — hetzij door veronachtzaming, hetzij door overdrijving—dan zal hij, als het ware, in de hel vallen. Als hij echter in een rechte lijn en evenwichtig over dit pad wandelt, zal hij uiteindelijk zijn bestemming bereiken: het paradijs.

Kortom, als de hypocrieten in dit leven geen gebruik maakten van dit licht van Allah, dan heeft het geen nut om in het hiernamaals ernaar te zoeken Wanneer zij de gelovigen zien, zullen ze hen smeken om te wachten en iets van hun licht met hen te delen, zodat zij hun reis kunnen voortzetten. Maar dit zal hun worden geweigerd. In plaats daarvan zal hen worden gezegd om terug te keren en hun eigen licht te zoeken. “Keer terug” wilt hier zeggen dat dit licht alleen in dit leven verkregen had kunnen worden — door middel van goede daden. Als de hypocrieten dit licht dus zouden willen verkrijgen, zouden ze naar de aarde moeten terugkeren en vrome daden moeten verrichten. Maar dat is natuurlijk onmogelijk. Zij zullen daarom volledig radeloos achterblijven, aan alle kanten omringd door intense duisternis. In zo’n diepe duisternis zal het absoluut onmogelijk zijn om een pad te bewandelen dat zo smal en fijn is. Dit is hetzelfde pad dat de mens in dit leven niet kan bewandelen zonder de hulp van Allah’s openbaring.

Dit is de reden waarom Allah de mensheid te hulp kwam door Zijn openbaring tot haar te zenden. Wie vervolgens weigert dit licht te gebruiken om het smalle en rechte pad van rechtschapenheid te betreden, zal dit licht in het Hiernamaals niet terugvinden. Hoe zal zo iemand dan in staat zijn om de smalle brug te betreden die naar het paradijs leidt — de brug die symbool staat voor het rechte pad in dit leven? Zijn voet zal onvermijdelijk wegglijden, hij zal wankelen en in de hel vallen.

In dit leven zien we mensen die nalaten goede daden te verrichten, maar desalniettemin geloven dat zij, enkel door volgelingen te zijn van een bepaalde levende of overleden religieuze leider of imam, toegang zullen krijgen tot het paradijs in het volgende leven. Volgens hen is het niet nodig een vroom leven te leiden; het is voldoende om discipel te zijn van hun leider om te slagen in dit leven en volgende. Dit is echter een duidelijke misvatting. Dit vers stelt helder dat niemand toestemming krijgt om licht van een ander te nemen. In plaats daarvan moet ieder voor zijn eigen licht zorgen en daarin lopen. Als er geen licht van geloof in iemands hart aanwezig is en geen goede daden verricht worden, dan is het absoluut een misleidende gedachte om te vertrouwen op het licht van iemand anders — op diens geloof en goede daden. Het is overduidelijk dat zulke mensen het geloof slechts met hun mond belijden.

In dit leven al is er een barrière die de hypocrieten scheidt van de oprechte gelovigen, omdat zij onverenigbaar zijn met elkaar. En in het hiernamaals zal dit zich manifesteren in de vorm van een muur die tussen hen wordt opgetrokken. Met andere woorden, de huichelaars — ongeacht op welke manier — zullen absoluut uitgesloten zijn van het gezelschap van de gelovigen. Als teken van deze afscheiding zal een muur tussen hen worden geplaatst. Binnen deze muur, aan de kant waar de oprechte gelovigen zich bevinden, zal barmhartigheid heersen. Daarbuiten echter, aan de zijde waar de hypocrieten zich bevinden, zal enkel straf zijn.

De gelovigen bevinden zich binnen de muur, waar de barmhartigheid van Allah overvloedig aanwezig is. Dit laat zien dat het licht van Allah’s openbaring diep hun hart is binnengedrongen. Daardoor ontwikkelen zij een volmaakt geloof, wat hen inspireert tot goede daden en onbaatzuchtige offers. De hypocrieten daarentegen staan buiten deze muur. Zij zullen niet gezegend zijn met verlossing van de straf, noch met de barmhartigheid van hun Heer.

Dit is de betekenis van de hadith waarin staat dat in latere tijden mensen de heilige koran zullen reciteren, maar dat de woorden niet verder zullen gaan dan hun keel. Met andere woorden, de koran zal geen effect hebben op hun hart. Pas wanneer de koran het innerlijk van een mens raakt, kan hij een volmaakt geloof ontwikkelen dat aanzet tot goede daden en opofferingen. Maar als iemand de koran leest op de manier zoals de hadith beschrijft, zal het hem geen enkel voordeel brengen. Zulke mensen zullen zich aan de andere kant van de muur bevinden, waar straf wordt uitgedeeld.

Aan de andere kant bevinden zich degenen wier harten al verlicht waren door het licht van Allah’s openbaring. Dit wekte een waar geloof in hen op, waardoor ze allerlei goede daden verrichtten en opofferingen brachten. Zij zullen binnen de muur zijn, op de plaats van Allah’s genade. Tussen deze twee groepen staat een muur die hen scheidt, zodat zij zich niet met elkaar vermengen.

Natuurlijk zal er een deur in de muur zijn die men bāb al-taubah kan noemen, wat betekent: de deur van berouw. Als deze ongelukkigen in dit leven berouw hadden getoond en hun levenswijze hadden veranderd, dan hadden ze zich bij de vrome gelovigen kunnen voegen door deze deur te passeren. Omdat zij echter in dit leven nooit berouw hebben getoond, zullen zij in het volgende leven de deur voor zich gesloten zien. Deze deur zal pas voor hen opengaan nadat zij een periode van straf hebben ondergaan voor hun hypocriete wijze van leven op deze wereld. Deze afscheiding van de gelovigen zal de huichelaars ertoe brengen het volgende uit te roepen:


14. Zij (de hypocrieten) zullen hen (de gelovigen) toeroepen: hoorden wij (op aarde) niet bij u? Zij zullen zeggen: ja, maar u hebt zich laten verleiden en u wachtte en twijfelde, en ijdele verlangens misleidden u, totdat het bevel van Allah (amr Allah) kwam waarmee gedreigd werd. En de aartsmisleider (gharūr) misleidde u omtrent Allah.

Yunādūna-hum a lam nakun ma’akum; qālū balā wa lākinnakum fa-tantum anfusakum wa tarabbaṣtum wa-rtabtum wa gharratkumu-l-amāniyyu ḥattā jā’a amru-llāhi wa gharrakum bi-llāhi-l-gharūr.

Gharūr betekent de aartsmisleider, namelijk, de duivel. Het kan ook betrekking hebben op mensen die anderen misleiden. Amr Allah betekent het bevel van Allah, dat wil zeggen, de dood.

Dit vers zegt dat de hypocrieten zullen uitroepen naar de gelovigen en zeggen dat ze in de wereld allemaal samen waren. Waarom is er nu deze scheiding? Er zal dan tegen hen worden gezegd dat hun hypocriete handelingen de oorzaak waren van de barrière die tussen hen werd opgeworpen. Deze hypocriete handelingen worden vervolgens uitgelegd in de volgorde van hun ernst:

Allereerst wordt hun ergste vorm van hun hypocrisie benoemd met de woorden: ‘jullie wachtten’. Met andere woorden, diep in jullie hart hoopten jullie op de ondergang van de moslimgemeenschap. Jullie wensten hun al het kwaad toe en keken reikhalzend uit naar het moment waarop de vijanden van de islam hen zouden vernietigen, zodat jullie je bij die vijand konden aansluiten om hen in de strijd te ondersteunen. En mocht dát niet gebeuren, dan wachtten jullie tot de moslims uiteindelijk een natuurlijke dood zouden sterven, zodat jullie verborgen wensen alsnog in vervulling zouden gaan.

De tweede vorm van hun hypocrisie wordt beschreven met de woorden: “jullie twijfelden”. Dit betekent dat jullie nooit een standpunt innamen tussen waarheid en onwaarheid, noch de moeite namen om te onderzoeken wat waar is en wat niet. Zo raakten jullie verstrikt in twijfel terwijl jullie geen moeite deden om jezelf daaruit te bevrijden. Het gevolg was dat jullie de kans vergooiden om te geloven en goede daden te verrichten, totdat de dood kwam en jullie wegnam. Hoewel deze vorm van hypocrisie minder ernstig is dan de eerste, vallen beide in de categorie van hypocrisie in termen van geloof.

De derde vorm van hun hypocrisie wordt beschreven met de woorden: “ijdele verlangens misleidden u.” Met andere woorden, er wordt hun gezegd: jullie waren dag en nacht in de ban van de begeerten van deze wereld en schonken geen aandacht aan de geboden van Allah. Jullie veronachtzaming uitte zich op twee manieren: óf jullie hadden geen oprecht geloof in jullie harten, óf jullie beleden het geloof met jullie woorden, maar waren zo in beslag genomen door jullie wereldse verlangens dat jullie geen tijd namen om de geboden van Allah na te leven. En nog minder waren jullie in staat jullie geloof te bewijzen door het verrichten van goede daden en het brengen van offers op de weg van de Almachtige. Deze vorm van hypocrisie is minder ernstig dan de eerste twee, maar omvat beide soorten hypocrisie: zowel die met betrekking tot geloof als die met betrekking tot praktijk. Met andere woorden, hypocrisie in termen van praktijk valt binnen deze derde categorie.

De heilige koran leert ons dat de hypocrieten nooit succes zullen kennen. Zij zullen deze wereld verlaten terwijl ze nog steeds verzonken zijn in hun onbereikbare hoop en onverzadigbare aardse verlangens. Het pad van hypocrisie leidt nooit tot succes. Misleiders – of het nu mensen zijn of de duivel met zijn influisteringen – wekken allerlei wensen en verlangens op in het hart van de mens, waardoor hij voortdurend in beslag wordt genomen door zijn pogingen deze te vervullen.

Zij wekken ook ongegronde angstbeelden op door hen wijs te maken dat de waarheid allerlei gevaren met zich meebrengt, met als doel hen ervan te weerhouden haar te aanvaarden. Bovendien laten deze twijfels hun levenswijze van onwaarheid, huichelarij en bedrog er mooi en aantrekkelijk uitzien, alsof het weelderige tuinen zijn. Hierdoor vergeten eenvoudige zielen dat zij verantwoordelijk zijn voor hun daden en dat zij daarvoor rekenschap moeten afleggen bij Allah, de Allerhoogste. Zo vallen zij ten prooi aan zoete praatjes en raken op het verkeerde pad. Nadat zij verzeild zijn geraakt in een lage en verdorven levenswijze van huichelarij, verlaten zij uiteindelijk deze wereld zonder iets van waarde te hebben bereikt en zonder hun verlangens te hebben vervuld. Zo ruïneren zij ook hun leven in het Hiernamaals.

Toen de profeet Mohammed emigreerde van Mekka naar Medina, woonden daar, naast de joden, twee Arabische stammen: de Aus en de Chazradj. Beide stammen hadden de islam aanvaard en beschouwden de Profeet als de ware leider van Medina. Iedereen erkende dit, behalve Abdullah bin Ubai en zijn aanhangers, die zich weliswaar ogenschijnlijk als volgelingen van de islam voordeden, maar in hun hart diepe haat koesterden jegens de Profeet en de moslims. Dit kwam doordat de inwoners van Medina vlak vóór de komst van de Profeet op het punt stonden Abdullah bin Ubai als hun leider te benoemen.

Toen zij de Profeet echter als de Boodschapper van Allah aanvaardden, betoonden allen hem eer als hun leider. Hierdoor werden de diep gekoesterde ambities van Abdullah tenietgedaan. Hij was echter een zeer politiek bedreven man en redeneerde als volgt: “Dit is een geheel nieuwe religie die is ontstaan, en de mensen van Mekka en heel Arabië staan er vijandig tegenover. Hoe kan deze religie overleven te midden van zoveel machtige vijanden? Het is slechts een kwestie van tijd voordat deze kleine groep wordt vernietigd. Ook wij zullen ons in het openbaar bij hen aansluiten, maar we zullen hen van binnenuit ondermijnen. En wanneer de ongelovigen van buitenaf een aanval op hen plegen, zullen wij, onder het mom van vriendschap, hen van binnenuit schade toebrengen.”

Dit was zijn inschatting, en hij en zijn volgelingen deden hun uiterste best om de moslims te ondermijnen. Dit waren dus mensen die hypocriet waren in termen van geloof. Met andere woorden, in hun hart verwierpen zij de islam volledig, maar uiterlijk noemden ze zichzelf moslims. Afgezien van zulke mensen zijn er, in algemene zin, ook anderen die innerlijk niet tegen het geloof zijn, maar zo weinig geloof bezitten dat het hen niet aanspoort tot het verrichten van goede daden of het brengen van offers omwille van Allah. Zij worden hypocrieten genoemd in termen van praktijk.


15. Deze dag zal er derhalve geen losprijs van u worden aangenomen, noch van degenen die niet geloofden. Uw verblijf is het vuur. Het is uw helper en slecht is het verblijf.

Fal-yauma lā yu’khazu minkum fidyatun wa lā mina-llazīna kafarū; ma’wākumu-n-nāru; hiya maulākum; wa bi’sa-l-maṣīr.

Tegen de huichelaars wordt gezegd dat zij op die dag (van de opstanding) niets als losgeld kunnen aanbieden. Met andere woorden, zij bezitten niets waarmee zij hun vroegere fouten en tekortkomingen kunnen goedmaken, omdat de tijd daarvoor reeds is verstreken. Er zal dan ook geen losgeld of compensatie van hen worden aanvaard waarmee zij aan de straf kunnen ontsnappen. De verblijfplaats van beide groepen – de hypocrieten en de ongelovigen – zal daarom het vuur zijn, dat als hun enige helper zal dienen. Met andere woorden, het vuur van de hel is het enige dat als remedie kan helpen tegen hun vroegere fouten en tekortkomingen. Het is echter een remedie waar zij zelf onder zullen lijden. Toch zijn het hun eigen zonden en misstappen die hen in deze toestand hebben gebracht. Pas wanneer alle onreinheid die hun zielen heeft bezoedeld door het vuur is weggebrand, zodat zij weer volledig rein en zuiver zijn geworden, zullen zij geschikt zijn om het paradijs binnen te gaan en de heilige aanwezigheid van hun Heer te betreden.

Hier wordt duidelijk gesteld dat de straf van de hel zowel voor de hypocrieten als voor de ongelovigen bestemd is. Kortom, of het nu gaat om iemand die de waarheid ronduit verwerpt, of om iemand die het geloof uiterlijk belijdt maar het in zijn hart ontkent, of om een hypocriet wiens daden niet overeenstemmen met zijn verbale belijdenis van geloof, voor al deze verschillende groepen zal het vuur van de hel de uiteindelijke remedie zijn. Daarom moet een gelovige hieruit lering trekken. Als hij zijn geloof niet bevestigt door goede daden en onbaatzuchtige offers, sluimert altijd het gevaar dat hij in de categorie van de hypocrieten belandt en zo in de hel terechtkomt.

Om deze reden nodigt Allah de gelovigen uit om onbaatzuchtig te zijn en offers te brengen op Zijn pad. Dit dient slechts als een waarschuwing en vermaning voor de hypocrieten, namelijk, dat een gelovige altijd de balans moet opmaken van zijn geloof en zijn goede daden. Hij moet te allen tijde bereid zijn de offers te brengen die Allah en Zijn Boodschapper van hem vragen. Dit geldt des te meer wanneer er een Boodschapper van Allah op de wereld aanwezig is, of wanneer er een volgeling van die Boodschapper in de hoedanigheid van mujaddid (hervormer). Dat is een persoon die door Allah is aangewezen om een machtige spirituele verandering in de wereld teweeg te brengen. Het was daarom door Allah’s wil bepaald dat via de profeet Mohammed een dergelijke verandering zou plaatsvinden. De tijd was toen aangebroken voor de gelovigen om hun geloof te bewijzen door vrome daden en opofferingen. De volgende verzen wijzen ons daarop:


16. Is er voor degenen die geloven de tijd niet gekomen dat hun harten zacht worden voor de gedachtenis aan Allah en voor de waarheid die is geopenbaard, en (dat) ze niet zullen worden zoals degenen aan wie het boek eerder is gegeven? En de tijd werd verlengd voor hen,  zodat hun harten verhardden. En de meesten van hen zijn overtreders.

A lam ya’ni li-llazīna āmanū an takhsha‘a qulūbu-hum li-zikri-llāhi wa mā nazala minal-ḥaqqi; wa lā yakūnū kallazīna ūtu-l-kitāba min qablu fa-ṭāla ‘alaihimu-l-amadu fa-qasat qulūbu-hum; wa kathīrun minhum fāsiqūn.

17. Weet dat Allah de aarde leven geeft na haar dood. Wij hebben inderdaad de tekenen voor u duidelijk gemaakt, opdat u zult begrijpen.

I‘lamū anna-llāha yuḥyi-l-arḍa ba‘da mautihā; qad bayyannā lakumu-l-āyāti la‘allakum ta‘qilūn.

Dit vers stelt de vraag of de tijd nog niet is aangebroken dat de harten van de gelovigen zacht zouden moeten worden voor de gedachtenis aan Allah. Het roept hen ook op om gehoorzaam te zijn aan Zijn geboden, die in de heilige koran zijn geopenbaard, en om bereid te zijn allerlei onbaatzuchtige offers te brengen omwille van Allah. Met andere woorden, de spirituele regen en de vele soorten beproevingen en moeilijkheden die Allah voor de gelovigen had bepaald, vroegen van hen dat zij diep voor de Almachtige zouden buigen en met uiterste nederigheid smeekbeden tot Hem zouden verrichten.

Zij moesten zich ook met heel hun hart onderwerpen aan de geboden van de koran, zowel die welke reeds waren geopenbaard als die welke nog zouden worden geopenbaard. Daarnaast moesten zij bereid zijn elk soort offer te brengen dat van hen werd verlangd. En dit is precies wat de metgezellen van de profeet Mohammed deden. ’s Nachts bleven zij wakker om met de grootste nederigheid smeekbeden tot Allah te verrichten, en overdag zetten zij zich met hun bezittingen en levens in op Zijn weg.

Eens, toen de moslims in strijd waren met de troepen van de Romeinse keizer, bezocht een afgezant van dat leger het moslimleger en bracht de nacht door in hun kamp. Toen hij de broederlijke liefde en gelijkheid onder de moslims aanschouwde, die ’s nachts wakker bleven voor de tahajjud (het nachtelijk gebed), was hij zo diep onder de indruk dat hij, bij zijn terugkeer naar zijn eigen leger, zijn commandant het volgende zei: “Hoe kunt u verwachten een volk te verslaan dat ’s nachts in gebed neerknielt voor zijn Heer en dat op Zijn gebod zijn bezittingen en levens opoffert?“

Allah waarschuwt de gelovigen vervolgens dat zij niet mogen worden zoals degenen die het boek vóór hen ontvingen en van wie de harten, na verloop van lange tijd, verhard raakten. Een kenmerk van deze verharding was dat de meesten van hen overtreders werden. Met andere woorden, zij gehoorzaamden de geboden van Allah niet meer.

Deze gebeurtenis verwijst ongetwijfeld naar een toekomstige tijd. Nadat het vers de joden, christenen en talloze andere volken noemt aan wie het boek vóór de moslims was gegeven, stelt het namelijk dat, toen hun tijd werd verlengd, zij een hart van steen kregen en het boek van de Almachtige achter zich wierpen. Om die reden schreeuwde de toestand van de wereld in de tijd van de profeet Mohammed om de komst van een groot hervormer, die de situatie zou verbeteren van de Mensen van het Boek, die verstrikt waren geraakt in allerlei verkeerde geloofsopvattingen en slechte daden.

Nadat de heilige koran de aandacht van de moslims op deze stand van zaken heeft gevestigd, waarschuwt hij hen dat ze op moeten passen dat hen niet hetzelfde overkomt wanneer er bij hen een lange periode is verstreken. Want in de fysieke wereld zien we dat, nadat de regen is gevallen en er een lange tijd verstrijkt, de aarde weer hard en levenloos wordt. Dan is er opnieuw regen nodig om haar weer tot leven te wekken.

Op dezelfde manier werkt dit principe ook in de spirituele wereld. Wanneer er een spirituele regen uit de hemel neerdaalt, blijft de invloed daarvan niet oneindig voortduren. Na verloop van tijd wordt het innerlijk van de mens, net als uitgedroogde grond, hard en onvruchtbaar. Daarom is een nieuwe spirituele regen nodig om de verharde en dode aarde van het innerlijk van de mens opnieuw zacht en ontvankelijk te maken. Dit is de eeuwige wet van Allah: net zoals Hij de dorre aarde weer tot leven brengt, schenkt Hij ook nieuw spiritueel leven aan het innerlijk van de mens wanneer dat nodig is.

Vóór de tijd van de profeet Mohammed verscheen de ene na de andere profeet, en zij brachten telkens een hemelse regen met zich mee: de openbaring van Allah. De profeet Mohammed werd echter aangesteld als khātam al-nabiyyīn (het Zegel – of laatste – der profeten). Dit betekent dat alle voortreffelijke aspecten van het profeetschap hun volmaaktheid bereikten en dat het uiteindelijke doel van het profeetschap, namelijk de leiding van de mensheid, werd voltooid. De heilige koran verwijst hiernaar in vers 5:3: “Deze dag heb Ik voor u uw religie vervolmaakt.” Omdat het werk van het profeetschap was voltooid, kwam er ook een einde aan de openbaring die specifiek aan profeten werd gegeven. Echter, na verloop van tijd zouden de harten van mensen opnieuw verharden en spiritueel afsterven. Daarom stelde Allah een systeem in dat de komst van godsdienstige hervormers zou waarborgen. Dit systeem houdt in dat Hij aan het begin van elke eeuw deze hervormers zendt met de zegeningen van profeet Mohammed.

Zij brengen een spirituele regen met zich mee die de verharde harten van mensen weer zacht maakt en nieuw leven inblaast, waardoor een grote spirituele vernieuwing plaatsvindt. Daarom voorspelde de Profeet dat aan het begin van elke eeuw een mujaddid (hervormer) zou verschijnen – iemand die de liefde voor de godsdienst opnieuw zou doen ontbranden in de harten van de leden van de ummah (gemeenschap) van de Profeet.

Deze verzen maken duidelijk dat wanneer er een lange tijd verstrijkt, het innerlijk van de mensen verhardt. Ze raken verwijderd van de leer van het boek van Allah, en de meesten van hen worden ongehoorzaam. We zien deze beklagenswaardige toestand vandaag de dag onder de moslims, wat de voorspellingen van profeet Mohammed bevestigt. Hij waarschuwde dat de moslims in latere tijden zo sterk op de joden en christenen zouden gaan lijken, dat als een van hen in het hol van een hagedis zou kruipen, een moslim hetzelfde zou doen. Met deze woorden benadrukte hij hoe nauw de gelijkenis tussen hen zou worden. Verder verduidelijkt het vers “Weet dat Allah leven geeft aan de aarde na haar dood,” dat Allah de dode aarde nieuw leven inblaast. Als dit alles waar is, dan is de bekende hadith over de komst van mujaddids (hervormers) volledig in overeenstemming met de heilige koran. Of beter gezegd, de koran heeft de noodzakelijkheid van de komst van mujaddids vastgesteld als een voortdurende handelwijze van Allah, de Allerhoogste.

Hoe zou het dan mogelijk zijn dat er in onze tijd geen hervormer aanwezig is? Zeker nu de verharding van de harten een hoogtepunt heeft bereikt en veel moslims een levenswijze hebben aangenomen die sterk lijkt op die van de joden en christenen. Daarom heeft Allah, in overeenstemming met Zijn handelwijze en de voorspelling van Zijn boodschapper, profeet Mohammed (vrede zij met hem), Mirza Ghulam Ahmad aangesteld en gezonden als de mujaddid van de veertiende eeuw van de islamitische jaartelling. En door zijn inspanningen daalde er een prachtige hemelse regen neer op aarde, waardoor de verbreiding van de islam, die tot stilstand was gekomen, volledig nieuw leven werd ingeblazen. De triomf van deze religie over alle verkeerde denkbeelden op het gebied van kennis en wijsheid was zo zonneklaar, dat geen enkel oprecht onderzoeker deze waarheid kan ontkennen.

Door te zeggen: “Wij hebben inderdaad de tekenen voor u duidelijk gemaakt, opdat u zult begrijpen,” maakt Allah duidelijk dat Hij voortdurend tekenen zendt om de waarheid van Zijn boodschap te bevestigen. Als we ons verstand gebruiken en aandachtig zijn, beseffen we dat dit in lijn is met de manier waarop Allah te werk gaat en hoe Hij van tijd tot tijd een spirituele regen laat neerdalen. De Heer van de schepping heeft dan ook een grote spirituele vernieuwing voorbereid. Maar we moeten weten dat zo’n transformatie alleen kan plaatsvinden als deze gepaard gaat met een even machtige opoffering van zowel eigendom als persoon van onze kant. Wie dus in deze kritieke en ernstige omstandigheden waar we vandaag de dag mee worden geconfronteerd onzelfzuchtig is en offers brengt op de weg van Allah, zal een enorme en eervolle beloning waardig worden, zoals het volgende vers belooft.


18. De mannen die geven uit liefdadigheid en de vrouwen die geven uit liefdadigheid en die blijmoedig Allah een lening aanbieden, het zal voor hen vermeerderd worden, en voor hen is er een eervolle beloning.

Inna-l-muṣṣaddiqīna wa-l-muṣṣaddiqāti wa aqraḍu-llāha qarḍan ḥasanan yuḍā‘afu lahum wa lahum ajrun karīm.

Er is een hadith van profeet Mohammed die zegt: “Ṣadaqah (liefdadigheid) bedaart de boosheid van de Heer.” Dit betekent dat wanneer we onbaatzuchtig liefdadigheid verrichten omwille van Allah — door de armen en behoeftigen financieel te ondersteunen of hen op andere manieren te helpen — dit behaaglijk is in de ogen van onze Heer. Er wordt zelfs in een hadith vermeld dat Allah op de dag der opstanding tegen de mensen zal zeggen:

“Ik had honger en kwam naar u toe om te eten, maar u voedde Mij niet. Ik kwam dorstig naar u toe, maar u gaf Mij niet te drinken. Ik kwam naakt naar u toe, maar u gaf Mij geen kleding.” Dan zullen de mensen verbaasd uitroepen: “O Heer! U bent zo machtig dat U zulke dingen niet nodig hebt!” Daarop zal Hij antwoorden: “Herinnert u zich niet dat behoeftige mensen hongerig, dorstig en naakt naar u toe kwamen en u hun verzoeken weigerde? Toen zij naar u toe kwamen, was Ik het die kwam.”

Elke goede daad die we verrichten om de schepselen van Allah te helpen of om hen medeleven te tonen, wordt beschouwd als een vorm van liefdadigheid (ṣadaqah). Zelfs het geven van goed advies aan iemand valt hieronder. Kortom, Allah houdt van liefdadigheid en waardeert het zeer. Dit is ṣadaqah in algemene zin.

Daarnaast is er echter een bijzondere vorm van liefdadigheid: het verrichten van goede daden en het brengen van opofferingen voor de verdediging en verbreiding van de islam. Vooral in deze tijd is dit noodzakelijk, nu we zien dat de islam omringd is door moeilijkheden en dat verschillende groepen in de wereld erop uit zijn haar te ondermijnen, net zoals dit het geval was in de tijd van de profeet Mohammed. Wie zich op zo’n moment onzelfzuchtig met zijn bezittingen en met zijn persoon inzet op de weg van Allah, verdient in de ogen van Allah een beloning vol respect en eer.

Verder verzekert dit vers ons dat we de bezittingen die we op de weg van Allah uitgeven niet als verloren moeten beschouwen. In werkelijkheid is het een lening die Allah zal vermeerderen en aan ons zal teruggeven, hetzij in dit leven, hetzij in het volgende, of in beide. De geëerde metgezellen van de profeet Mohammed doorstonden deze beproeving met vlag en wimpel. Zij brachten offers die zo ongelooflijk waren dat ze uniek zijn in de wereldgeschiedenis. Daarom vermeerderde Allah hun beloningen duizendvoudig en schonk Hij hun in ditzelfde leven rijkdom, macht en heerschappij. En de ware omvang van de eervolle beloning die voor hen is weggelegd in het volgende leven, is alleen bekend bij de Almachtige.


19. En degenen die geloven in Allah en Zijn boodschappers, dat zijn degenen die waarheidlievend (ṣiddīqūna) en getuigen (shuhadā’) zijn bij hun Heer. Zij hebben hun beloning en hun licht. En degenen die niet geloven en Onze boodschap afwijzen, dat zijn de bewoners van de hel.

Wa-llazīna āmanū bi-llāhi wa rusulihī ulā’ika humu-ṣ-ṣiddīqūna wa-sh–shuhadā’u ‘inda rabbihim; lahum ajruhum wa nūruhum; wa-llazīna kafarū wa kazzabū bi āyātinā ulā’ika aṣḥābu-l-jaḥīm.

Ṣiddīqūna (waarheidlievenden) is het meervoud van ṣiddīq en drukt in grammaticale zin een intensieve vorm uit. De kernbetekenis ervan is het bereiken van volmaaktheid in waarheid en vroomheid. In de terminologie van de islamitische wet verwijst het naar iemand die zo’n hoog niveau van waarheidlievendheid heeft bereikt dat hij nooit een leugen spreekt. Daarnaast bezit hij een natuurlijke affiniteit met de waarheid, waardoor hij deze direct herkent zodra hij ermee in aanraking komt. Bovendien is hij gezegend met een uitzonderlijk spiritueel inzicht, waardoor hij rechtschapen mensen onmiddellijk herkent en oprecht van hen houdt.

Shuhadā’ (getuigen) is het meervoud van shahīd, wat in het woordenboek wordt gedefinieerd als iemand die iets aanschouwt. In islamitische zin verwijst een shahīd naar iemand die in zijn daden volmaakt het voorbeeld van een profeet volgt. Hij heeft hierin zo’n hoog niveau bereikt dat het is alsof hij Allah met eigen ogen heeft aanschouwd. Dit schenkt hem een immense kracht en doorzettingsvermogen, waardoor geen enkele macht ter wereld hem van dat niveau kan afstoten.

Om deze reden wordt iemand die zijn leven heeft gegeven op de weg van Allah een shahīd (martelaar) genoemd. Zelfs de dreiging van het zwaard van de vijand kan hem geen duimbreed doen wijken van zijn onwrikbare toewijding aan zijn Heer. Zulke personen geven hun leven omwille van Allah en wijken geen centimeter voor hun tegenstanders. Door hun daden bewijzen zij dat hun geloof zo sterk is, dat het is alsof zij hun Heer met eigen ogen hebben aanschouwd.

Terugkerend naar het onderwerp van het toewijden van je bezittingen en je leven op de weg van Allah, herhaalt de heilige koran wat eerder in vers 7 werd genoemd in de volgende woorden: “Geloof in Allah en in Zijn Boodschapper, en geef uit waar Hij u erfgenaam van heeft gemaakt. Dus degenen onder u die geloven en uitgeven — voor hen is er een grote beloning.” Het geloof in Allah en Zijn boodschapper wordt hier opnieuw benadrukt, omdat wanneer iemand zijn geloof door goede daden bevestigt, hij allereerst wordt gerekend tot de ṣāliḥīn – de rechtschapenen. Dit betekent dat zowel zijn geloofsovertuigingen als zijn handelingen een bijzondere schoonheid en volmaaktheid verkrijgen.

Wanneer hij vervolgens steeds verder groeit in geloof en goede daden, wordt zijn rechtschapenheid verheven tot het niveau van shuhadā’ (getuigen). Met andere woorden, hij wordt zo standvastig in deze zaken dat het is alsof hij Allah met eigen ogen aanschouwt. Dit schenkt hem een zodanige innerlijke kracht dat geen enkele macht ter wereld hem kan weerhouden het rechte pad te volgen. Zo wordt hij een levend voorbeeld van profeet Mohammed. Dit is het niveau van shahīd (getuige).

Wanneer hij nog verder vooruitgaat, wordt ditzelfde ware en oprechte geloof een intrinsiek onderdeel van zijn menselijke natuur. Net zoals de natuur van een profeet een onophoudelijke bron van waarheid is die overvloedig stroomt, zo ontwikkelt ook de natuur van een ṣiddīq een zo sterke affiniteit met waarheid dat er niets anders dan waarheid uit hem voortkomt. Waar waarheid zich ook bevindt, zijn natuur herkent deze direct en heeft daarom geen enkel bewijs nodig. Wanneer hij dit niveau van affiniteit met de waarheid bereikt, is het duidelijk dat het verrichten van goede daden zijn tweede natuur is geworden. Geen enkele macht ter wereld kan hem van dat niveau afbrengen. Op deze manier wordt hij, zowel in kennis als in praktijk, een volmaakte afspiegeling van een profeet.

Dit is het niveau van ṣiddīq, het hoogste spirituele niveau van voortreffelijkheid dat een mens kan bereiken. Hierdoor wordt hij gekleurd in de kleuren van de profeten. Dit betekent echter niet dat hij zelf een profeet wordt, want profeetschap is geen benaming voor een bepaald volmaakt spiritueel niveau dat een mens kan bereiken. In werkelijkheid is het een positie die Allah als een gift verleent aan wie Hij wil van Zijn dienaren. Het is via een profeet dat de mensheid leiding ontvangt, en de leiding die aan een profeet wordt geopenbaard, wordt een “boek” genoemd.

Aangezien alle voortreffelijke aspecten van het profeetschap in de persoon van onze profeet Mohammed tot volmaaktheid zijn gebracht en de leiding voor de mensheid is voltooid met de openbaring van de heilige koran, is er na profeet Mohammed geen noodzaak meer voor het profeetschap. Daarom is hij de laatste profeet, en kan er na hem geen nieuwe profeet komen, noch een vroegere profeet terugkeren.

Het vers gaat verder met de verklaring dat degenen die niet alleen weigeren te geloven in Allah en Zijn boodschappers, maar hen ook afwijzen en hun boodschap als leugen bestempelen, tot de bewoners van de hel behoren. Tot deze groep behoren ook degenen die vanaf het allereerste begin geen geloof hebben in Allah en Zijn boodschappers. Hun weigering om de waarheid te accepteren maakt hen steeds stoutmoediger en vijandiger, waardoor ze uiteindelijk de waarheid als een leugen bestempelen. Dit leidt ertoe dat ze geleidelijk moreel vervallen en ontaarden in hun gedrag, waardoor ze met hun eigen daden een hel voor zichzelf creëren.

Naast de bovengenoemde groep zijn er ook mensen die er genoegen mee nemen om hun geloof in Allah en Zijn boodschapper slechts met hun lippen te belijden, zonder dit via daden te bewijzen. Hun slechte daden staan in feite haaks op hun verbale beweringen van geloof. Hierdoor hebben ze niets aan hun lippendienst, en verslechteren hun zeden en daden met de dag, totdat ze uiteindelijk in de hel belanden. Zulke mensen worden hypocrieten genoemd en dit begrip omvat zowel degenen die huichelachtig zijn in hun geloof als degenen die hypocrisie tonen in hun daden.


Paragraaf 3

Wat ons belemmert om onzelfzuchtige offers te brengen op de weg van Allah, is onze liefde voor rijkdom, bezittingen en de voorzieningen van dit wereldse leven. In deze paragraaf worden we eraan herinnerd dat het leven in deze wereld, met al zijn rijkdom, voorzieningen, kinderen en bezittingen, vergankelijk is. In werkelijkheid dienen deze zaken als het bouwland voor het hiernamaals. Daarom moeten we ons volgende leven verfraaien door ons geld en alles wat ons dierbaar is op te offeren op de weg van Allah, zodat we in ruil daarvoor het paradijs verdienen.

Het leven van deze wereld is niet waardevol genoeg om al onze liefde te hechten aan haar rijkdommen en kostbaarheden, zodanig dat wij nalaten deze uit te geven op de weg van Allah. Dit wereldse leven is slechts een zwakke afspiegeling van Zijn gastvrijheid en vrijgevigheid jegens ons. Hij vraagt ons deze zaken slechts als een lening, met de belofte dat Hij ze aan ons zal teruggeven, na ze overvloedig te hebben vermeerderd. Mocht Allah zo willen, dan kan Hij alles van ons wegnemen zonder dat wij daar iets aan kunnen doen. In werkelijkheid is alles wat wij bezitten een geschenk van Hem.

De noodzaak om ons leven, geld en bezit in te zetten, ligt in het vestigen en verspreiden van de leer van Allah’s boek op aarde. Deze inspanningen zijn van het grootste belang voor het handhaven van vrede en rechtvaardigheid, en voor de bevordering van de spirituele ontwikkeling van de mens. De verspreiding en bescherming van de waarheid vereisen een zware opoffering van onze kant. Daarom mogen wij ons niet zo sterk aan deze wereld hechten dat het een belemmering vormt voor onze bereidheid tot opoffering. Het is het Hiernamaals dat de ware, permanente verblijfplaats is, terwijl dit leven slechts van voorbijgaande aard is, zoals het volgende vers verduidelijkt:


20. Weet dat dit wereldse leven slechts een spel is en een onwerkelijkheid en een verfraaiing en onderling opscheppen en wedijveren om de vermeerdering van rijkdom en kinderen. Het is als een regen welke vegetatiegroei de boeren behaagt. Dan verdort het en u ziet het vergelen. Dan verpulvert het. En in het hiernamaals is er een zware straf, en (ook) vergeving van Allah en (Zijn) welbehagen. En dit wereldse leven is slechts een bron van bedrog.

I’lamū annama-l-ḥayātu-d-dunyā la‘ibun wa lahwun wa zīnatun wa tafākhurun bainakum wa takāthurun fi-l-amwāli wa-l-aulādi; kamathali ghaithin a‘jaba-l-kuffāra nabātuhū thumma yahīju fatarāhu muṣfarran thumma yakūnu ḥuṭāman; wa fi-l-ākhirati ‘azābun shadīdun wa maghfiratun mina-llāhi wa riḍwānun; wa ma-l-ḥayātu-d-dunyā illā matā‘ul-ghurūr.

Dit vers zegt ons dat we goed moeten beseffen dat het leven in deze wereld slechts een illusie en een spel is. Met andere woorden, achter onze plezierige en comfortabele leventjes, onze luxe en rijkdom, schuilt geen realiteit, omdat al deze zaken van voorbijgaande aard zijn. Het enige wat ze doen, is ons aanmoedigen om onze huizen en kleding te verfraaien en om tegenover elkaar op te scheppen over onze kinderen, onze schoonheid en onze fraaie bezittingen. Ons hele leven besteden wij aan het vervullen van onze verlangens naar meer rijkdom en kinderen. Dit is echter maar voor korte tijd, want op een dag zullen wij deze wereld moeten verlaten en alles achterlaten, ongeacht hoeveel fraaie en luxe bezittingen, hoeveel kinderen of hoeveel eer wij in dit korte leven hebben vergaard. Al deze zaken – evenals pracht, glorie en faam – zijn geen permanente bezittingen, maar slechts middelen voor de mens om goede daden te verrichten. In werkelijkheid behoort niets hem toe.

Om dit punt vollediger te illustreren wordt het voorbeeld gegeven van landbouw. Een boer ploegt zijn veld om en bewerkt het grondig voor het zaaien. Daarna valt er regen uit de hemel en al snel wordt het land groen en begint het overvloedig vruchten te dragen. Dit maakt de boer erg blij, maar niet voor lang, want na korte tijd verdort hetzelfde bloeiende veld en wordt geel en verdort. De planter heeft niets meer in zijn bezit behalve de vruchten of het graan dat hij door zijn arbeid heeft geoogst.

Zo is het ook met het leven van de mens. Met de jaren groeit hij in kracht, totdat hij in zijn jeugd het hoogtepunt van zijn kracht bereikt. Hij spant zich op alle mogelijke manieren in om rijkdom, bezittingen, kinderen en status te verwerven. Tegelijkertijd is hij gezegend met de vrijgevigheid van zijn Heer, want zonder Zijn genade slaagt geen enkele menselijke inspanning. Zijn inspanningen beginnen vruchten af te werpen, en wanneer hij zich realiseert hoeveel weelde, voorzieningen en jeugdige kracht hij bezit, kan hij zich nauwelijks inhouden van vreugde.

Maar uiteindelijk zet de ouderdom in, en verdwijnt zijn jeugdige kracht, totdat de dood hem overvalt en zijn leven, samen met zijn rijkdom en bezittingen, van hem worden weggenomen. Het enige wat overblijft van het uitgestrekte veld van zijn leven, zijn de daden die hij als graan van het veld heeft geplukt. Dat is alles wat hij met zich meeneemt.

Van al het spel en amusement van dit wereldse bestaan zijn de enige werkelijke en substantiële zaken de daden van de mens, of ze nu goed of slecht zijn. Dit is de reden waarom de profeet Mohammed heeft gezegd: “Het leven van deze wereld is het bouwland van het Hiernamaals.” Er schuilt geen realiteit in rijkdom of armoede, noch in vreugde of verdriet. De enige realiteit die daadwerkelijk deel uitmaakt van dit wereldse leven, zijn de daden van de mens. Met andere woorden, het gaat om de dankbaarheid die een persoon toont voor de vrijgevigheid van Allah en de waarde die hij aan deze gunsten hecht. Dit weerspiegelt zich in hoeveel hij besteedt op de weg van zijn Heer en in de mate van sympathie en genegenheid die hij zijn medemens betoont. Daarnaast komt dit tot uiting in het geduld en doorzettingsvermogen (ṣabr) dat hij betracht in tijden van armoede en verdriet, en in het standvastige voorbeeld dat hij daarbij laat zien.

Stel dat een student tijdens een examen een berekening moet maken en daarvoor honderd diamantjes krijgt, terwijl een andere student honderd steentjes heeft. Het zou dan uiterst onzinnig zijn als de ene student zou opscheppen tegenover de andere, enkel omdat hij diamanten heeft gekregen in plaats van stenen. Het enige doel van het examen is immers om vast te stellen welke student de juiste berekeningen maakt. Het is goed mogelijk dat degene met de diamantjes al zijn sommen verkeerd berekent en niet slaagt, terwijl degene met de steentjes heel precies is in zijn berekeningen en wél slaagt voor zijn test.

Dit voorbeeld illustreert de diversiteit die Allah in de wereld heeft geschapen. Er zijn mannen en vrouwen, rijken en armen, want alleen door deze verscheidenheid — waarbij mensen verschillende talenten en vermogens bezitten — kan de samenleving doeltreffend functioneren. Als bijvoorbeeld iedereen een koning was, wie zouden dan de onderdanen zijn? Of als alle mensen timmerlieden of smeden waren, welke andere werkzaamheden zouden er dan nog op de wereld worden uitgevoerd? Diversiteit is dus noodzakelijk voor groei en vooruitgang. Daarom heeft Allah de mens in verschillende omstandigheden geschapen. Ieder individu krijgt een eigen bestaansomgeving toegewezen waarin hij zijn taken kan vervullen. Onze Schepper wil zien wat ieder mens zal doen binnen de omstandigheden waarin hij is geplaatst. Of iemand nu een hoge positie in het wereldse leven heeft of juist een nederige positie, in de ogen van Allah heeft dit op zichzelf geen bijzondere waarde of realiteit.

Het enige werkelijke en wezenlijke voor de mens zijn zijn daden, die hij met zich meedraagt. De diversiteit tussen hoog en laag, rijk en arm heeft op zichzelf geen betekenis, want dit is slechts een tijdelijke en voorbijgaande toestand. Deze wereld is niets anders dan een bouwland waarin de mens, voor zijn eigen welzijn in het volgende leven, goede daden moet cultiveren, zodat hij in het Hiernamaals een rijke oogst aan voorzieningen voor zichzelf kan binnenhalen.

Het vers vervolgt met te verkondigen dat er in het Hiernamaals twee mogelijke omstandigheden zullen zijn: de ene van zware straf en de andere van vergeving en het welbehagen van zijn Heer. Met andere woorden, wie het zaad en de vruchten van slechte daden met zich meedraagt, zal daarmee een zware straf over zichzelf afroepen. Maar degene wiens zaad de vruchten van goede daden voortbrengt, zal vergeving (maghfirah) ontvangen.  Maghfirah betekent dat Allah hem beschermt tegen straf, en dat hij Zijn welbehagen en genoegen ontvangt.

Het vers eindigt met de volgende waarschuwing:

“En het leven van deze wereld is niets anders dan een bron van bedrog.”

Dit betekent dat rijkdom en bezit tijdelijk en vergankelijk zijn, en dat hun aantrekkingskracht en verlokkingen niets anders dan een bedrog en illusie zijn. Maar ook het leven van de mens zelf is bedrieglijk, want hoe kan hij weten wanneer de dood toeslaat en zo een einde maakt aan al zijn kansen om goed te doen? Gezegend is daarom degene die de waarde van de tijd erkent en elke seconde van zijn leven als onschatbaar beschouwt. Zo kan hij elk moment dat Allah hem heeft geschonken benutten om goed te doen.


21. Spoedt u naar de vergeving (maghfirah) van uw Heer, en (naar) een tuin waarvan de uitgestrektheid (als) de uitgestrektheid van de hemel en de aarde is. Deze is bereid voor degenen die geloven in Allah en Zijn boodschappers. Dat is de goedgunstigheid van Allah; Hij geeft het aan wie het Hem behaagt. En Allah is de Heer van geweldige goedgunstigheid.

Sābiqū ilā maghfiratin min rabbikum wa jannatin ‘arḍuhā ka-‘arḍi-s-samā’i wa-l-arḍi; u‘iddat lillazīna āmanū bi-llāhi wa rusulihī; zālika faḍlu-llāhi yu’tīhi man yashā’u; wa-llāhu zu-l-faḍli-l-‘aẓīm.

Maghfirah is afgeleid van ghafara, wat bedekken of beschermen betekent. Maghfirah (vergeving) verwijst dus naar Allah’s bescherming van de mens tegen de nadelige gevolgen van alle zonden die hij heeft begaan. Daarnaast duidt het ook op bescherming tegen de zonden die een mens in de toekomst, door menselijke zwakte, mogelijk zou kunnen begaan.

Voor een zondig persoon zijn beide vormen van bescherming van toepassing. Wanneer het woord maghfirah (vergeving of bescherming) echter wordt gebruikt in relatie tot de profeten van Allah, geldt uitsluitend de tweede betekenis — bescherming tegen menselijke zwakte — omdat profeten van nature zondeloos zijn.

Wanneer een gewoon persoon dus bidt om vergeving, vraagt hij Allah, de Allerhoogste, om bescherming voor twee zaken: Ten eerste, bescherming tegen de nadelige gevolgen van alle zonden die hij in het verleden heeft begaan. Ten tweede, bescherming tegen het begaan van zonden in de toekomst, vanwege zijn natuurlijke menselijke zwakte.

Wanneer een profeet echter bidt om maghfirah, doet hij dit met de intentie om de bescherming van Allah te zoeken tegen mogelijke fouten die hij in de toekomst, vanwege zijn menselijke zwakheid, zou kunnen begaan. Hoe vaker iemand dus bidt om maghfirah — oftewel bescherming tegen het begaan van zonden — hoe meer hij hiertegen beschermd wordt. Wanneer een profeet bidt om maghfirah, kan men hieruit dus niet concluderen dat hij een zondaar is. Integendeel, het is juist een bewijs dat hij beschermd is tegen het begaan van zonden.

Met betrekking tot het Hiernamaals betekent maghfirah bescherming tegen elke vorm van pijn en bestraffing.

In het vorige vers werd de beloning voor goede daden beschreven als “vergeving (maghfirah) van Allah en (Zijn) welbehagen,” terwijl in dit vers gewag wordt gemaakt van “vergeving (maghfirah) van uw Heer en een tuin.” Met andere woorden, Allah’s welbehagen is in dit vers vervangen door “een tuin”.

In de vorige paragraaf heb ik reeds uitgelegd dat het werkelijke doel van een ware gelovige het welbehagen van Allah is, en dat het paradijs daaruit voortvloeit. Met andere woorden, wanneer een dienaar de tevredenheid van zijn Heer waardig is geworden, beleeft hij onverminderde vreugde, voorspoed en zegeningen. Dit komt doordat hij de ware Bron van al deze gunsten heeft bereikt. In een ander vers zegt de heilige koran:

“Waarlijk, degenen die geloven en goede daden verrichten, voor hen zijn de tuinen van het paradijs (firdaus), (in de vorm van) een gastvrij onthaal (nuzul-an).” (18:107)

Nuzul verwijst naar de gastvrijheid waarmee een persoon wordt onthaald wanneer hij voor het eerst de woning van zijn gastheer betreedt. Wanneer hij bijvoorbeeld bij de deur van zijn gastheer aankomt, wordt hij verwelkomd, naar binnen geleid en krijgt hij iets te drinken als teken van gastvrijheid. Daarna wordt het beste eten voor hem bereid en krijgt hij de meest comfortabele zitplaats aangeboden. Om deze reden wordt het paradijs beschreven als een gastvrij onthaal dat een persoon ontvangt wanneer hij het betreedt. Wat zijn Heer daarna nog meer voor Zijn dienaar aan zegeningen heeft bereid, gaat zijn voorstellingsvermogen te boven, zoals de hadith duidelijk stelt:

“Geen oog heeft die zegeningen gezien, noch heeft het oor ze gehoord, noch heeft het hart van iemand zich dat kunnen voorstellen.”

De ware zoektocht is dus naar het welbehagen van onze Heer, wat het doel van elke gelovige zou moeten zijn. De paradijselijke tuin vloeit slechts voort uit dit welbehagen. Wanneer een dienaar de goedkeuring van zijn Heer heeft verkregen, wat heeft hij dan nog meer nodig? Voor zo iemand wordt de hele aarde en de hele hemel een paradijs. Dit is de reden waarom het vers bevestigt en aanspoort:

“Spoedt u naar de vergeving van uw Heer en naar een tuin waarvan de uitgestrektheid als de uitgestrektheid van de hemel en de aarde is.”

Met andere woorden, onze Heer zal ons niet alleen beschermen tegen straf, maar wanneer wij Zijn welbehagen verkrijgen, zal Hij ons ook een tuin schenken die zo uitgestrekt is als de hemel en de aarde. Daarom mogen wij ons in ons korte leven niet volledig laten meeslepen door het najagen van wereldse vooruitgang, rijkdom en status. Anders verliezen wij uit het oog dat wij moeten streven naar de vergeving en het welbehagen van onze Heer. We mogen ook niet de kans verspillen om in het volgende leven gezegend te worden met vrede en geluk — een staat die als het paradijs wordt omschreven. Anders zullen wij in plaats daarvan een lijdensweg van leed en straf ondergaan.

Het vers zegt verder dat de vergeving en het welbehagen van onze Heer enorme gunsten zijn die Hij schenkt aan wie Hij wil, omdat Hij de Heer is van geweldige goedgunstigheid. De woorden “Hij geeft het aan wie het Hem behaagt” mag men echter niet verkeerd begrijpen. Men moet niet denken dat Allah Zijn gunsten lukraak geeft aan wie Hij wil aan sommigen, en op een onvoorspelbare manier onthoudt van anderen. We moeten namelijk bedenken dat Allah de mens niet onrechtvaardig of ongelijk behandelt, zoals de heilige koran in vers 41:46 benadrukt:

“En uw Heer is niet in het minst onrechtvaardig jegens de dienaren.”

Wat Allah ook wenst voor Zijn dienaren, Hij handelt altijd met absolute rechtvaardigheid en gelijkheid. Een dienaar die ongehoorzaam is, zal daarom gestraft worden. Maar waarom zouden gehoorzame dienaren gestraft moeten worden? Wanneer hij zich inspant en ervoor kiest om de vergeving en het welbehagen van zijn Heer te verkrijgen, dan is het de wens van Allah om hem te vrijwaren van straf en hem de vreugde en het genot van het paradijs te laten ervaren. De woorden “Hij geeft het aan wie het Hem behaagt,” geven alleen maar aan dat Allah de volledige macht en controle bezit om Zijn gunsten te schenken.

Stel dat we zeggen dat een rechter de macht heeft om te veroordelen wie hij wil en om vrij te spreken wie hij wil. Het zou dan uiterst onjuist zijn om deze uitspraak zo uit te leggen dat de rechter een onschuldige man zou laten ophangen enkel omdat hij daar zin in heeft. In werkelijkheid betekent het dat de rechter de bevoegdheid heeft om het aanwezige bewijsmateriaal op rechtvaardige en billijke wijze te beoordelen. Zo kan hij een doodvonnis opleggen aan een schuldige moordenaar, maar ook een onschuldige persoon vrijspreken.

Dezelfde betekenis is van toepassing wanneer een dergelijke uitspraak in relatie tot Allah wordt gedaan. De werkelijke bedoeling is om aan te geven dat alle zegeningen en gunsten onder Zijn absolute controle staan. Wie Hij waardig acht, schenkt Hij deze rijkelijk, en wie in Zijn ogen onwaardig is, krijgt ze niet. De vraag rijst: wie zijn degenen die Allah waardig acht? De heilige koran antwoordt: “Deze is bereid voor degenen die geloven in Allah en Zijn Boodschappers.” Hier is het woord “geloven” gebruikt in de specifieke betekenis waarin het in dit hoofdstuk naar voren komt. Met andere woorden, het verwijst naar degenen die hun mondelinge bevestiging van geloof in Allah en Zijn Boodschappers daadwerkelijk bewijzen door middel van goede daden en opofferingen.


22. Geen ramp gebeurt op aarde of in uw levens, of het staat in een boek (kitāb) voordat Wij het tot stand brengen. Waarlijk, dat is Allah gemakkelijk.

Mā aṣāba min muṣībatin fi-l-arḍi wa lā fī anfusikum illā fī kitābin min qabli an nabra’a-hā; inna zālika ‘ala-llāhi yasīr.

Het woord kitāb (boek) kan zowel verwijzen naar de heilige koran als naar de alomvattende kennis van Allah. In de heilige koran wordt de kennis van de Almachtige vaak vergeleken met een boek. De kennis van de mens is daarentegen gebonden aan tijd; hij heeft geen informatie omtrent de toekomst. Hij kent slechts een iets van het heden of het verleden, en zelfs dat slechts tot op zekere hoogte. Wanneer hij zich richt op wat zich in het heden afspeelt, verliest hij zijn aandacht voor het verleden. En omgekeerd, wanneer hij zich op het verleden concentreert, raakt hij het heden uit het oog.

Aan de andere kant is Allah’s kennis vrij van al deze beperkingen en is zij als een boek waarin alles is vastgelegd — vanaf het allereerste begin tot het verste uiterste in de toekomst. Net zoals alles wat in een boek is geschreven geen verleden, heden of toekomst kent, omdat het altijd volledig aanwezig is, zo omvat ook Allah’s kennis te allen tijde alles. Wanneer een lezer een boek leest, wordt het gedeelte dat hij al heeft gelezen onderdeel van zijn kennis van het verleden. Wat hij op dat moment leest, vormt zijn kennis van het heden. En wat hij later nog zal lezen, maakt onderdeel uit van de toekomst. Op soortgelijke wijze worden in de kennis van de Almachtige, met betrekking tot Zijn schepping, gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden als verleden beschouwd. Wat zich op dit moment afspeelt, wordt als heden gezien, en wat nog zal komen, wordt gerekend tot de toekomst.

Dit vers leert ons dat welke ramp zich ook voordoet, hetzij ergens op aarde of bij de mens zelf, dit niet toevallig gebeurt. Alles is door Allah reeds vastgelegd in een boek, nog voordat het plaatsvindt. Voordat ik deze verzen verder toelicht, wil ik eerst een korte uitleg geven over de betekenis van “reeds opgetekend” of “voorbestemd”. Allah heeft in de heilige koran geschreven:

“Hij heeft alles geschapen en heeft er een maat (taqdīr) voor bepaald.” (25:2)

Deze vastgestelde maat wordt taqdīr genoemd. Met andere woorden, alles in het universum wordt geschapen volgens een bepaalde maat, functioneert binnen die maat en vergaat eveneens volgens die maat.

Dezelfde wet geldt ook voor de mens. Hij is echter gezegend met de gave van een beperkte vrije keuze, waardoor hij naar eigen inzicht kan handelen. Daarom is het in zijn geval noodzakelijk dat verschillende handelingen leiden tot verschillende gevolgen, want een handeling is een oorzaak, en straf of beloning is het gevolg. Als de handeling slecht is, dan is het gevolg slecht. Als de handeling goed is, dan is het gevolg goed. Dit is een voorbeeld van taqdīr.

Laten we nu een ander aspect van taqdīr onderzoeken. Wanneer een zondaar zijn slechte gedrag onmiddellijk staakt en zichzelf betert, zullen de nadelige gevolgen die uit dat slechte gedrag voortvloeien eveneens veranderen. Daarnaast zal ook de invloed die deze nadelige gevolgen op zijn leven zouden hebben gehad, veranderen.

Neem het geval van een drinker. Hij begaat zonde door alcohol te drinken en schaadt daarnaast zijn gezondheid. Als hij op deze manier doorgaat, zal hij spoedig zijn lichaam verder verzwakken en een vroege dood sterven. Zijn door Allah geschonken gezondheid was aanvankelijk zo goed dat hij, indien hij niet was gaan drinken, een langer leven zou hebben geleid. Maar als hij plotseling tot inkeer komt, stopt met drinken, voor zijn gezondheid zorgt en zijn lichaam herstelt, dan zal de dood die oorspronkelijk als gevolg van zijn drinken voor hem bestemd was, van hem worden afgewend. Dit is zoals de heilige koran zegt over profeet Noach (vrede zij met hem) toen hij tot zijn volk predikte en hen beloofde, dat als zij zouden ophouden met hun slechte gedragingen:

“Hij (Allah) zal een aantal van jullie zonden vergeven en jullie uitstel verlenen voor een bepaalde termijn.” (71:4)

Hieruit kunnen we afleiden dat Allah een bepaalde levensduur voor deze mensen had bepaald. Echter, door hun zondige gedrag hadden zij hun tijd van verblijf op aarde verkort. Als zij hun gedrag hadden verbeterd, dan zou die vernietiging — of taqdīr — van hen zijn afgewend. Dit type uitgestelde taqdīr wordt taqdīr mu‘allaq genoemd, wat betekent: voorwaardelijk besluit. Daarentegen wordt de taqdīr die de mens, ondanks al zijn inspanningen en smeekbeden, niet kan vermijden taqdīr mubram genoemd, oftewel: onherroepelijk besluit.

Natuurlijk is het niet aan de mens om te bepalen welke taqdīr (besluit) voorwaardelijk (mu‘allaq) of onherroepelijk (mubram) is. Die kennis berust uitsluitend bij Allah. Allah heeft het echter nodig geacht om ons enkele principes hierover te geven, zodat een gelovige enig inzicht kan verkrijgen in de omstandigheden waarin hij een besluit als mu‘allaq (voorwaardelijk) of mubram (onherroepelijk) kan beschouwen. Dit inzicht kan van nut zijn in zijn leven.

Met dit in gedachten zullen we verschillende verzen bekijken die betrekking hebben op deze twee vormen van taqdīr.

1. Het eerste principe dat de koran geeft, is:

“En dat de mens niets kan hebben behalve waarnaar hij streeft.” (53:39)

Dit betekent dat alles waarvoor de mens zich kan inspannen, moeten wij beschouwen als opererend onder het principe van taqdīr mu‘allaq (voorwaardelijk besluit). Het is namelijk volgens dit principe dat wij inspanningen verrichten en vooruitgang boeken in ons wereldse leven.

2. Het tweede principe treedt in werking wanneer we ons zwaar inspannen en vurige smeekbeden verrichten voor een bepaalde zaak, maar desondanks niet slagen. In zo’n geval moeten we een dergelijke mislukking altijd beschouwen als taqdīr mubram (onherroepelijk besluit) en deze blijmoedig aanvaarden.

Als we bijvoorbeeld elk mogelijk medicijn en elke denkbare behandeling bij een zieke hebben geprobeerd, en bovendien vurig tot Allah hebben gesmeekt, maar die zieke desondanks overlijdt, dan moeten we dit beschouwen als een onherroepelijk besluit (taqdīr mubram) van de Almachtige. Het is dan een test of een beproeving van Hem, waarbij het onze plicht is om ons zonder enige klacht erbij neer te leggen. In dit verband zegt de heilige koran:

“En Wij zullen u zeker beproeven met iets van angst en honger en verlies van bezit en levens en vruchten. En geef goed nieuws aan de geduldigen.” (2:155)

Wij mogen onder deze omstandigheden niet ontmoedigd raken. We moeten juist rust in ons hart vinden, omdat zulke gebeurtenissen ons de kans bieden geduld (ṣabr) te betrachten en onze ruggen recht te houden. Zo kunnen we slagen in dit leven en in het volgende.

3. Het derde principe is dat wij de straf van Allah altijd als voorwaardelijk moeten beschouwen. Straf is namelijk het gevolg van slechte daden, en wanneer een persoon ophoudt met zijn slechte handelwijze, wordt de dreigende straf van hem afgewend. Dit is de reden waarom wij, wanneer wij in een droom een aanwijzing krijgen dat er een straf op komst is, als gelovigen oprecht berouw moeten tonen. Wij moeten daarnaast ook een verandering in ons karakter teweegbrengen door middel van vrome daden, istighfār (bidden om vergeving), giften en liefdadigheid. Wanneer wij deze vrome daden verrichten, zal de dreigende straf worden afgewend, zoals het eerder geciteerde vers ons belooft:

“Hij zal een aantal van uw zonden vergeven en u uitstel verlenen voor een bepaalde termijn.” (71:4)

4. Het vierde principe is dat wanneer een gelovige bezig is met het vervullen van zijn religieuze plichten en hij tijdens dit proces komt te overlijden of met moeilijkheden wordt geconfronteerd, hij dit altijd als een onherroepelijk besluit moet beschouwen. Met andere woorden, hij dient te beseffen dat dit een type besluit was dat, ongeacht de omstandigheden, onvermijdelijk zou plaatsvinden. Wanneer een gelovige bezig is met het verrichten van goede daden of het vervullen van zijn religieuze plichten, zal Allah hem niet laten sterven of leed laten overkomen, tenzij dit reeds onherroepelijk door Hem was besloten. De heilige koran ondersteunt deze gedachte in hoofdstuk 3, Āl-‘Imrān. Nadat de belangrijke plicht van jihād (jezelf inspannen op de weg van Allah) is benadrukt, volgt de uitspraak van degenen die hun leven niet in de waagschaal wilden stellen:

“Zij zeggen: Hadden wij iets met de zaak uit te staan, (dan) zouden wij hier niet gedood zijn geweest.” (3:154)

Allah waarschuwt hen dan als volgt:

“Zeg: Was u in uw huizen gebleven, (dan) zouden degenen voor wie doding voorgeschreven werd, zeker naar de plaatsen gegaan zijn waar zij gedood zouden worden.” (3:154)

De les die in deze waarschuwing besloten ligt, is dat een gelovige de moed niet mag verliezen bij het vervullen van zijn religieuze plichten. Als iemand bijvoorbeeld dreigt te verdrinken, mag een gelovige zich niet bedenken om hem te helpen. Of als er brand uitbreekt en iemand zich daarin bevindt, dan mag hij niet aarzelen om die persoon te redden. En wanneer een dienaar ter wille van de godsdienst de strijd moet aangaan, mag hij niet terugdeinzen om op de weg van zijn Heer te strijden. Hij moet er echter in zijn hart van overtuigd zijn dat, als hij tijdens het vervullen van die religieuze plicht zou sterven of door moeilijkheden getroffen zou worden, dit ongetwijfeld een onherroepelijk besluit is. Hij moet zo denken: als ik niet aan de strijd had deelgenomen, dan zou ik toch gestorven zijn op het moment dat mijn levensduur was voltooid. Men kan zich nooit, in de veronderstelling dat de dood die volgt tijdens een religieuze plicht een voorwaardelijk besluit (taqdīr mu‘allaq) is, aan die plicht onttrekken om zo de dood te vermijden. Dit is een denkwijze die de gelovige met de hoogste graad van moed en heldhaftigheid vervult. Hij is dan altijd bereid zijn medemens te helpen wanneer die in leed of moeilijkheden verkeert, ook al als hij daarvoor zelf leed en gevaar moet trotseren. Zelfs wanneer hij op de weg van zijn Heer ten strijde moet trekken, kent hij geen vrees of zorgen.

Natuurlijk mag een gelovige bij het vervullen van zijn plicht niet nalaten om alle mogelijke voorzorgsmaatregelen te nemen. De heilige koran beveelt ons immers:

“Stort u niet met uw eigen handen in het verderf.” (2:195)

Dit betekent dat wanneer wij een oorlog ingaan, wij ons zo goed mogelijk moeten voorbereiden, volledig geharnast en goed bewapend. Als een drenkeling moet worden gered, moet de redder er zeker van zijn dat hij kan zwemmen. En als iemand een zieke moet behandelen die lijdt aan een besmettelijke ziekte, dan moet hij dat doen zonder roekeloosheid of angst. Maar hij moet natuurlijk alles doen om zichzelf te beschermen tegen de gevaarlijke besmetting van de zieke. Ook dit moet men beschouwen als een religieuze plicht, waarbij de dood die daarop volgt een onherroepelijk besluit is waaraan men niet kan ontsnappen. Dit zijn in het kort de principes met betrekking tot taqdīr (voorbestemming) die de koran de moslims onderwijst.

Taqdīr, of de vooraf bepaalde maat, is een werkelijkheid waar we niet aan kunnen twijfelen. Alles wat geschapen is, bestaat immers volgens een bepaalde maat en is onderworpen aan vastgelegde wetten. Dit wordt voorbestemming of vooraf bepaalde maat (taqdīr) genoemd. Zo is het ook bij de mens. Zijn geluk en verdriet, zijn leven en dood, zijn eveneens onderhevig aan een vooraf bepaalde maat en werken binnen bepaalde wetten. Allah heeft daarom aan de mens enkele lessen onderwezen over bepaalde principes van taqdīr, zodat hij deze op de beste manier kan benutten. Door dit inzicht kan hij succes behalen, zowel in dit leven als in het hiernamaals. Dit is wat een volmaakt boek als de heilige koran heeft bewerkstelligd.

Samenvattend: het vers dat we bespreken, maakt ons een van de handelwijzen van Allah bekend. Welke ramp er ook plaatsvindt, of het nu op aarde is of in ons eigen leven, het is afkomstig van Hem. Er zijn mensen die bepaalde dagen van de week, zoals maandag of zaterdag, als ongeluksdagen beschouwen en denken dat wanneer zij op die dagen bepaalde werkzaamheden verrichten, deze zullen mislukken. Ook zijn er Europeanen die geloven dat het getal 13 een ongeluksgetal is. Weer anderen denken dat bepaalde dieren ongeluk brengen. Een van de meest nuttige conclusies die we uit dit vers kunnen trekken, is dat zulke mensen het helemaal verkeerd hebben.

In een hadith, opgetekend door imam Ahmad, staat dat twee personen de vrouw van profeet Mohammed, A’isha, bezochten en haar vertelden dat Abu Hurairah de Profeet had aangehaald met de uitspraak dat er ongeluk schuilt in vrouwen, viervoeters en paarden. A’isha sprak deze bewering tegen en wees hen erop dat de Profeet hiermee slechts verwees naar een gedachte uit de tijd van onwetendheid (vóór de islam). Daarna citeerde zij het vers dat wij bespreken: “Geen ramp gebeurt op aarde of in uw levens, of het staat in een boek voordat Wij het tot stand brengen.”

Ik vroeg eens aan een hindoe heer, die de gewoonte had om telkens astrologen te raadplegen voordat hij aan een bepaalde taak begon, of hij ooit tegenslagen of moeilijkheden had meegemaakt, of dat er ooit iemand in zijn huis ziek was geworden, of dat er ooit iemand was overleden. Op al deze vragen antwoordde hij bevestigend. Daarop vroeg ik hem: “Wat heeft het dan voor nut gehad om uw astrologen en brahmanen te raadplegen om te bepalen welk moment goed of slecht is om een bepaalde taak uit te voeren?” Op dezelfde wijze beschouwen sommige Engelsen het getal 13 als een ongeluksgetal. Dit bijgeloof gaat zelfs zo ver dat eens een gouverneur werd uitgenodigd voor een diner bij iemand thuis. Toevallig was er van de veertien genodigden één persoon niet aanwezig, waardoor er slechts dertien gasten overbleven. Toen de gouverneur dit zag, stond hij op en verliet de tafel. Na herhaalde smekende verzoeken stemde hij er uiteindelijk mee in om te blijven, maar op voorwaarde dat zijn secretaris zou vertrekken, zodat er twaalf gasten overbleven. Zelfs deze goed ontwikkelde en beschaafde gasten vertoonden dus dit opmerkelijke gedrag.

Allah wil dergelijke absurde opvattingen uit de gedachten van de moslims bannen. Daarom heeft Hij via de heilige koran geopenbaard dat elke ramp die ons overkomt van Hem afkomstig is en reeds in een boek is opgetekend voordat zij plaatsvindt. Wie kan het boek van Allah — dat wil zeggen, Zijn kennis — volledig omvatten? Natuurlijk heeft de heilige koran met betrekking tot leed en tegenslagen bepaalde zaken, die vanaf het begin in Allah’s boek (Zijn kennis) staan, noodzakelijkerwijs aan ons geopenbaard. Deze zaken kunnen het levenspad van de gelovige verlichten.

De heilige koran zegt ons dat er twee soorten beproevingen zijn die de mens overkomen:

1. De eerste soort staat in het volgende vers:

“En welke tegenspoed u ook overkomt, het is vanwege wat uw handen hebben bewerkstelligd.” (42:30)

Dit verwijst naar het leed dat de mens treft als gevolg van zijn zonden, fouten of tekortkomingen. Met andere woorden, het zijn de gevolgen van zijn eigen daden. Onder deze noemer valt ook de straf die wordt opgelegd aan een individu of een volk vanwege hun overtredingen van de wetten van Allah.

2. De tweede soort komt in de vorm van een beproeving of test die Allah zelf aan ons geeft, zoals de heilige koran ons zegt:

“En Wij zullen u zeker beproeven met iets van vrees en honger en verlies van bezittingen en levens en vruchten. En geef goed nieuws aan de geduldigen.” (2:155)

Hier wordt ons verteld dat Allah deze verschillende vormen van beproeving aan de mens geeft om de nobele eigenschap van geduld in hem te testen en te ontwikkelen. Dit draagt bij aan zijn spirituele groei en maakt hem waardig voor de beloningen die voor hem zijn bestemd. Wanneer een dienaar van Allah onder deze omstandigheden geduld en volharding toont en tevreden blijft met zijn Heer, dan overlaadt Allah hem met enorme beloningen die hieruit voortvloeien.

Imam Ibn al-Qayyim schrijft in zijn boek Al-Ruh dat iemand Rabi‘a Basri — bekend om haar grote vroomheid, ascese en spirituele volmaaktheid — zag in een droom, gekleed in een uiterst verfijnd gewaad uit het Paradijs. Hij vroeg haar hoe zij aan dat gewaad kwam, en zij antwoordde: “Allah heeft mijn grove lijkwade vervangen door dit prachtige kleed.” Die persoon informeerde vervolgens naar een andere vrouw uit haar buurt die ook was overleden en vroeg naar haar toestand. Rabi‘a antwoordde: “Haar rang is zoveel hoger dan de mijne dat. Zoals u een ster aan de hemel vanaf de aarde ziet stralen, zo zie ik haar op een enorme hoogte schitteren als een ster.” Verbaasd vroeg de man: “Maar u was veel meer toegewijd in aanbidding dan zij. Hoe komt het dat zij u in zo’n grote mate heeft overtroffen?” Zij antwoordde: “Zij onderging zulke zware beproevingen in deze wereld en verdroeg deze met zoveel geduld dat haar spirituele rang ver boven de mijne werd verheven.”

In de hadith staat dat wanneer een gelovige enig verlies of schade lijdt en dit geduldig draagt, dit als een vorm van ṣadaqah (liefdadigheid) van zijn kant wordt beschouwd. Wat een voortreffelijke uitleg van liefdadigheid wordt ons hier geleerd! Geld geven aan een vriend kan op twee manieren gebeuren. Ten eerste kunnen we hem vrijwillig en met een blij gemoed iets van ons geld geven. Ten tweede, als die vriend zelf iets van ons geld zou nemen, zouden we daar niet slecht over mogen denken en hem zonder bezwaar zijn gang moeten laten gaan. Op dezelfde manier is er een manier om offers te brengen ter wille van Allah: door onze levens en bezittingen gewillig op Zijn pad in te zetten.

Een tweede manier is dat wanneer Allah Zelf bezit of levens van ons neemt, wij daar niet bedroefd om mogen zijn, maar dit met tevredenheid accepteren. Deze twee manieren van geven op de weg van Allah hebben dus de status van liefdadigheid en opoffering.

Het is om deze reden dat profeet Mohammed heeft gezegd dat op de dag der opstanding, wanneer de gelovige de beloning ontvangt voor de smeekbeden die in dit leven onbeantwoord bleven, zijn beloning zo groots zal zijn dat hij zal wensen dat geen van zijn smeekbeden op aarde ooit was verhoord. De reden hiervoor is dat het opofferen van dierbare verlangens en het nederig aanvaarden van wat Allah heeft beschikt (taqdīr), in werkelijkheid de meest sublieme vorm van volharding en opoffering is. Er ligt dus een enorme schat van Allah’s genade verborgen in deze moeilijkheden en beproevingen.

Daarom moet een gelovige zich inspannen om zichzelf te beschermen tegen de eerste categorie van moeilijkheden, namelijk die welke als straf van Allah komen als vergelding voor zijn slechte daden. Hij dient dit te doen door zich strikt aan de geboden van de Almachtige te houden, door het formele gebed te onderhouden en door veel istighfār te verrichten. Zoals eerder gezegd is istighfār een smeekbede aan de Almachtige, waarbij de gelovige bescherming zoekt tegen de nadelige gevolgen van zijn begane zonden. Daarnaast vraagt hij om bescherming tegen de fouten en tekortkomingen die hij in de toekomst zou kunnen begaan. In het formele gebed herhalen we vanuit het diepst van ons hart de smeekbede die in het openingshoofdstuk (Al-Fātiḥah) van de heilige koran staat:

“Leid ons op het rechte pad. Het pad van degenen aan wie U Uw gunsten hebt geschonken. Niet (het pad van) degenen over wie (Uw) toorn is neergedaald, noch (het pad) van degenen die zijn afgedwaald.” (1:5-7)

Daarom zijn gebed, istighfār, liefdadigheid en gehoorzaamheid aan de geboden van Allah de middelen die wij moeten toepassen om onszelf te beschermen tegen moeilijkheden van de eerste soort, namelijk de straf van Allah. En als ons, ondanks al deze middelen en onze rechtschapen manier van leven (taqwā), toch een tegenslag treft, dan moeten wij die geduldig dragen. Wij dienen zo’n tegenslag te beschouwen als een gelegenheid om onze zwakheden te corrigeren en als een gevolg van onze eigen fouten. In plaats van te weeklagen en verdrietig te zijn, zouden wij tevreden moeten zijn met Allah’s wil. Wij moeten tegen onszelf zeggen: Als dit de wil van onze Heer is, dan moeten wij daarmee tevreden zijn, want in zulke tegenslagen schuilt iets goeds voor ons. Wanneer wij deze houding aannemen, zal Allah deze tegenslagen rekenen in de tweede categorie (namelijk, als een beproeving) en ons daarvoor rijkelijk belonen. Hij zal de deur van Zijn genade en zegeningen voor ons openen, zoals blijkt uit de woorden die volgen op het vers: “En Wij zullen u zeker beproeven met iets van vrees en honger,” waarna de beloning van de geduldigen als volgt wordt beschreven:

“En geef goed nieuws aan de geduldigen. Die, wanneer een tegenspoed hun overkomt, zeggen: waarlijk, wij behoren aan Allah, en tot Hem zullen we terugkeren Dit zijn degenen op wie zegeningen en genade van hun Heer zijn. En dit zijn de volgers van de rechte weg.” (2:156-157)

Noot

De betekenis van het verhaal van profeet Mozes en Khiḍr.

Het onderwerp van voorbestemming (taqdīr) wordt elders in de heilige koran (hoofdstuk 18, De Grot, verzen 60-82) op een andere manier belicht via het verhaal van profeet Mozes (v.z.m.h.) en Khiḍr. Ik zal hier de verzen van dat hoofdstuk geven.

“En toen Mozes tot zijn dienaar zei: Ik zal niet ophouden tot ik de samenvloeiing van de twee rivieren bereik, of ik zal jaren voortgaan. En toen zij de samenvloeiing van de twee (rivieren) bereikt hadden, vergaten zij hun vis. En het nam zijn weg in de rivier, weggaande. En toen zij verder gegaan waren, zei hij tot zijn dienaar: Breng ons ons ochtendmaal. Wij hebben voorzeker vermoeienis van deze reis van ons ondervonden. Hij zei: Hebt u gezien toen wij een schuilplaats op de rots zochten en ik de vis vergat? En niets heeft mij doen vergeten daarvan te spreken dan de duivel, en hij nam zijn weg in de rivier. Wat een wonder! Hij zei: Dit is waar wij naar zochten. Toen keerden zij terug, op hun schreden terugkerende. Toen vonden zij een van Onze dienaren aan wie Wij genade van Ons geschonken hadden, en aan wie Wij kennis van Ons geleerd hadden. Mozes zei tot hem: Zal ik u volgen op voorwaarde dat u mij de rechte kennis leert van wat u is geleerd? Hij zei: Waarlijk, u kunt geen geduld met mij hebben. En hoe kunt u geduld hebben met datgene waarover u geen uitgebreide kennis hebt gekregen? Hij zei: Indien het Allah behaagt zult u mij geduldig vinden, en ik zal u in welke zaak ook niet ongehoorzaam zijn. Hij zei: Indien u mij dan volgt, vraag mij dan omtrent niets tot ik er u zelf over spreek. Toen gingen zij (hun weg) tot hij, toen zij zich in de boot inscheepten, er een gat in maakte. (Mozes) zei: Hebt u er een gat in gemaakt om zijn inzittenden te verdrinken? Voorzeker hebt u een verschrikkelijk ding gedaan. Hij zei: Heb ik u niet gezegd dat u geen geduld met mij zult kunnen hebben? Hij zei: Berisp mij niet om wat ik vergat, en dwing mij niet tot iets moeilijks in mijn zaak. Toen togen zij voort tot, toen zij een jongeling ontmoetten, hij hem doodde. (Mozes) zei: Hebt u een onschuldig persoon gedood zonder dat (hij) een ander (gedood heeft)? Voorzeker hebt u een slecht ding gedaan. Hij zei: Heb ik u niet gezegd dat u geen geduld met mij zult kunnen hebben? Hij zei: Indien ik u hierna omtrent iets vraag, houd mij dan niet in uw gezelschap. Inderdaad zult u (dan) een verontschuldiging in mijn geval hebben gevonden. Toen togen zij voort tot zij, toen zij bij de inwoners van een stad kwamen, hun om voedsel vroegen. Maar zij weigerden hen als gasten te ontvangen. Toen vonden zij daarin een muur die op het punt was om te vallen. Toen zette hij die overeind. (Mozes) zei: Indien u gewild had, zou u zeker een beloning daarvoor hebben genomen. Hij zei: Dit zal een scheiding tussen mij en u zijn. Nu zal ik u inlichten omtrent de betekenis van datgene waarmee u geen geduld kon hebben. Aangaande de boot, die behoorde aan (zekere) arme mensen die op de rivier werkten, en ik wilde die beschadigen. En achter hen was een koning die iedere boot met geweld nam. En aangaande de jongeling, zijn ouders waren gelovigen, en wij vreesden dat hij ongehoorzaamheid en ondankbaarheid over hen zou doen komen. En wij wensten dat hun Heer hun in zijn plaats een betere dan hem zou geven in reinheid en nader bij genade. En aangaande de muur, hij behoorde aan twee weesjongens in de stad, en daaronder was een schat, behorende aan hen, en hun vader was een rechtschapen man. Toen wenste uw Heer dat zij hun volwassenheid zouden bereiken en hun schat naar boven zouden halen. Een genade van uw Heer, en ik heb het niet uit eigen beweging gedaan. Dit is de betekenis van datgene waarmee u geen geduld kon hebben.”

De bedoeling van dit verhaal is om bepaalde twijfels weg te nemen bij mensen die weinig begrip hebben van hoe Allah’s voorbestemde daden werken. We zien bijvoorbeeld dat een arme maar nobele persoon verlies lijdt in zijn bezittingen. We zien ook dat oprechte en rechtvaardige ouders niet alleen hun zoon verliezen, maar dat het ook nog hun enige zoon is. Soms merken we zelfs dat het voorspoedig gaat met slechte, immorele en ongehoorzame mensen. De mens is niet in staat de reden hiervan te doorgronden en kan hierdoor allerlei onwaardige gedachten over Allah beginnen te koesteren. Om deze zaken voor ons helderder te maken, heeft de Almachtige het verhaal van profeet Mozes en Khiḍr in de heilige koran verteld.

Voordat we naar het onderwerp zelf overgaan, moet ik enkele inleidende punten uitleggen. Elk ding dat Allah in de wereld heeft geschapen, is geschapen met een specifiek doel. Om dit doel te vervullen, heeft Allah van tevoren bepaalde regels en wetten vastgesteld. Door deze wetten kan elk geschapen ding het doel van zijn bestaan verwezenlijken. Op dezelfde wijze is ook de mens gebonden aan bepaalde regels en wetten om de reden van zijn schepping te vervullen. Er zijn echter wetten waaraan hij zich onvermijdelijk moet onderwerpen, terwijl er andere zijn waarbij hij wel eigen wil kan uitoefenen. Dit vermogen om eigen wil toe te passen wordt tadbīr of planning genoemd.

Wat betreft de zaken waarvoor de mens de capaciteiten heeft om ze uit te voeren en waarover hij zijn eigen wil kan uitoefenen, is het noodzakelijk dat Allah hem leiding verschaft. Deze leiding stelt hem in staat om deze wetten op de juiste manier na te leven en voorkomt dat hij ze op een verkeerde manier toepast. Deze Goddelijke leiding wordt sharī‘ah of wet genoemd.

Daarnaast zijn er ook zaken waarover de mens geen controle heeft en waarin hij zijn eigen wil niet kan uitoefenen. De wetten en handelingen van Allah die hierop betrekking hebben, worden taqdīr genoemd. Aangezien de mens voortdurend te maken heeft met de wetten van voorbestemming (taqdīr), geeft de heilige koran, telkens wanneer de strikte naleving van de sharī‘ah (wet) wordt benadrukt, ook leiding over hoe hij zich kan houden aan de voorbestemde wetten (taqdīr) van Allah. Neem bijvoorbeeld het vers 2:212:

“Nee, wie zich volledig onderwerpt aan Allah en hij is de doener van het goede (aan anderen).”

Hier wordt gesteld dat een volmaakte moslim hij is die zich met volledige gehoorzaamheid aan Allah onderwerpt en daarnaast ook een goed mens is. Met andere woorden, hij aanvaardt de taqdīr van Allah met geduld en overgave, terwijl hij naar zijn beste vermogen de wetten van de sharī‘ah naleeft. Het is dus de taak van een moslim om, terwijl hij enerzijds de geboden en verboden van de wet volgt, zich anderzijds te verenigen met de taqdīr of werken van Allah.

Het lijdt geen twijfel dat Allah de profeten, in hun hoedanigheid van wetgevers, buitengewoon veel kennis schonk om de sharī‘ah (wet) te implementeren. Het was echter niet noodzakelijk dat zij alle kennis bezaten over de wijsheid en het nut achter bepaalde voorbestemde handelingen van de Schepper. Met betrekking tot deze zaken hadden zij slechts zoveel kennis als Allah aan hen wenste te schenken. Dit is de reden waarom zelfs profeten, als brengers van de wet, vaak net zo verbaasd waren als een gewoon persoon wanneer zij bepaalde werken van Allah aanschouwden. Omdat de ware reden en wijsheid achter deze Goddelijke handelingen vaak verborgen blijven voor het menselijk oog, kunnen er allerlei twijfels en bezwaren in zijn hart opkomen. Om deze reden maken zelfs mensen met een hoge spirituele status soms fouten wanneer zij worden geconfronteerd met de voorbestemde werken van Allah.

Zelfs profeet Mozes, een brenger van de wet, kon niet anders dan verbazing en consternatie tonen. Dit bracht hem er uiteindelijk toe om bedenkingen te uiten tegen bepaalde handelingen van Khiḍr. De reden hiervoor was dat hij Allah’s werken beoordeelde door de bril van de wet die hij had ontvangen. Hoewel de acties van Khiḍr correct waren, bleef de ware reden en wijsheid erachter verborgen voor profeet Mozes. Daarom riep elke handeling een bezwaar bij hem op. Pas toen hem werd uitgelegd hoe het werkelijk in elkaar zat, vielen de schellen van zijn ogen.

De hadith bevestigt dat toen Allah aan profeet Mozes vertelde dat degene met de meeste kennis hij is die kennis bij anderen zoekt, hij zijn enthousiasme om zijn kennis te vergroten niet kon bedwingen. Allah wenste ook dat hij, naast zijn kennis van de wet (sharī‘ah), een dieper begrip zou verkrijgen van de wijsheid achter Allah’s werken (taqdīr), zodat de mens werkelijk vrede kan hebben met Allah’s voorbestemde werken. Dit vormt de essentie van een ware moslim te zijn. Om dit doel te bereiken, beval Allah hem om verder te reizen naar de “samenvloeiing van de twee rivieren” (18:60), waar hij zijn leraar zou ontmoeten. Dit bevel lijkt op het bevel aan profeet Mozes om naar de berg Sinai te gaan om kennis van de geboden van de sharī‘ah te ontvangen.

Er ligt een diepere betekenis achter de naam “samenvloeiing van de twee rivieren”. Het lijkt erop dat Allah hiermee wilde aangeven dat deze plaats was aangewezen voor profeet Mozes om inzicht te verkrijgen in twee soorten rivieren: de rivier van kennis van de sharī‘ah (wet) en de rivier van de kennis van de wijsheid achter Allah’s werken (taqdīr).

Een andere symboliek ligt in de gebeurtenis waarin de vis die profeet Mozes op zijn reis had meegenomen in de zee verdween (vers 18:61). Hierin schuilt een subtiel punt van wijsheid: profeet Mozes was wat betreft zijn kennis van de sharī‘ah als een vis in het water, volledig in zijn element. Maar met betrekking tot zijn kennis van taqdīr was hij als een vis op het droge, spartelend en rusteloos om het water in te gaan. Toen hij vervolgens bij Khiḍr aankwam, die als het ware deze tweede rivier van kennis symboliseerde, kreeg Mozes van hem te horen in de woorden van de heilige koran:

“U kunt geen geduld met mij hebben. En hoe kunt u geduld hebben met datgene waarover u geen uitgebreide kennis hebt gekregen?“ (18:67-68).

Uit de woorden die Khiḍr tot hem sprak, kunnen we duidelijk opmaken dat het vragen betrof over zaken die Khiḍr op bevel van Allah moest uitvoeren. Aangezien profeet Mozes geen kennis droeg van de wijsheid en het nut die achter deze daden lagen, was hij niet in staat hierin geduld te betrachten.

Als we de daaropvolgende verzen bestuderen, ontdekken we dat deze betrekking hebben op bepaalde door Allah voorbestemde zaken. Naar mijn mening is het incorrect om te stellen dat dit een nieuwe vorm van sharī‘ah (wet) was. Geen enkele wet verleent immers een persoon de vrijheid om de boot van een ander te beschadigen met de gedachte om te voorkomen dat deze door iemand anders wordt toegeëigend. Evenmin staat een wet het toe om een onschuldige jongeman te doden met als excuus dat hij, eenmaal volwassen geworden, een zondig en zedeloos persoon zou zijn geworden. Evenmin verbiedt enige wet een persoon om loon te vragen voor constructiewerk of reparatie. Wat was dan de reden dat Khiḍr, enkel vanwege een simpele vraag van profeet Mozes over het niet aannemen van loon voor het optrekken van een muur, in woede ontstak en abrupt afscheid van hem nam? De hadith verwijst hiernaar en overlevert dat Khiḍr tegen profeet Mozes sprak:

“O Mozes, Allah heeft mij van Hemzelf die kennis gegeven waar u geen kennis van heeft, en u hebt van Allah die kennis ontvangen waar ik geen kennis van heb.”

Deze uitspraak maakt duidelijk dat de kennis van profeet Mozes een andere basis had dan die van Khiḍr. De kennis van profeet Mozes was gebaseerd op de sharī‘ah (wet), terwijl die van Khiḍr was gebaseerd op taqdīr (voorbestemming). Beide soorten kennis moesten daarom van elkaar verschillen. En het verschil was zo groot dat profeet Mozes zijn ongeduld niet kon bedwingen.

Het ging er dus in werkelijkheid om dat profeet Mozes, met Allah’s wil, enige kennis van taqdīr werd bijgebracht. Om deze kennis te verkrijgen, kreeg hij de opdracht om zich in afzondering volledig van de buitenwereld af te sluiten. Zo werd hem de plaats van de “samenvloeiing van de twee rivieren” getoond. Daar ontmoette hij in een visioen een engel, Khiḍr genaamd, die was aangesteld om dit plan te verwezenlijken. Om deze reden wordt dit voorval in de joodse geschriften aangeduid als de mi‘rāj (hemelvaart) van profeet Mozes.

En deze beschrijving is inderdaad correct. Als dit geen visioen was, hoe was het dan mogelijk dat Khiḍr een boot kon beschadigen in het bijzijn van de andere reizigers en de eigenaar van het vaartuig, terwijl zij stilzwijgend toekeken zonder hem te proberen tegen te houden of te protesteren? En hoe kon hij een jongeman doden en zich daarna vrij bewegen zonder dat iemand de zaak onderzocht? Als men hierop antwoordt dat er niet specifiek geschreven staat dat dit een visioen was, dan kan men opmerken dat de heilige koran evenmin expliciet vermeldt dat de mi‘rāj (hemelvaart) van profeet Mohammed een visioen was. Het enige wat in het vers staat, is: “Glorie zij Hem, Die Zijn dienaar in een nacht van de heilige moskee deed gaan naar de ver verwijderde moskee.” (17:1). En ook toen Maria, de moeder van profeet Jezus, door een engel werd bezocht met het goede nieuws dat zij een zoon zou baren, wordt er niet expliciet vermeld dat dit een visioen was. Samenvattend wil Allah dat de mens zijn verstand gebruikt en leert om diep na te denken over dergelijke zaken

In dit visioen werd aan profeet Mozes enige kennis gegeven over de aard van taqdīr (voorbestemming). Allah’s werken, die de mens in sommige gevallen niet kan doorgronden, werden in dit visioen in drie verschillende categorieën ingedeeld en aan hem getoond.

In het eerste geval wordt de vraag gesteld waarom een arme maar deugdzame man schade in zijn bezittingen zou moeten lijden. (Hij moest een kleine schade ondergaan om een veel groter verlies in de toekomst te voorkomen.) In deze zelfde categorie vallen alle van zulke gevallen waarbij een onschuldige persoon soms verlies in geld en bezit lijdt Soms treft dit verlies juist een zeer arme persoon, wat de vraag oproept waarom de Almachtige iemand die al zo weinig heeft, op zo’n manier beproeft. Voor de menselijke rede kan het moeilijk te begrijpen zijn waarom dergelijke beproevingen plaatsvinden.

Het tweede voorval legt uit waarom zelfs goede en vrome mensen zonder enige duidelijke aanwijsbare reden soms intens verdriet moeten doorstaan. Zo kunnen rechtschapen ouders hun zoon verliezen – en erger nog, in sommige gevallen zelfs hun enige zoon. (Allah kent de toekomst en wist welke pijn deze zoon zijn vrome ouders zou hebben bezorgd. Omdat zij zich geduldig neerlegden bij de wil van hun Schepper, compenseerde Hij hen met een grote beloning in de vorm van een rechtschapen zoon.)

De derde gebeurtenis geeft de reden waarom soms zelfs mensen die slecht doen en Allah’s geboden overtreden toch profiteren van Allah’s gunsten. Sterker nog, zij kunnen zelfs uit het niets geholpen worden en de ene gunst na de andere ontvangen. Zelfs een wijs persoon kan hierdoor niet bevatten waarom deze slechte mensen ogenschijnlijk zonder verdienste zoveel hulp krijgen.

(Deze hulp was niet bedoeld voor de slechteriken, maar voor sommige van hun arme, maar goede en vrome familieleden. Alleen Allah wist wie zij waren. Deze onschuldige personen waren dus het werkelijke doelwit van deze onzichtbare hulp, aangezien zondige mensen geen werkelijke hulp van Allah krijgen. Wanneer je dus ziet dat slechte mensen door Allah worden geholpen, dan is die hulp in werkelijkheid niet bestemd voor hen, maar voor degenen in hun omgeving die dat wél verdienen. Deze mensen zijn alleen bekend bij Allah en op het eerste gezicht kunnen gewone mensen deze wijsheid achter de handelingen van de Schepper niet doorgronden. Als bewijs hiervan vraagt de heilige koran ons herhaaldelijk om het einde van de zondigen te vergelijken met dat van de rechtschapenen: De goede afloop is alleen voor degenen die hun plichten vervullen tegenover Allah.”)

Deze drie categorieën omvatten de voorbestemde zaken (taqdīr) die de mens van tijd tot tijd overkomen. Ze kunnen hem zo in verwarring brengen dat hij soms de fout ingaat en twijfelachtige gedachten over de Almachtige begint te koesteren. Al deze gebeurtenissen werden aan profeet Mozes getoond in een visioen. En alle bezwaren en twijfels die bij de mens kunnen opkomen, kwamen ook bij hem op. Vervolgens werd de wijsheid en de ware realiteit achter elke gebeurtenis aan hem onthuld. Op deze manier zal de mens in het algemeen beseffen dat, als het om Allah’s werken gaat, er niets is wat de Almachtige zonder goede reden of achterliggende wijsheid doet.

Het is natuurlijk waar dat de gewone mens hier geen kennis van heeft. Dit gebrek aan begrip kan hem sceptisch maken. Daarom moet een ware dienaar van Allah zijn beperkte kennis afzetten tegen Allah’s volmaakte en allesomvattende kennis en geen twijfelachtige gedachten over zijn Schepper koesteren. In plaats daarvan moet hij zuivere gedachten over de Almachtige hebben en beseffen dat elke handeling van Allah gebaseerd is op de allergrootste wijsheid. Wanneer een dienaar met heel zijn hart de voorbestemde werken van Allah aanvaardt, bereikt zijn belijden van de islam een volmaakte vorm.

Net zoals de werkelijke acceptatie en gehoorzaamheid aan de geboden en verboden van Allah een essentiële tak van de islam vormen, zo vormt ook de oprechte aanvaarding van en onderwerping aan de voorbestemde werken (taqdīr) van de Almachtige een andere zeer belangrijke tak van de religie. Deze twee takken samen vormen de volmaakte islam, zoals de heilige koran ons leert:

“Nee, wie zich volledig aan Allah onderwerpt en hij is de doener van het goede (aan anderen), hij heeft zijn beloning van zijn Heer, en er is geen vrees voor hen noch zullen zij treuren.” (2:112)

Aanvullende noot

De koran bezit het bijzondere kenmerk dat het een boek is “waarin (alle) rechte boeken zijn,” (98:3). Dit betekent dat dit boek alle zuivere en nuttige leringen uit de vorige heilige geschriften heeft samengebracht. Daarom heeft Allah in de koran ook een aantal zaken vermeld, zodat de volgelingen van profeet Mohammed die kennis over Allah’s voorbeschikte werken (taqdīr) zouden verkrijgen, die profeet Mozes met aanzienlijke moeite zelf had verworven. Op deze manier zouden de moslims hun inzicht kunnen verbreden en werkelijk vrede kunnen vinden met de voorbeschikte handelingen van Allah. Bovendien zouden zij, onder alle omstandigheden – of die nu gunstig of moeilijk zijn – altijd positieve gedachten over Allah kunnen koesteren en tevreden met Hem kunnen zijn.

Maar de werken van Allah uit het visioen, die één bepaald aspect lieten zien, bevatten, naast de eerder genoemde inzichten, ook drie krachtige profetieën. Omdat profeet Mohammed een sterke gelijkenis vertoont met profeet Mozes, hebben de zaken die aan Mozes in de vorm van een visioen werden getoond ook betrekking op profeet Mohammed en werden ze in werkelijke zin vervuld in zijn leven.

Opvallend is dat onder de omstandigheden die zich in het leven van profeet Mohammed voordeden, er drie waren die door bepaalde mensen werden aangegrepen om hem aan te vallen. Dit kwam doordat zij de ware aard van deze gebeurtenissen niet begrepen. Door de voorvallen in het visioen van profeet Mozes zo uitgebreid in de koran op te nemen, was het niet alleen Allah’s bedoeling om deze als profetieën te laten gelden met betrekking profeet Mohammed, die tijdens zijn leven in vervulling gingen. Het doel was ook om licht te werpen op de werkelijke gedachte hierachter en zo de bezwaren en bedenkingen van mensen met een slecht begrip daarvan weg te nemen.

Zo laat het eerste voorval zien dat een boot onklaar werd gemaakt, zodat een tirannieke koning deze niet in beslag kon nemen. Dit verwijst naar het Arabische land. Dat land wordt vergeleken met een boot, omdat net zoals een boot bescherming biedt tegen een zeestorm, zo biedt de boodschap van een profeet verlossing aan de volkeren van de wereld. Toen Allah besloot om voor de verlossing van de gehele mensheid een boodschapper te zenden, maakte Hij het Arabische land “onklaar” door het een zandwoestijn te laten zijn. De reden hiervoor was dat het land op die manier niet aantrekkelijk zou zijn voor potentiële veroveraars. Zo kon zich daar een vrijdenkend volk ontwikkelen dat de boodschap van Allah aan de wereld zou overbrengen. Dit was het eerste bezwaar van de joden en de christenen: waarom was, van alle landen op de wereld, juist het Arabische land – een dorre woestenij – gekozen? Daarom werd de wijsheid hierachter aan hen uiteengezet.

In het tweede voorval werd de zondige zoon van vrome ouders gedood. De bedoeling hiervan is duidelijk te maken dat het uitroeien van het kwaad de wereld ten goede komt. Toen in Medina bepaalde kwaad stichtende joden werden gedood, wierpen sommige mensen daar bezwaren tegenin. Dit betrof de joden van Medina die, op een zeer subtiele wijze, het vredesverdrag met de moslims schonden. Terwijl de moslims van alle kanten door vijanden werden belaagd, spanden zij zich samen met de vijanden en lieten geen middel onbeproefd om hen te elimineren. Het voorval waarin Khiḍr iemand doodde, wijst erop dat het voor het land Arabië, en in het bijzonder voor het voortbestaan van de islam en de vrede en stabiliteit, uiterst noodzakelijk was dat specifiek deze kwaadwillende joden werden gedood.

Het derde voorval had tot doel het volgende duidelijk te maken: hoe zou een persoon – namelijk Mohammed, de Boodschapper van Allah – die zich dag en nacht zonder enige tegenprestatie inzette voor het welzijn en de hervorming van mensen die hem het liefst dood wensten, ooit een doodwens voor wie dan ook kunnen hebben? Een persoon die, zelfs als heerser van zijn land, als een arme sloeber door het leven ging en wiens hart week werd bij het zien van het leed van anderen, zou nooit iemand als zijn vijand kunnen beschouwen.

En de muur van die twee groepen – de joden en de christenen – die zich op een vreselijke manier misdroegen tegenover de Profeet en op instorten stond, werd door profeet Mohammed rechtovereind gehouden. Dat wil zeggen, hij bevestigde dat de Torah en de Evangeliën werkelijk van Allah afkomstig waren en dat hun profeten en boeken authentiek waren. Dit deed hij zonder enige beloning of wederdienst te vragen.

Dat er onder de muur een schat verborgen lag, duidt op de voorspelling van de komst van “het evenbeeld van Mozes,” namelijk profeet Mohammed. Hij verscheen en bevestigde dat hij het “evenbeeld van Mozes” was. Profeet Mozes had de betekenis van deze profetie verborgen gehouden voor zijn eigen tijd en ook voor de toekomst, zodat de mensen, wanneer zij hun spirituele vermogens volledig zouden benutten, konden begrijpen dat de Torah en de Evangeliën hen op deze manier leiding gaven.

Kortom, de gebeurtenissen die Khiḍr en Mozes beleefden, introduceerden geen nieuwe regels binnen de sharī‘ah (wet). Het was onnodig om voorschriften in de koran op te nemen die niet bedoeld waren om door mensen gevolgd te worden. Wel werden enkele principes met betrekking tot taqdīr (voorbestemming) geschetst. Deze principes dienden enerzijds om de mens in het algemeen eraan te herinneren dat hij, wanneer hij een bepaalde handeling van Allah niet begrijpt, niet overhaast bedenkingen daartegen moet hebben. In plaats daarvan moet hij proberen de diepere wijsheid erachter te doorgronden. En als hij die wijsheid niet kan achterhalen, dan moet hij toch gunstige gedachten over Allah blijven koesteren en Zijn voorbestemde werken met overtuiging aanvaarden. De juiste houding is dat de mens zich volledig onderwerpt aan de wetten die betrekking hebben op Allah’s taqdīr.

Aan de andere kant werd er ook licht geworpen op die gebeurtenissen in het leven van profeet Mohammed die voortkwamen uit Allah’s voorbeschikte werken. Dit waren zaken waarvan de diepere wijsheid en ware aard door sommige mensen, vanwege hun oppervlakkige begrip en overhaaste conclusies, niet werden begrepen. De koran maakt duidelijk dat al deze gebeurtenissen geworteld waren in de pure wijsheid van Allah en dat zij zowel wereldse als religieuze voordelen met zich meebrachten.

Einde noot

Terugkerend naar het vers dat we behandelen: “Geen ramp gebeurt op aarde of in uw levens, of het staat in een boek voordat Wij het tot stand brengen. Waarlijk, dat is Allah gemakkelijk.” De afsluitende woorden: “Waarlijk, dat is Allah gemakkelijk,” willen zeggen, dat Hij in een oogwenk machtige koninkrijken kan vernietigen, gigantische kastelen en paleizen tot de grond neerhalen en bruisende, weelderige bijeenkomsten veranderen in plaatsen van rouw. Goede daden, rijkdom, macht of autoriteit hebben daarop geen enkele invloed. Hij laat verschrikkelijke gebeurtenissen plaatsvinden op aarde, en niemand kan daaraan ontsnappen — of het nu een profeet of een vrome gelovige is, een heerser of een onderdaan, een rijke of een arme. Als iets vreselijks voorbestemd is, dan zal het onvermijdelijk plaatsvinden.

Een gelovige heeft dus de plicht om, voordat moeilijkheden en tegenslagen zich voordoen, stappen te ondernemen die hem helpen de oorzaken ervan te vermijden. De middelen die hij daarvoor tot zijn beschikking heeft, zijn onder andere gehoorzaamheid aan Allah’s geboden naar zijn beste vermogens, het geven van liefdadigheid en giften, en het verrichten van het formele gebed en istighfār (smeekbede om bescherming). Daarnaast moet hij elk van zijn handelingen zorgvuldig overdenken, wijsheid tonen bij de uitvoering ervan en zonder aarzeling overgaan tot goede daden. Luiheid of besluiteloosheid valt immers ook binnen de verboden van Allah waaraan hij zich dient te houden. Mocht hij ondanks al deze voorzorgsmaatregelen toch met tegenslagen worden geconfronteerd, dan dient de dienaar nog steeds blijmoedig en tevreden de wil van zijn Heer te accepteren. Daarom geven de volgende verzen ons het advies:


23. Opdat u niet bedroefd zult zijn over wat aan u is ontsnapt, noch zult jubelen over wat Hij u heeft gegeven. En Allah heeft geen verwaande opschepper lief.

Likailā ta’saw ‘alā mā fātakum wa lā tafraḥū bimā ātākum; wa-llāhu lā yuḥibbu kulla mukhtālin fakhūr.

24. Degenen die gierig zijn en de mensen gierigheid bevelen. En al wie zich omkeert, dan waarlijk, Allah is de Zichzelf genoegzame, de Geprezene.

Al-lazīna yabkhalūna wa ya’murūna-n-nāsa bi-l-bukhli; wa man yatawalla fa-inna-llāha huwa-l-ghaniyyu-l-ḥamīd.

Met andere woorden, het is de verantwoordelijkheid van een gelovige om zichzelf te beschermen tegen alle oorzaken die kunnen leiden tot leed en moeilijkheden als gevolg van zijn eigen verkeerde handelingen. Mocht hem, ondanks al zijn voorzorgsmaatregelen, toch een ramp overkomen die hij, hoe hard hij ook probeert, niet kan afwenden, en lijdt hij hierdoor verlies, zoals het verlies van bezittingen of een dierbare, dan zou hij daar niet over moeten treuren. Hij zou in plaats daarvan tevreden moeten zijn met alles wat zijn Heer behaagt.

Aan de andere kant, als Allah hem zou zegenen met iets goeds, dan mag dat hem niet naar het hoofd stijgen. Dat wil zeggen, hij mag zich niet laten meeslepen door arrogant te jubelen, want wat hij heeft gekregen, is slechts een geschenk van zijn Schepper.

Het vers leert ons dat Allah aan niets behoefte heeft en dat Hij Zijn gunsten uitsluitend uit Zijn eigen genade aan ons schenkt. Hij heeft noch onze rijkdom, noch iets anders van ons nodig. Wat Hij ook van ons vraagt, is enkel en alleen voor ons eigen welzijn. In werkelijkheid biedt dit ons de gelegenheid om zowel ons leven in deze wereld als ons leven in het hiernamaals tot bloei te brengen.

Laten we kijken naar de manier waarop Zijn prijzenswaardige eigenschappen op de wereld tot uiting komen. Er wordt ons verteld dat het prijzen van Hem ook in ons voordeel werkt. Dit komt omdat prijzen een bron van Zijn gratis gunsten aan ons vormt en ervoor zorgt dat wij onze morele eigenschappen kunnen verfraaien. Als Allah zou willen dan zou er van de lippen van de mens niets dan lofprijzingen komen. Het werkt echter niet op die manier, omdat Hij zelf niets nodig heeft. Zijn aard en eigenschappen op zich zorgen voor Zijn lofprijzing. Als niemand Hem zou prijzen, dan schaadt dat Hem niets, omdat Hij continu Al-Ḥamīd, de Geprezene, blijft. Met andere woorden, de eigenschap van geprezen zijn is onlosmakelijk in Zijn persoon aanwezig. Hij blijft daarom de Geprezene ook al zou niemand hem loven.

Natuurlijk brengt het prijzen van Hem voordeel voor degene die dit doet. Die persoon ontvangt er gratis beloningen voor en ziet zijn leven zowel in deze wereld als in de volgende tot bloei komen. Als Allah lofprijzing nodig zou hebben, zou Hij de mens zo hebben geschapen dat hij niets anders kon doen dan zijn Heer loven. Maar Hij heeft dat niet gedaan, omdat de mens dan niet uit vrije wil zou handelen en daardoor geen beloning waardig zou zijn. Degene die uitgeeft op de weg van de Almachtige en dit doet om Zijn lof over de hele wereld te verspreiden, handelt uitsluitend in zijn eigen voordeel, omdat Allah al deze zaken niet nodig heeft.

In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk werd gesproken over de onbeduidende en vergankelijke aard van geld en goed in deze wereld. De heilige koran wil ons er diep van doordringen dat we ons niet zodanig aan materiële zaken moeten hechten dat we de deugd van het uitgeven op de weg van Allah verwaarlozen. In plaats daarvan zouden we de goede zaken van dit leven moeten benutten om een beter leven in het hiernamaals op te bouwen. Dit is het ware doel van de mens.

Verder werd gezegd dat Allah voor Zijn dienaren zorgt. Wat Hij ook van ons vraagt — van de zaken die Hijzelf aan ons heeft geschonken — het is niets anders dan een lening. En Hij heeft beloofd het aan ons terug te geven, nadat Hij het vele malen heeft vermeerderd. Aan de andere kant zouden we onszelf moeten afvragen: is het niet mogelijk voor de Almachtige om, als Hij dat wil, al onze gunsten en rijkdommen van ons af te nemen, zodat we met lege handen achterblijven? Inderdaad, iedereen heeft wel ervaren dat Allah de mens van alles ontneemt, terwijl hij daar niets aan kan doen. Gezegend is dus degene die gehoor geeft aan de roep van zijn Schepper, Hem uit eigen beweging prijst en besluit om onbaatzuchtige offers op Zijn pad te brengen.

Dit hoofdstuk legt de nadruk op het belang van onbaatzuchtigheid en opoffering voor Allah. Vervolgens wordt de reden hiervoor gegeven: de Almachtige heeft door de geschiedenis heen steeds boodschappers naar de mensen gestuurd met een leer die gericht was op het nastreven van een evenwichtige en gematigde manier van leven. Degenen die er echter voor kozen de waarheid te verwerpen en zich boosaardig te gedragen, bestreden de boodschappers van Allah en probeerden hen te elimineren. Aan de andere kant wenste Allah, door middel van Zijn boodschappers en Zijn geopenbaarde boeken, gerechtigheid, gelijkheid, vrede en vrijheid van gedachte onder de mensen te vestigen.  In deze strijd tussen waarheid en onwaarheid biedt de Almachtige de gelovigen de mogelijkheid om Zijn wet op aarde te vestigen door hun bezittingen en hun leven op Zijn weg te besteden. Hierdoor zullen Zijn schepselen profiteren van wat voor hen bestemd is, en zullen zij tevens van hun Heer de beloning voor hun goede daden ontvangen.

De boodschappers, die soms geen andere keuze hadden dan het zwaard op te nemen en oorlog te voeren, deden dit nooit met dezelfde bedoelingen als wereldlijk gerichte mensen. Met andere woorden, zij streefden niet naar rijkdom of macht. Hun enige doel was daarentegen het fundament van gerechtigheid, gelijkheid, vrede en vrijheid van gedachte op aarde te doen herleven.

Zo waren ook de omstandigheden van profeet Mohammed. Het was hem verboden om zelfs maar de naam van Allah uit te spreken, en degenen die in Allah geloofden, werden vervolgd, mishandeld en zelfs gedood. In plaats van gerechtigheid, gelijkheid, vrede en vrijheid van gedachte, heersten er in zijn hele land onrechtvaardige wreedheid en onderdrukking. Deze situatie, die vol gevaar was voor de gelovigen, vroeg erom dat Allah Zijn hulp vanuit de hemel zou sturen. Maar om die hulp te laten komen, was het nodig dat de gelovigen de hulp van Allah naar zich toe trokken door onbaatzuchtige offers te brengen. Zij moesten zichzelf in de ogen van de Almachtige waardig maken om eer en beloning te ontvangen. Met dit in gedachten vertelt het volgende vers ons:


25. Zeker zonden Wij Onze boodschappers met duidelijke bewijsgronden (bayyināt), en zonden met hen het boek en de weegschaal (mīzān) neer, opdat de mensen rechtvaardig zouden handelen. En Wij zonden ijzer neer, waarin grote kracht en voordelen voor de mens zijn, en opdat Allah zal weten (ya‘lama-llāh) wie Hem en Zijn boodschappers helpt, ongezien. Waarlijk is Allah Degene met volledige kracht, volledige heerschappij.

Laqad arsalnā rusulanā bi-l-bayyināti wa anzalnā ma‘ahumu-l-kitāba wa-l-mīzāna li-yaqūma-n-nāsu bi-l-qisṭi; wa anzana-l-ḥadīda fīhi ba’sun shadīdun wa manāfi’u li-n-nāsi wa li-ya‘lama-llāhu man yanṣuruhū wa rusulahū bi-l-ghaibi; inna-llāha qawiyyun ‘azīz.

Het werkwoord ya’lama, in ya’lama-llah (Allah zal weten) is afgeleid van ‘alima (weten), en betekent dat Allah het resultaat van iets te weten is gekomen. Dit betekent dat Allah’s weten hier betrekking heeft op de kennis die volgt na het plaatsvinden van een handeling.  Met andere woorden, Allah bezit een vorm van kennis die pas optreedt nadat een daad is verricht.

Toch beschikt Hij ook over kennis vóórdat een handeling plaatsvindt. Dat wil zeggen, Hij weet van een gebeurtenis voordat deze werkelijkheid wordt. Hij baseert echter de consequenties van een daad niet op deze voorkennis. Pas nadat de handeling is verricht, verandert Zijn voorkennis in kennis na het plaatsvinden van de gebeurtenis. Op basis daarvan bepaalt Allah de uiteindelijke consequenties.

We dienen er echter aan te denken dat Allah’s kennis van de tijd niet vergelijkbaar is met onze kennis van de tijd. Allah’s kennis is alomvattend; Hij heeft dus ook kennis van een gebeurtenis nog voordat deze heeft plaatsgevonden. Maar hoewel Allah deze voorkennis bezit, neemt Hij niet onmiddellijk een besluit om de consequenties van die gebeurtenis in gang te zetten. Pas wanneer die gebeurtenis daadwerkelijk plaatsvindt, neemt Zijn kennis vooraf van die gebeurtenis de vorm aan van kennis na het plaatsvinden daarvan. Op dat moment neemt Allah een besluit en zet Hij, in overeenstemming met de daadwerkelijk voltrokken gebeurtenis, de gevolgen ervan in gang.

Men mag zich wat dit punt betreft niet laten misleiden en denken dat, omdat Allah van tevoren weet wat er zal gebeuren, de mens daardoor gedwongen is die handeling te verrichten zonder keuzevrijheid. Dit is een verkeerde denkwijze. Allah’s voorkennis van een gebeurtenis dwingt de mens op geen enkele manier om te handelen op een manier die vooraf door Allah is bepaald. De reden hiervoor is dat onze beperkte menselijke kennis in een geheel andere verhouding staat tot Allah’s kennis van iets voordat het plaatsvindt. Zijn kennis is in werkelijkheid altijd de kennis van een gebeurtenis nadat die heeft plaatsgevonden, omdat een gebeurtenis die voor ons in de toekomst ligt, voor Allah een gebeurtenis is die op elk moment voor Zijn ogen aanwezig is.

Wij kunnen aan Allah nooit de begrippen verleden, heden en toekomst toeschrijven. Zijn kennis omvat de gehele periode, vanaf het begin van de schepping tot in de oneindigheid, als één enkel moment. Voor Hem bestaan er geen onderscheiden tijdsfasen zoals verleden, heden of toekomst.

Een voorbeeld: Zaid heeft Bakr vermoord. Het hele incident voltrok zich voor Allah’s ogen in één enkel moment — voordat het gebeurde, terwijl het plaatsvond en nadat het had plaatsgevonden. Wanneer Allah een profetie doet dat Zaid op een dag Bakr zal doden, dan doet Hij deze uitspraak terwijl Hij in feite het hele incident voor Zich ziet, zelfs voordat het plaatsvond. Voor ons blijft de toekomst verborgen; wij kunnen toekomstige gebeurtenissen niet waarnemen. Maar het oog van Allah omvat alles — Hij ziet toekomstige gebeurtenissen en maakt deze aan ons bekend, net zoals wij verslag zouden doen van een gebeurtenis die zich nu voor onze ogen afspeelt of reeds heeft plaatsgevonden.

Wanneer we de woorden ya’lama-llah opvatten in de betekenis van een “teken”, dan betekent het: “zoals Allah zich openbaart,” of “zodat een onderscheid wordt vastgesteld.” Deze betekenis ligt meer voor de hand liggend dan de hierboven uitgelegde betekenis van Allah’s voorkennis.

In het vers komt het woord mīzān (maat) voor, wat hier rechtvaardigheid betekent. De leringen van Allah zijn op zichzelf volmaakt in balans, en dit stelt de mens in staat om rechtvaardigheid te betrachten. Dat wil zeggen, wanneer een persoon zijn plichten tegenover Allah en tegenover zijn medemensen vervult, elk onder de juiste omstandigheden, en hij deze plichten op een rechtvaardige en correcte wijze naleeft, dan bereikt hij daadwerkelijk een absolute schoonheid van gedrag. Met andere woorden, ware schoonheid schuilt in het bewaren van evenwicht bij het nakomen van onze plichten jegens onze Schepper en jegens onze medemens. Het is niet juist om ons uitsluitend te richten op onze plichten tegenover onze medemens en daarbij onze plichten tegenover Allah te vergeten. Evenmin staat de islam toe dat men zo volledig opgaat in het vervullen van onze plichten jegens Allah, dat wij onze verantwoordelijkheden jegens onze medemens verwaarlozen, zoals monniken in sommige religies doen. Het volgende verhaal illustreert dit.

Op een dag kwam een vrouw op bezoek bij A’isha, de vrouw van profeet Mohammed. Ze was onlangs getrouwd, maar haar kleding zag er armoedig en slordig uit. A’isha vroeg haar hoe het kwam dat zij vóór haar huwelijk wel prachtig gekleed ging. De vrouw antwoordde: “Voor wie zou ik mij mooi maken? Mijn man vast elke dag en brengt de hele nacht door in gebed. Hij besteedt nooit aandacht aan mij.” A’isha bracht de Profeet hiervan op de hoogte. Hij liet de betreffende metgezel onmiddellijk bij zich komen en vroeg hem met boosheid wat voor gedrag hij vertoonde. Vervolgens zei hij tegen hem: “Ik bid ook, maar ik slaap ook. En soms vast ik, maar soms ook niet.” Met andere woorden, hij wees de echtgenoot erop dat hij niet het gedrag van monniken moest overnemen. Daarna beval hij hem om naar huis te gaan en aandacht te schenken aan de behoeften van zijn vrouw. Toen de man antwoordde dat hij op dat moment aan het vasten was, gaf de Profeet hem het bevel: “Verbreek uw vasten.”

Kortom, dit soort monnikengedrag ontstaat uit een gebrek aan evenwicht (mīzān). In plaats daarvan moeten we ervoor zorgen dat aan Allah toekomt waar Hij recht op heeft, en aan onze medemensen waar zij recht op hebben. Bovendien dienen wij onze verplichtingen tegenover anderen volgens de juiste balans te vervullen. Als we bijvoorbeeld onze ouders ondersteunen in hun behoeften, mogen we onze echtgenotes en kinderen niet vergeten, en vice versa. Evenzo moeten we niet zo ver gaan in ons dienstbetoon aan vrienden, dat we vreemden geheel negeren, en andersom.

Op dezelfde manier is het buitengewoon belangrijk dat de mens in zijn morele eigenschappen evenwichtig is. Als de omstandigheden erom vragen om liefde en tederheid te tonen, dan moeten we dat doen. Maar als de omstandigheden vragen om streng te zijn, dan moeten we die eigenschap laten zien. Alleen dan kun je een bepaalde eigenschap hoogstaand noemen. Altijd hard of juist altijd zacht zijn, ongeacht de omstandigheden, kun je geen hoogstaand moreel gedrag noemen

De leringen die Allah’s volmaakte boek ons geeft, zijn op zichzelf volkomen in balans. Dat wil zeggen, het belichaamt een perfect evenwicht tussen de plichten van de mens tegenover Allah en tegenover Zijn schepselen. Dit evenwicht is tevens aanwezig in alle wederzijdse sociale verplichtingen tussen mensen, evenals in de morele eigenschappen van ieder individu. Op deze manier blijven rechtvaardigheid en gelijkheid in de wereld gewaarborgd.

Dit is de reden waarom het vers ons vertelt dat Allah Zijn boodschappers, samen met het boek en de mīzān (weegschaal), ook met bayyināt heeft gestuurd. Dat wil zeggen: duidelijke argumenten en tekenen, waardoor harmonie, rechtvaardigheid en gelijkheid tussen de volkeren van de wereld blijven bestaan.

Het is waar dat de boeken van alle profeten de bovenstaande karakteristieke leringen ook bevatten. Echter, afhankelijk van de omstandigheden van hun tijd, werd in sommige boeken meer nadruk gelegd op strengheid, terwijl in andere juist meer op zachtheid. De omstandigheden in de tijd van profeet Mozes vereisten bijvoorbeeld een grote mate van strengheid in zijn leringen, terwijl in de tijd van profeet Jezus juist het tegenovergestelde gold.

Als er echter één boek is dat in elk tijdperk en onder elke omstandigheid perfecte harmonie kan laten zien, dan is dat de heilige koran. De beginselen die we hierin aantreffen — die harmonie en evenwicht bewerkstelligen tussen de Almachtige en de mens, tussen mensen onderling en in het innerlijk van de mens — zijn onovertroffen. De manier waarop strengheid op het juiste moment en zachtheid onder de juiste omstandigheden worden uiteengezet, is zo prachtig, dat de rechtvaardigheid die daaruit tot stand komt niet te evenaren is. Bovendien wordt elk principe met zo’n wijsheid en zo veelomvattend uiteengezet, dat het — ongeacht de omstandigheden van een tijdperk of een volk — altijd leidt tot evenwichtig handelen. Als er dus één boek is dat, in overeenstemming met de heldere betekenissen van het woord mīzān (balans en maat), deze naam verdient, dan is het de heilige koran.

Volgens sommige mensen betekent mīzān het voorbeeld (sunnah) van een profeet. Dit is een correcte interpretatie, want net zoals Allah’s boek een mīzān is, is een profeet — die zijn gedrag naar dit boek vormgeeft en zo een voorbeeld voor iedereen is — in feite een levende en aanwezige mīzān. Door zijn voorbeeld schetst hij voor de wereld een beeld van de harmonie en de gulden middenweg die Allah onder de mensheid wil bewerkstelligen door middel van Zijn boeken Dit is de reden waarom A’isha dit antwoord gaf aan iemand die haar vroeg iets te vertellen over het leven en de moraal van haar echtgenoot, profeet Mohammed: “Zijn morele deugden waren de heilige koran.” Hiermee bedoelde ze dat wie wilde weten hoe het leven van de Profeet eruitzag, de koran moest bestuderen. Want als iemand zijn morele eigenschappen in evenwicht wil houden en de gulden middenweg wil volgen, dan kan hij of zij dit allemaal terugvinden in het karakter van de Profeet.

Kortom, in al zijn eigenschappen en onder alle omstandigheden muntte profeet Mohammed uit als het perfecte voorbeeld. In elk facet van zijn leven belichaamde hij de harmonie en de gulden middenweg die Allah’s boek, de heilige koran, in leven wenst te roepen. Het is dus door dit boek en dit voorbeeld bij uitstek dat rechtvaardigheid en gelijkheid, vrede en vrijheid van denken in de wereld kunnen bestaan. Dit is de reden waarom Bernard Shaw, de beroemde Engelse schrijver, volkomen gelijk had toen hij zei dat, als profeet Mohammed naar de aarde zou terugkeren, alle kwalen van de wereld onder zijn leiding opgelost zouden kunnen worden.

Het vers vervolgt met:

“En Wij zonden ijzer neer, waarin grote kracht en voordelen voor de mens zijn.”

Na het noemen van het boek en de weegschaal — wat respectievelijk verwijst naar de heilige koran en het voorbeeld van profeet Mohammed, of de evenwichtige leringen van de koran — vermeldt het vers direct hierna het naar beneden zenden van ijzer. Op het eerste gezicht kan het vreemd lijken dat deze twee begrippen, het boek en het ijzer, zo dicht bij elkaar staan. Dit roept de vraag op of er een wederzijds verband bestaat tussen het neerzenden van het boek en het neerzenden van ijzer.

Om dit verband te verklaren, hebben veel religieuze geleerden de betekenis van ijzer beperkt tot het zwaard, enkel en alleen omdat een zwaard van ijzer is gemaakt. Op basis hiervan beweer men dat het noodzakelijk is het zwaard te hanteren om de wet van Allah op aarde te vestigen. Binnen zekere grenzen en onder bepaalde uitzonderlijke omstandigheden kan het gebruik van het zwaard inderdaad gerechtvaardigd zijn. Wanneer ernstige belemmeringen ontstaan bij het vestigen van Allah’s wet op aarde — doordat tegenstanders zelf het zwaard opnemen om de religie van Allah te vernietigen — hebben de gelovigen geen andere keuze dan hun toevlucht te nemen tot het zwaard. Dit echter slechts als laatste redmiddel en uitsluitend uit zelfverdediging.

De heilige koran heeft echter absoluut nergens het zwaard zo belangrijk gemaakt en verklaard dat het een krachtig en onmisbaar instrument is om de religie van Allah te verspreiden. Er wordt nergens gesteld dat daar waar sprake is van het neerzenden van het boek, ook het neerzenden van het zwaard daar moet worden aangetroffen. Is dit niet onmiskenbaar in tegenspraak met het leidende principe dat de koran vastlegt: “Er is geen dwang in religie,” (2:256)?

Mijn mening is dat wanneer Allah zegt: “Wij zonden ijzer neer”, dit uitsluitend verwijst naar de heilige koran. Dit boek wordt namelijk in figuurlijke zin ijzer genoemd. Het is algemeen bekend dat wanneer twee dingen sterk op elkaar lijken en men het ene figuurlijk aanduidt als het andere, dit een metaforische uitdrukking wordt genoemd. Als we bijvoorbeeld iemand willen kenschetsen vanwege zijn moed, dan zeggen we dat die persoon zo moedig is als een leeuw. Dit noemen we een vergelijking. Wanneer we de eigenschap van moed echter nog sterker willen benadrukken, dan laten we de vergelijking weg en zeggen we: “Die man is een leeuw.” Met andere woorden, wij gebruiken het woord leeuw direct voor de persoon, en dit noemen we een metafoor. Dit is in dit vers ook het geval: de heilige koran wordt, vanwege zijn sterke gelijkenis met ijzer, in metaforische zin ijzer genoemd. De daaropvolgende woorden geven de reden hiervoor aan: “waarin grote kracht en voordelen voor de mens zijn.”

Laten we nu kijken naar de kenmerken van ijzer vanuit de twee hierboven genoemde aspecten: “grote kracht” en “voordelen voor de mens.”

1. Ten eerste duidt het op de sterkte van dit metaal en op het feit dat het iets is waarvoor men ontzag zou moeten hebben. Iedere oplettende persoon zal beseffen dat geen enkel ander materiaal ter wereld de fenomenale kracht bezit die ijzer heeft. Een ijzeren hamer, bijvoorbeeld, is zo sterk dat hij een steen tot gruzelementen kan slaan. Ditzelfde metaal wordt gebruikt voor het vervaardigen van geweren, pistolen, kanonnen, kogels en andere wapens. Wanneer deze wapens tegen een individu worden ingezet, kost het hem onherroepelijk zijn leven. Ook tanks, oorlogsschepen en gevechtsvliegtuigen worden van ijzer gemaakt. Wanneer een land een ander land met deze middelen aanvalt, zaait dit alom dood en verderf. Daarom vormt elk land of individu dat de bovengenoemde oorlogstuig bezit een ernstig gevaar voor zijn vijand.

2. Ten tweede zullen we nu bekijken welke verschillende voordelen ijzer heeft voor de mens. Allereerst, wanneer de mens ijzerhoudend voedsel eet en dit een vast onderdeel van zijn voedingspatroon maakt, zal hij merken dat er geen ander middel is dat zijn lichamelijke en verstandelijke vermogens zoveel kracht en vitaliteit geeft als ijzer—zelfs niet goud, zilver, parels of robijnen.

Als we daarnaast kijken naar de verschillende toepassingen van ijzer, zien we dat er op het gebied van transport niets anders is dat de mens zo behulpzaam is bij het verplaatsen van de ene plaats naar de andere als vervoersmiddelen gemaakt van ijzer. Spoorwegen en treinen, auto’s, vliegtuigen, stoomschepen en de verschillende motoren voor al deze transportmiddelen, evenals bruggen en spoorlijnen — kortom, alle bruikbare en nuttige middelen die de mens comfort en gemak bieden tijdens zijn reizen en hem in staat stellen om snel van de ene bestemming naar de andere te gaan — deze zijn hem allemaal ten goede gekomen door middel van ijzer.

Verder hebben we in de wereld machines en fabrieken die werk, dat vroeger jaren duurde, nu binnen enkele dagen kunnen uitvoeren. Wat voorheen dagen in beslag nam, kan nu in minuten worden gerealiseerd. Ook deze meest geavanceerde en kostbaarste machines, waarop de wereld vertrouwt voor haar gemak en comfort, zijn gemaakt van ijzer.

De reden waarom de heilige koran met ijzer wordt vergeleken, is om te benadrukken dat, net zoals ijzer in de fysieke wereld zowel gevaren als voordelen voor de mens bevat, dit in spirituele zin ook geldt voor de heilige koran. Dit is eerder al verduidelijkt met de woorden: “opdat de mensen rechtvaardig zullen handelen.” Dit is het doel van de heilige koran, evenals van alle andere geopenbaarde boeken, maar met één belangrijk verschil: de heilige koran is, meer dan enig ander boek, het meest geschikt om rechtvaardigheid, gelijkheid, vrede en vrijheid van denken over de wereld te verspreiden. Bovendien bezit dit boek, meer dan de andere boeken, verschillende bijzondere eigenschappen die ook kenmerkend zijn voor ijzer.

In de eerste plaats zullen allen die de verspreiding van de bovengenoemde principes — rechtvaardigheid, gelijkheid, vrede en vrijheid van denken — alsook van waarheid en gerechtigheid in de wereld belemmeren, ontdekken dat de koran zich daartegen krachtig heeft bewapend. Met andere woorden, het is een waarheid van zulk een enorme kracht dat het de onwaarheid tegen de vlakte slaat, zoals de koran in een ander vers zegt:

“Wij werpen de waarheid tegen de valsheid zodat die haar hoofd breekt.” (21:18).

Dat wil zeggen, de heilige koran bevat zoveel duidelijke argumenten en onweerlegbare bewijzen tegen onwaarheid, dat deze er niet tegen bestand is en uiteindelijk volledig teniet wordt gedaan. Vers 8:42 van de koran wijst op ditzelfde punt:

“Opdat hij die vergaan zou met een duidelijk bewijs zou vergaan, en hij die leven zou met een duidelijk bewijs zou leven.”

Dit is de bijzondere eigenschap van de heilige koran waar de woorden “grote kracht” op wijzen en die het onderscheidt van elk ander religieus boek. Welke bewering de koran ook naar voren brengt, hij ondersteunt deze met zijn eigen bewijzen. Deze bewijzen zijn zodanig dat zij de waarheid bevestigen en onwaarheid weerleggen en tenietdoen. Dit is de unieke bijzonderheid van de heilige koran die de mujaddid (hervormer) van deze tijd, Mirza Ghulam Ahmad, op zeer krachtige wijze aan de wereld presenteerde.

Toen er eens een debat plaatsvond in Amritsar tussen Mirza Ghulam Ahmad en pater Abdullah Atham over de islam en het christendom, deed Mirza Ghulam Ahmad het voorstel dat hij al zijn stellingen, die hij uit de heilige koran naar voren bracht, zou ondersteunen met bewijzen uit de heilige koran zelf. Hij verzocht Abdullah Atham hetzelfde te doen met betrekking tot de evangeliën. Abdullah Atham was hier echter niet toe in staat. Gedurende vijftien opeenvolgende dagen van het debat staafde Mirza Ghulam Ahmad alle stellingen die hij naar voren bracht door middel van bewijzen uit de heilige koran zelf.

Het volgende bijzondere kenmerk van de heilige koran is als volgt: wanneer een persoon de leringen van de heilige koran als ijzerhoudend voedsel tot zich neemt, zal hij merken dat dit de meest effectieve versterking is die hij als spiritueel voedsel kan verkrijgen. Degene die deze versterking tot zich neemt, zal de kracht van staal ontwikkelen om de verschillende stadia van spirituele vooruitgang te doorlopen. Bovendien zal hij de kracht verkrijgen om tegenstanders te confronteren.

Toen een vooraanstaande missionaris van onze Beweging, Kamal ud-Din, naar Engeland ging om de islam te verspreiden, veroorzaakten de zuivere en heilige leerstellingen van deze religie zo’n consternatie onder de mensen van dat land dat de christelijke geestelijken grote ophef maakten. Bijzonder gepikeerd was pater Zwemer, die een uitgesproken vijandige houding tegenover de islam aannam en daarom met veel bombarie de confrontatie aanging met Kamal ud-Din. Precies op dat moment kreeg Kamal ud-Din een visioen waarin hij zag hoe stukken ijzer uit de hemel neerdaalden en zijn lichaam binnendrongen. Tegelijkertijd hoorde hij een stem die zei: “Wij zonden ijzer neer, waarin grote kracht zit.” Hierna ontving hij zo’n diepgaande kennis en inzicht uit de heilige koran dat pater Zwemer teleurgesteld en verslagen van het debat afdroop. Dit is één aspect van de “voordelen voor de mens” die de heilige koran biedt.

Het tweede aspect is dat, net zoals een persoon snel kan reizen met treinen, auto’s en vliegtuigen die van ijzer zijn, zo ook de spirituele reiziger door middel van de heilige koran gemakkelijk en snel alle stadia van spirituele vooruitgang kan doorlopen. Daarnaast geldt dat machines en fabrieken, die van ijzer zijn gemaakt, de mens in staat stellen om met gemak en in overvloed allerlei nuttige zaken te verkrijgen die zijn rust en comfort bevorderen. Op dezelfde manier stelt de heilige koran de mens in staat om moeiteloos en in overvloed spirituele vruchten en spirituele vooruitgang te verkrijgen. Deze middelen zal hij tevergeefs in een andere godsdienst aantreffen.

Degene die de leringen van de heilige koran zijn hart laat binnengaan en leeft volgens de principes die deze verkondigt, zal ongetwijfeld spirituele kracht en versterking ontvangen. Hij zal snel alle stadia van zijn spirituele reis doorlopen en overvloedig profiteren van de spirituele vruchten en vooruitgang die de koran biedt. Bovendien zal degene die de koran als wapen gebruikt in zijn confrontatie met een vijand van de islam ongetwijfeld de onwaarheid overwinnen.

Het vers besluit met de verklaring dat Allah waarlijk volledige macht en heerschappij bezit. Wanneer Hij de gelovigen vraagt om onbaatzuchtige offers te brengen ter ondersteuning van Hem en Zijn boodschappers die Hij naar de wereld heeft gezonden, betekent dit niet dat Hij ergens behoefte aan heeft. Hoe zou Hij iets nodig kunnen hebben, terwijl Zijn overweldigende macht en heerschappij over alle dingen volmaakt zijn? Zijn enige bedoeling is om onder de gelovigen degenen te verheffen die hun geloof bewijzen door onbaatzuchtige daden van opoffering te verrichten. Hierdoor verdienen zij immense beloningen en zegeningen van Hem, zowel in deze wereld als in het hiernamaals.


Paragraaf 4

In de afsluitende verzen van de vorige paragraaf kwam aan de orde dat het boek dat een boodschapper van Allah naar de wereld bracht, bedoeld was om de principes van evenwicht en gematigdheid onder de mensen te vestigen. Deze idealen vormen het rechte pad (ṣirāṭ al-mustaqīm), dat de mens naar zijn bestemde doel zal leiden, mits hij dit bewandelt.

Deze paragraaf waarschuwt ons dat wanneer we, hetzij naar links of naar rechts, afwijken van de leringen van dit boek, we onszelf naast het rechte pad plaatsen en ons bestemde doel niet kunnen bereiken. Als we niet gehoorzamen aan de leringen die het boek van Allah ons geeft, of als we tekortschieten in onze naleving ervan, dan is dit een uiterst ernstige zaak. Dit tekortschieten wordt tafrīṭ genoemd.

En als we daarentegen in onze gehoorzaamheid aan de leringen van Allah’s boek de grenzen opzoeken, waardoor evenwicht en gematigdheid verloren gaan en we daarin beginnen te overdrijven, dan is ook dit een zeer ernstige zaak. Dit overdrijven wordt ifrāṭ genoemd. Het is daarom het voorbeeld van Allah’s boodschappers dat ons het juiste beeld van balans en gematigdheid verschaft. Wanneer we dat voorbeeld nauwgezet volgen en gehoor geven aan hun instructies om onbaatzuchtige offers te brengen op de weg van Allah, dan zullen we Zijn zegeningen ontvangen, zowel in deze wereld als in het hiernamaals.


26. En voorzeker zonden Wij Noach en Abraham, en onder hun nageslacht plaatsten Wij (een aaneenschakeling van) het profeetschap en het boek. En onder hen zijn er die de rechte weg gaan. En de meesten van hen zijn overtreders.

Wa laqad arsalnā nūḥan wa ibrāhīma wa ja‘alnā fī zurriyyatihima-n-nubuwwata wa-l-kitāba fa-minhum muhtadin; wa kathīrun minhum fāsiqūn.

De Kinderen van Israël en de Kinderen van Ismaël delen een gemeenschappelijke voorouder. Hun zeer illustere voorvader was profeet Noach (v.z.m.h.), een buitengewoon eminente en glorieuze profeet in de geschiedenis. Uit zijn geslachtslijn kwam profeet Abraham (v.z.m.h.) voort, die in grootsheid en waardigheid op een bijzonder hoog voetstuk stond — hoger zelfs dan andere profeten, zoals blijkt uit de heilige koran. Tijdens zijn hemelvaart (mi‘rāj) zag profeet Mohammed (v.z.m.h.) hem in de zesde hemel, hoger dan alle andere profeten. Met de komst van profeet Abraham werd deze enkele geslachtslijn, die bij profeet Noach begon, opgesplitst in twee familielijnen. Dit gebeurde doordat hij twee zonen had: profeet Isaak (v.z.m.h.) en profeet Ismaël (v.z.m.h.).

Uit de geslachtslijn van profeet Isaak (v.z.m.h.) kwam profeet Jakob (v.z.m.h.) voort, die de naam Israël kreeg, wat strijder of dienaar van God betekent. Hij was de stamvader van de Israëlieten.

Aan de andere kant waren de Ismaëlieten de afstammelingen van profeet Ismaël (v.z.m.h.). Hoewel er vele profeten uit de Kinderen van Israël voortkwamen, waren zij allen gebonden aan één volk. De geslachtslijn van Ismaël ontving echter de bijzondere gift van slechts één profeet: profeet Mohammed (v.z.m.h.), de laatste profeet van Allah. Hij werd gezonden naar alle volkeren ter wereld, zoals de heilige koran zegt:

“En Wij hebben u slechts gezonden als een brenger van goed nieuws en als een waarschuwer voor de hele mensheid.” (34:28)

Elk volk op de wereld had zijn eigen profeet, zoals de heilige koran zegt:

“En voor ieder volk is er een boodschapper.” (10:47)

Het vers dat we hier bespreken, wil benadrukken — en ons ook waarschuwen — dat het boek van Allah een mīzān (balans en maatstaf) is. Wanneer men hiervan afwijkt, hetzij naar het ene of het andere uiterste, leidt dit onvermijdelijk tot falen en verlies. Om dit punt te verduidelijken, gebruikt het vers een vergelijking uit de geschiedenis.

Het vers maakt echter alleen gewag van die profeten over wiens levensgeschiedenissen geen twijfel of onzekerheid bestaat en helder voor onze ogen staan. En het is een feit dat, wanneer een gelijkenis niet helder en duidelijk is, het geen effect heeft op de mensen. Dit is de reden waarom, na het noemen van profeet Noach en profeet Abraham, en de voortzetting van het profeetschap en de geopenbaarde boeken onder hun nageslacht, het vers ons het volgende wil zeggen: Kijk, zij die de leringen van Allah naleefden, hooghielden en voldeden aan het principe van de weegschaal van evenwicht en gematigdheid, vonden de rechte weg en succes en bereikten hun bestemde doel. Maar degenen die deze leringen verwierpen of tekortschoten in hun naleving ervan, en daardoor niet voldeden aan de door Allah aangewezen maatstaf van evenwicht en gematigdheid, werden als overtreders beschouwd. Met andere woorden, omdat hun morele eigenschappen en daden in strijd waren met Allah’s wil en tevredenheid, en niet gebaseerd waren op evenwicht en gematigdheid, werden zij als overtreders en slechteriken bestempeld.

Mensen hebben allemaal dezelfde soorten verlangens en emoties. Wanneer zij deze bij de juiste gelegenheid en op het juiste moment aan de dag leggen, in overeenstemming met de principes van evenwicht en gematigdheid, kunnen wij hen goede mensen noemen. Maar wanneer iemand zijn verlangens en emoties uitoefent in strijd met deze principes, dan beschouwen wij zo iemand als een slecht mens.

Als men bijvoorbeeld de emotie van boosheid op het juiste moment en bij de juiste gelegenheid toepast, dan uit zich dit in moed, dapperheid en eergevoel — allemaal nobele eigenschappen. Maar wanneer diezelfde boosheid bij de verkeerde gelegenheid wordt toegepast, kan dit gemakkelijk leiden tot moord, wreedheid en bloedvergieten. Evenzo, wanneer men zachtheid toont op de juiste tijd en omstandigheid, wordt dit gezien als verdraagzaamheid, beleefdheid, nederigheid en zachtmoedigheid. Maar als men zachtheid toont bij een ongepaste gelegenheid, zal men het opvatten als oneerbaarheid, schaamteloosheid, lafheid en zwakte.

Eens vroeg iemand aan kalief ‘Oemar: “In de dagen van onwetendheid was u altijd driftig. Hoe is de situatie nu?” Hierop antwoordde ‘Oemar: “In die dagen gebruikte ik mijn drift op de verkeerde momenten. Nu gebruik ik het op de juiste momenten.”

Zo zijn er tegenwoordig veel mensen die de principes van evenwicht en gematigdheid verwaarlozen en daardoor overtreders worden. Maar er zijn ook velen die de Almachtige vrezen en handelen in overeenstemming met de leiding die Hij voor de mens heeft gezonden.


27. Vervolgens lieten Wij (meer van) Onze boodschappers volgen in hun voetsporen. En Wij lieten Jezus, zoon van Maria, na hen volgen, en Wij gaven hem het Evangelie. En Wij plaatsten tederheid en mededogen in de harten van degenen die hem volgden. En (wat betreft) de monnikenstand, zij voerden die in — Wij schreven het hun niet voor— slechts om Allah’s welbehagen te zoeken. Maar zij leefden het niet na zoals het nageleefd behoort te worden. Derhalve gaven Wij degenen onder hen die geloofden hun beloning. En de meesten van hen zijn overtreders.

Thumma qaffainā ‘alā āthārihim bi-rusulinā wa qaffainā bi-‘īsa-bni maryama wa ātaināhu-l-injīla; wa ja‘alnā fī qulūbi-llazīna-t-taba‘ūhu ra’fatan wa raḥmatan; wa rahbāniyyata-ni-btada‘ūhā mā katabnāhā ‘alaihim illa-btighā’a riḍwāni-llāhi famā ra‘awhā ḥaqqa ri‘āyatihā; fa-ātaina-llazīna āmanū minhum ajrahum; wa kathīrun minhum fāsiqūn.

Het woord “hun” in “in hun voetsporen” verwijst naar profeet Noach en profeet Abraham. Echter, in plaats van de tweevoudsvorm wordt hier het meervoud gebruikt om aan te duiden dat er naast hen nog vele andere boodschappers in hun tijd waren. Dit geeft aan dat profeet Noach en profeet Abraham in dat tijdperk niet de enige boodschappers op de wereld waren. Er waren ook vele andere boodschappers in andere delen van de wereld.

Deze vergelijking met de geschiedenis richt zich op het nageslacht van de Kinderen van Israël. Het vers vertelt ons dat Allah vele profeten liet verschijnen in het nageslacht van profeet Abraham, die tot de Israëlieten werden gezonden. Met de komst van profeet Jezus, zoon van Maria, kwam er echter een einde aan deze opeenvolging van Israëlitische profeten.

Daarna maakt het vers speciaal melding van de leer van profeet Jezus. Hiermee wil het benadrukken dat, net zoals het een zonde is wanneer men tekortschiet in het volgen van het pad van evenwicht en gematigdheid zoals de Almachtige heeft aangewezen, het net zo goed een overtreding is wanneer men hierin overdrijft en daardoor van het rechte pad afwijkt. Rekening houdend met de omstandigheden van dat specifieke tijdperk — met name de hardvochtigheid van de joden — kreeg profeet Jezus een leer die erop gericht was om in de harten van de mensen diepe gevoelens van tederheid en mededogen te kweken. Zijn doel was om hun hardvochtigheid en ongevoeligheid in te dammen en hen te verbeteren. Gezien de omstandigheden van zijn tijd was het voor profeet Jezus noodzakelijk om evenwicht en gematigdheid in de samenleving te herstellen. Helaas begonnen zijn latere volgelingen later te overdrijven in de naleving van deze voorschriften van tederheid en mededogen. Het onvermijdelijke gevolg hiervan was dat zij het monnikenleven instelden. Zij sloten zich af van de wereld, terwijl dit in werkelijkheid een nieuwigheid was die geen onderdeel vormde van de boodschap van de Almachtige.

Toch volgden ze deze weg van het kloosterleven. Ze meenden dat zij iets geweldigs deden door, ter wille van God, alle luxe en zelfs de basisvoorzieningen van het bestaan die de wereld biedt op te geven. Het gevolg hiervan was volkomen voorspelbaar: met uitzondering van enkelen was de meerderheid niet in staat deze zware taak te vervullen. Dit leidde ertoe dat onder hen allerlei duistere en zondige daden ontstonden. Daardoor werden de meesten van hen uiteindelijk overtreders.

Het is voor de mens niet moeilijk om de leringen van het boek van Allah na te leven. Dit komt doordat deze leringen volledig in overeenstemming zijn met wat de menselijke natuur nodig heeft. Ze zijn niet bedoeld om de ingeschapen verlangens van de mens te onderdrukken, maar om hem te helpen deze verlangens op de juiste manier toe te passen.

Het monnikenleven kan daarom nooit deel uitmaken van Allah’s leiding aan de mens. Hoe zou Hij immers leringen kunnen geven die in strijd zijn met de natuur waarin Hij Zelf de mens heeft geschapen? Als het celibaat bijvoorbeeld zo’n grote deugd was, waarom zou de Almachtige dan de geslachtsorganen van mannen en vrouwen hebben geschapen en wederzijdse aantrekkingskracht in hun aard hebben geplaatst? En als het werken voor je levensonderhoud en het doorbrengen van je leven binnen gezins- en gemeenschapsbanden vreemd zouden zijn aan Allah’s wil, wat zou dan het doel zijn van het plaatsen van al deze verlangens en capaciteiten in de menselijke natuur? Als iemand zijn eigen menselijke natuur en verlangens zou negeren, en niet zou leren hoe hij deze op de juiste manier moet toepassen, maar in plaats daarvan een leer volgt die de natuurlijke begeerten van de mens onderdrukt, dan zal slechts een enkeling in staat zijn dit vol te houden. De meerderheid zal daartoe niet in staat zijn, en door de krachtige drang van hun begeerten zullen zij op heimelijke en onwettige manieren proberen hier toch gevolg aan te geven. Dit is de reden waarom zondige gewoonten binnengeslopen zijn in het gedrag van veel monniken en nonnen. In dit verband stelt het vers dat onder degenen die werkelijk geloof hebben — dat wil zeggen, die hun geloof bewijzen door goede daden te verrichten — zeker hun beloning zullen ontvangen.

Allah doet namelijk de beloning van iemand nooit teniet, of het nu een man of een vrouw is. Echter, overdrijving en het neigen naar uitersten leiden onvermijdelijk ertoe dat sommigen onder hen overtreders worden. Met andere woorden, zij laten zich in met slechte daden.

Door te zeggen: “Wij schreven het hun niet voor – slechts om Allah’s welbehagen te zoeken,” wil Allah benadrukken dat Hij nooit het monnikenleven aan de mensen heeft opgelegd. Wat Hij de mens wél oplegde, is dat hij altijd het welbehagen en de goedkeuring van de Almachtige voor ogen moet houden. En hij kan dit alleen bewerkstelligen wanneer hij het door Allah aangewezen principe van de weegschaal van evenwicht en gematigdheid in zijn leven hooghoudt. Dit is het rechte pad dat hem in staat stelt het welbehagen van zijn Heer te verdienen. Dit welbehagen wordt ook wel het “paradijs” genoemd.

De mens moet zich ook realiseren dat, net zoals ongehoorzaamheid aan de leringen — oftewel tekortschieten in de naleving ervan (tafrīṭ) — een zonde is, overdrijven en het tot extremen gaan (ifrāṭ) dat eveneens is. Het is daarom zijn plicht om zijn driften en emoties met evenwicht en gematigdheid te hanteren, en deze alleen bij de juiste gelegenheid en met de beste intenties te gebruiken. Op deze manier zal hij het welbehagen van zijn Heer verdienen.


28. O u die gelooft! Voldoe uw plicht aan Allah en geloof in Zijn Boodschapper. Hij zal u twee delen van Zijn genade schenken, en u een licht geven waarin u zult wandelen, en u vergeven. En Allah is Vergevensgezind, Genadig.

Yā ayyuha-llazīna āmanu-t-taqu-llāha wa āminū bi-rasūlihī yu’tikum kiflaini min raḥmatihī wa yaj‘al lakum nūran tamshūna bihī wa yaghfir lakum; wa-llāhu ghafūrun raḥīm.

Met “twee delen” wordt een deel in dit leven en een deel in het hiernamaals bedoeld. Met andere woorden, de ware gelovigen wordt succes en voorspoed beloofd in beide werelden. Dit komt overeen met de smeekbede die de koran aan de gelovigen leert:

“Onze Heer, schenk ons het goede in deze wereld en in het hiernamaals en behoed ons voor de straf van het vuur.” (2:201)

Waar mislukking zich ook voordoet, of het nu in dit leven is of in het hiernamaals, het brengt een vuur van kwelling met zich mee dat de mens omsluit. Daarom wordt ons geadviseerd om in dit gebed Allah te smeken om succes en geluk, zowel in deze wereld als in het hiernamaals.

Taqwā (rechtschapenheid of voldoen aan je plicht) betekent het vervullen van je plichten tegenover anderen. Met andere woorden, het houdt in dat je jezelf hoedt voor nalatigheid in het nakomen van je plichten tegenover Allah en Zijn dienaren.

In de laatste twee verzen werd bijzondere nadruk gelegd op het hooghouden van de beginselen van evenwicht en gematigdheid, zoals de Almachtige die heeft voorgeschreven. Daarnaast moeten we uitersten in ons gedrag uit de weg gaan, of dit nu in de vorm is van tekortschieten (tafrīṭ) of van overdrijven (ifrāṭ). Nu richt dit vers zich tot de gelovigen en spoort hen aan om taqwā te ontwikkelen. Met andere woorden, zij worden aangespoord om hun plichten tegenover Allah en tegenover Zijn schepselen te vervullen volgens de wetten die Hij heeft vastgelegd in de heilige koran.

We worden ook aangespoord om in profeet Mohammed te geloven. Dit betekent dat we zijn voorbeeld nooit uit het oog mogen verliezen. Net zoals hij zijn leven modelleerde naar de leringen van de heilige koran, zo moeten wij dat ook doen. Dit zijn de twee manieren waarop we evenwicht en gematigdheid kunnen hooghouden en ons kunnen hoeden voor extremen in ons gedrag. Gehoorzaamheid aan de koran en het volgen van de sunnah (praktijk) van profeet Mohammed zijn dus de twee zaken die ons kunnen helpen om standvastig het rechte pad te bewandelen. Op deze manier kunnen wij het welbehagen van onze Heer verdienen. Daarom moeten we gehoor geven aan de roep van profeet Mohammed om offers te brengen omwille van Allah, en ons geloof bewijzen door middel van goede daden. Dit zal de genade van de Almachtige over ons in gang zetten, en Hij zal ons zowel in dit leven een deel als in het volgende een deel van voorspoed en succes schenken. De heilige koran verenigt namelijk twee soorten leringen. Hij keurt het niet goed dat wij de wetten van de Almachtige overtreden, noch dat wij bij die wetten de grenzen opzoeken door tekort te schieten of te overdrijven. Bijvoorbeeld dat we het monnikenleven als een deugd beschouwen.

Hier kan ik niet nalaten het bewijs aan te halen van mensen die begiftigd zijn met spiritueel inzicht en wiens ervaringen aantonen dat Allah zeker elke dienaar te hulp komt die een deugdzaam leven wil leiden. Er is echter één voorwaarde: die persoon moet absoluut oprecht zijn. Het is namelijk nooit voorgekomen dat Allah geweigerd heeft een dienaar te helpen die oprecht goede daden wil verrichten. Wanneer de hulp en steun van de Almachtige een goeddoener niet bereiken, dan ligt de oorzaak bij de persoon zelf, omdat hij van binnen geen zuivere en goede intenties heeft.


29. Opdat de Mensen van het boek zullen weten dat zij gans geen macht hebben over de goedgunstigheid van Allah, en dat (alle) goedgunstigheid in Allah’s handen ligt. Hij schenkt die aan wie het Hem behaagt. En Allah is de Heer van geweldige goedgunstigheid.

Li-allā ya‘lama ahlu-l-kitābi allā yaqdirūna ‘alā shai’in min faḍli-llāhi wa anna-l-faḍla bi-yadi-llāhi yu’tīhi man yashā’u; wa-llāhu zu-l-faḍli-l-‘aẓīm.

De mensen van het boek, dat wil zeggen de Israëlieten, koesterden de gedachte dat het profeetschap voor altijd binnen de geslachtslijn van profeet Jakob zou blijven voortbestaan. Maar Allah beschikte anders. Hij wenste dat de laatste profeet uit de geslachtslijn van profeet Ismaël zou voortkomen. Dit was de reden waarom de joden niet bereid waren om afstand te doen van hun geschriften en profeet Mohammed niet wilden aanvaarden.

Er moest daarom ruimschoots bewezen worden dat de koran werkelijk noodzakelijk was en dat dit boek, zonder enige twijfel, voortreffelijker en hoogstaander was dan alle andere religieuze geschriften. Hoewel de grootsheid, schoonheid en perfectie van de leringen van de koran — samen met de tekenen en onweerlegbare argumenten die deze leringen ondersteunen — op zichzelf aantonen dat dit laatste religieuze boek werkelijk van God afkomstig is, waren deze bewijzen niet voldoende. Wat werkelijk de noodzaak van een nieuw geopenbaard boek en de heldere argumenten dat het werkelijk van God afkomstig is bewijst, is de indruk die het achterlaat op het innerlijk en het gedrag van zijn volgelingen. Die indruk kunnen zij echter pas ervaren wanneer zij hun levens modelleren naar de leringen van dit boek.

Dit is de reden waarom wij, als gelovigen, de opdracht krijgen om taqwā (rechtschapenheid en plichtsvervulling) te ontwikkelen. Dit betekent dat we moeten handelen volgens Allah’s geopenbaarde leiding in de heilige koran. Daarnaast moeten we in Allah’s boodschapper geloven door zijn voorbeeld te volgen en door gehoor te geven aan zijn oproep om goede daden te verrichten en onbaatzuchtige offers te brengen. Zo kunnen we zowel in dit leven als in het hiernamaals succes oogsten. Ons wordt bovendien beloofd dat, als we dit pad volgen, we in beide werelden onbeperkte vooruitgang en succes zullen ontvangen. Maar meer nog dan dat, wordt ons een licht beloofd dat de wereld zal verlichten. Dit licht is het schitterende effect dat de heilige koran en de sunnah (praktijk) van profeet Mohammed uitoefenenDit dient als een onomstotelijk bewijs voor de mensen van het boek. Met dit bewijs kunnen zij niet anders dan erkennen dat ware goedgunstigheid niet in hun macht ligt en dat zij andere volkeren hier niet van kunnen uitsluiten. In plaats daarvan ligt alle goedgunstigheid in de Allah’s handen, en Hij schenkt het aan wie Hij wil.

Vanwege Allah’s goedgunstigheid was het profeetschap dus niet beperkt tot de Kinderen van Israël, maar schonk Hij het ook aan het nageslacht van profeet Ismaël. Het boek dat aan hen werd geschonken, de heilige koran, bracht een omwenteling teweeg van zo’n omvang dat geen enkele andere leer — die niet van Allah afkomstig is — ooit iets dergelijks had kunnen veroorzaken. In feite brachten de leringen van dit boek zo’n wonderbaarlijke verandering teweeg in het gedrag van de mensen, dat geen van de eerder geopenbaarde geschriften iets vergelijkbaars kon bewerkstelligen. Zelfs Sir William Muir, een vijandige criticus van de islam, erkent dit in zijn boek:

“Sinds de vroegste oudheid waren Mekka en het hele schiereiland verzonken in een spirituele verdoving. De zwakke, voorbijgaande invloeden van het judaïsme, het christendom of filosofische bevindingen op de Arabische geest waren als de rimpelingen hier en daar op het oppervlak van een rustig meer; alles daaronder bleef stil en roerloos. De mensen waren verzonken in bijgeloof, wreedheden en slechtheden … Hun religie was een afzichtelijke afgoderij; en hun geloof de duistere bijgelovige angst voor nutteloze dingen.” (Life of Mahomet, hfst. 7)

Aan de andere kant liet de leer van de heilige koran een wind van verandering waaien die zo wonderbaarlijk was, dat binnen de korte tijd van drieëntwintig jaar een volk dat verzonken was in afgoderij, onwetendheid en wreedheden niet alleen veranderde in een beschaafd en ontwikkeld volk, maar bovendien in een godvrezend en monotheïstisch volk. De British Encyclopaedia prijst dit feit door te stellen dat, van alle religieuze persoonlijkheden die op de wereld zijn verschenen, de Arabische profeet Mohammed de meest succesvolle is.

Maar dit grote succes berust op het feit dat zijn metgezellen handelden in overeenstemming met de geboden van de heilige koran, het volgen van het voorbeeld (sunnah) van profeet Mohammed, en het brengen van onbaatzuchtige opofferingen voor het bewaken en verspreiden van al deze zaken. Alle metgezellen van de Profeet volbrachten dit. En wanneer we kijken naar wat zij ontvingen aan succes en vooruitgang, zowel materieel als spiritueel in deze wereld en, als Allah het wil, in het hiernamaals, dan kunnen we niet anders dan uitroepen: Wa-llāhu zu-l-faḍli-l-‘aẓīm, “En Allah is de Heer van geweldige goedgunstigheid!”